Briquetage

Zout is nog steeds het meest gebruikte ingrediënt in de keuken: het is een goede smaakverbeteraar en het werkt ook als bewaarmiddel. Het nut van dit ‘witte goud’ ontgaat ook de vroege bewoners van Brugge niet.

Vanaf de ijzertijd zijn sporen van zoutproductie terug te vinden langs de Noordzeekust. Vooral in de Romeinse periode wordt de zoutproductie op grote schaal georganiseerd. Maar hoe die productie precies in zijn werk gaat, is nog niet helemaal duidelijk.

figuur 1 (Small)
Tijdens de ijzertijd en de Romeinse periode zijn de oostelijke kustpolders te vergelijken met het Verdronken Land van Saeftinghe (Rijkswaterstaat)

Langs de getijdengeul

Tijdens opgravingen aan Fort Lapin vinden archeologen heel wat sporen terug van de zoutproductie in de ijzertijd. Het gaat om ‘briquetage’, staven in aardewerk waarop men vaatwerk zet waarin de pekel verhit wordt. Vaak komt deze briquetage voor in combinatie met halve holle buisjes of ‘gootjes’. Dat deze sporen aan Fort Lapin worden teruggevonden, is niet verwonderlijk: voor de zoutzieders is de ligging langs de getijdengeul ideaal. Een geul levert immers de grondstof voor de zoutproductie (zeewater) én fungeert als een transportroute.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Deze site blijkt voor archeologen in de 19de eeuw en in de jaren ’60 van de 20ste eeuw overigens een zout- (excuus:) goudmijn te zijn. Ze graven er een haven uit de ijzertijd en de Romeinse periode op. De meest opmerkelijke vondst is een Romeinse boot die zowel op rivieren als op zee kan varen. Via de getijdengeul kan deze boot van de zee richting Romeinse nederzetting aan Fort Lapin gaan. Om zout op te laden?

In de kustvlakte

In de Romeinse tijd pakt men de zoutwinning in de kustvlakte grootschalig aan. De zouthandel wordt een staatmonopolie. In de buurt van Colijnsplaat in Zeeuws-Vlaanderen zijn verschillende altaren gewijd aan de godin Nehalennia opgevist. De altaren zijn vaak opgedragen door Menapische negotiatores salarii of zouthandelaars en handelaars in vissaus (de Menapiërs zijn de inheemse bewoners van onze regio). De handel en productie van zout in onze streken moet dus belangrijk geweest zijn.

nehalennia_altaar (Small)
In de buurt van Colijnsplaat (Zeeland) werden zo’n 200 brokstukken en Nehalennia-altaren opgevist. Op de foto: Nehalennia-altaar, 150-250 na Christus, coll. Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

Wat de productie in de Romeinse tijd betreft, vinden archeologen vooral kleinere elementen terug: klosjes, driepootjes en kleispijkers. De zoutcontainers – het vaatwerk waarin het zout geproduceerd en verhandeld wordt – worden in die periode veel groter.

De Menapische kustvlakte is in het algemeen een belangrijke economische regio waar seizoensgebonden activiteiten plaatsvinden. Zo vind je er zoutziederijen en schelpkalkbranderijen (gebruikt als grondstof in mortel), wordt er aan mossel- en oesterpluk gedaan, produceert men de bekende vissaus (garum) en teelt men schapen op de schorren. En niet te vergeten: de Menapische gezouten ham is een lekkernij die zelfs in Rome gesmaakt wordt.

figuur 2 (Small)
Reconstructie van een Romeinse zoutoven

Langs de A11

De aanleg van de A11 brengt niet alleen tijdwinst. Hij levert ook een belangrijke archeologische vondst op met betrekking tot de zoutproductie in onze contreien.

Wanneer de aanleg van de A11-snelwegverbinding in 2011 start, krijgt de archeologische dienst Raakvlak de kans om een groot deel van de oostelijke kustvlakte te onderzoeken. Langs de Zonnebloemweg, net ten zuiden van de Brugse achterhaven, stoten de archeologen op een kleine Romeinse nederzetting. Op een begraven zandrug ligt naast een steentijdkamp een Romeins gebouw met een waterput. Op de rand van de zandrug, bovenop het veen wordt een grote hoeveelheid briquetage verzameld. De opgraving levert niet minder dan 355 fragmenten op!

figuur 4 (Small)
Overzicht van de opgravingssleuven langs de Zonnebloemweg

De opgegraven site kent twee occupatiefasen: de tweede helft van de eerste eeuw tot begin tweede eeuw en het einde van de tweede eeuw tot het begin derde eeuw. Het blijkt om een kleine, tijdelijke woonplaats te gaan van waaruit de kustvlakte geëxploiteerd wordt: de bewoners kunnen er zout winnen, maar ook vissen of schapen hoeden. De activiteit en bewoning worden afhankelijk van de seizoenen georganiseerd: tijdens de winter is de kustvlakte te nat en onvoorspelbaar om er lange tijd te verblijven.

Met deze vondst komen de archeologen weer wat meer te weten over de zoutproductie in de kustpolders. Blijven graven is de boodschap!

figuur 3 (Small)
Vindplaatsen briquetage-materiaal: Fort Lapin (rood) en Zonnebloemweg (blauw)

Meer weten?

Peter W. Van Den Broeke, Zoutwinning langs de Noordzee: de pre-middeleeuwse sporen, in: Adriaan M.J. De Kraker en Guus J. Borger, Veen-vis-zout. Landschappelijke dynamiek in de zuidwestelijke delta van de Lage Landen, 2007, p. 65-80

Hugo Thoen, De Romeinen langs de Vlaamse kust, 1987

Wim De Clercq, Over vlees en bloed. Menapische boeren en soldaten aan de rand van het Romeinse Rijk (Publicaties van het Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke, Gewone reeks 5), 2012

Michiel Dekoninck, Romeinse zoutproductie in de civitas Menapiorum. Een studie naar het technologische proces op de zoutproductiesites aan de hand van het briquetage-aardewerk uit de regio Zeebrugge-Dudzele, Thesis Ugent, 2017

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s