Zicht in de ziekenzalen van het Sint-Janshospitaal

Het leven zoals het is: ziekenzaal. In 1778 wel te verstaan. Het is een mooie omschrijving van het schilderij van Jan Beerblock. Zijn werk toont ons precies hoe de ziekenzaal eruit ziet en wie er allemaal doende is. Geen wonder dus dat dit schilderij één van de sleutelwerken is uit de collectie van het Sint-Janshospitaal.

688208a
Jan Beerblock, Zicht in de ziekenzalen van het Sint-Janshospitaal, 1778, coll. OCMW Sint-Janshospitaal Brugge (O.SJ0160.I)

Dankzij dit schilderij weten we perfect hoe de beddenbakken netjes in rijen stonden tussen de hoge kolommen. We hoeven ons niet te baseren op vergelijkingen met gelijkaardige hospitalen in Tournus, Beaune en Venetië. Beerblock zet ons op de eerste rij om zomaar een dag in het Sint-Janshospitaal te aanschouwen.

Wie is wie?

Beerblocks zin voor detail maakt dat we een aantal personages met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen herkennen aan hun kledij en aan hun bezigheden.

0.SJ0160.I_19
Dokter (?) en zuster, detail uit: Jan Beerblock, Zicht in de ziekenzalen van het Sint-Janshospitaal, 1778

De man in het middenpad links, met het keurige rode jasje en de zwarte hoed, is waarschijnlijk een dokter. Hij wordt vergezeld door een zuster. De twee lijken in een druk gesprek verwikkeld, waarschijnlijk over de zieke in het bed. Ondertussen voelt de dokter de pols, een typische handeling van een arts. Hij heeft een veer tussen de tanden geklemd, in de andere hand houdt hij een vel papier vast. Bespreken ze de toestand van de zieke of zijn behandeling?

0.SJ0160.I_12
Chirurgijn (?), detail uit: Jan Beerblock, Zicht in de ziekenzalen van het Sint-Janshospitaal, 1778

Op de voorgrond, net achter de kruiwagen, loopt een ander heerschap dat duidelijk beter gekleed gaat dan de knecht die de wagen voortduwt. De man draagt een verzorgde witte pruik en dito schort om zijn jas en broek te beschermen. De linten in zijn hand, wellicht verbanden, kunnen erop wijzen dat het om een chirurgijn gaat.

688208a_pastoor
Priester en zuster bij een stervende, detail uit: Jan Beerblock, Zicht in de ziekenzalen van het Sint-Janshospitaal, 1778

De pastoor mag uiteraard niet op het appel ontbreken. Beerblock schildert hem uiterst links, nabij een beddenbak waar een stervende lijkt te liggen. Hij dient de laatste sacramenten toe, wat betekent dat de tijd op aarde voor deze zieke bijna voorbij is. De stervende zal overgebracht worden naar een bed in het middenpad waar een zuster al de kaarsen aansteekt. De priester bekleedt een cruciale rol in het hospitaal. Hij gaat de mis voor, neemt de biecht af en begeleidt de doden naar hun laatste rustplaats. Vóór de eigenlijke begraving baart men de overledene op in de kapel op de begraafplaats van het hospitaal. Kapel en kerkhof zijn nu verdwenen, maar in die tijd staan ze op het plein voor de huidige hospitaalapotheek in het broederklooster.

kapel Sint-Jan 2
De kapel op de begraafplaats van het Sint-Janshospitaal, detail uit: Marcus Gerards, Stadsplan Brugge, 1562

Namen noemen

We kunnen nog een stap verdergaan wat sommige personages betreft. Niet alleen herkennen we hun functie, we kunnen hen ook met vrij grote zekerheid identificeren. Het gaat om de pastoor en het groepje geestelijken in rood en blauw, vergezeld door een zuster en een rijkelijk uitgedoste man. De geestelijken staan rechts in de middengang afgebeeld.

0.SJ0160.I_28
Twee bisschoppen, een zuster en een man, detail uit: Jan Beerblock, Zicht in de ziekenzalen van het Sint-Janshospitaal, 1778

In de ‘Biographie des Hommes Remarquables de la Flandre Occidentale’ uit 1843 schrijft Octave Delepierre dat de opdrachtgever van Beerblocks schilderij pastoor Kinjedt zou zijn, die ook de pastoor zou zijn op het schilderij. Hij baseert zich hiervoor op het handboek van pastoor Kinjedt. Daarin lezen we:

‘Entr’autres il  exécuta, en 1778, pour le curé de l’hôpital de St.-Jean, une vue de l’intérieur de la salle des malades de cet hôpital, dans laquelle on voit la manière dont les secours leur sont donnés par les soeurs. Ce morceau est d’une excellente perspective, d’une bonne couleur et très animé par un grand nombre de personnages…’

Het lijkt een geloofwaardige beschrijving van het schilderij van Jan Beerblock.

In hetzelfde handschrift duiken de eerder vermelde geestelijken op. Er wordt een bezoek beschreven dat plaatsvindt op 9 oktober 1777. Dit is dus één jaar voor Jan Beerblock het werk aflevert én het jaar waarin Félix Brénart tot bisschop van Brugge wordt benoemd en gewijd. Het is dus best mogelijk dat hij in het selecte gezelschap wordt afgebeeld. In de opsomming komen naast zijn naam, ook de namen voor van Johannes Henricus de Franckenberg, toen aartsbisschop van Mechelen en Felix Hubertus de Wavrans, bisschop te Ieper. Een onderonsje onder bisschoppen, zeg maar.

 

0.SJ0160.I_17
Steelse blikken…, detail uit: Jan Beerblock, Zicht in de ziekenzalen van het Sint-Janshospitaal, 1778

Gezocht: verdwenen schilderij van Beerblock

Publicaties en documenten bewaard in het Gruuthusemuseum suggereren dat er van dit schilderij een andere, zeer lijkende versie zou bestaan hebben, ook van de hand van Jan Beerblock. Dit iets kleinere exemplaar wordt in 1905 tentoongesteld in het Gruuthusepaleis en verblijft daarna een tiental jaar in de museale reserves. Dan wordt het weer opgehaald door de eigenaars. Alles wat ons tot op vandaag rest, is een wazige foto, een vermelding in de literatuur en de namen van de laatste eigenaars van het schilderij, de Brugse familie Noë-Macet. Ondanks de waardevolle informatie van Bertrand Nolf van de Heemkundige Kring Ten Mandere (Izegem) en van Jan Anseeuw van het Brugse Stadsarchief, strandt het spoor nu in Brussel en Wallonië… Misschien komt het vermiste schilderij via een oplettende lezer weer boven water? Het zou de staf en de vele aficionado’s van het Sint-Janshospitaal alvast heel gelukkig maken!

Opnames ivm herinrichting Sint-Janshospitaal
Rouwbericht van pastoor Kinjedt, coll. OCMW Sint-Janshospitaal Brugge (0.SJ.1314.III)

Meer weten?

Het schilderij heeft een plaats in de permanente opstelling van het Sint-Janshospitaal.

Foto’s schilderij Beerblock: Stadsfotografen Brugge

 

De biechtboekjes uit de Bibliotheek Carton (Spermalie)

Vzw De Kade, Spermalie heeft een lange traditie in het onderwijs aan dove en blinde kinderen. In 1836 stampt Charles-Louis Carton (1802-1863) het instituut uit de grond, op vraag van bisschop Boussen. Carton gaat voluit voor zijn taak. Om zijn onderzoek en praktijk te ondersteunen, bouwt hij een eigen vakbibliotheek uit, die vandaag nog gedeeltelijk bewaard wordt in Spermalie. Uit die bibliotheek duikelen we hier drie merkwaardige boekjes op.

reproductie foto uit archief spermalie,
Charles-Louis Carton, midden 19de eeuw, coll. Zusters van de Kindsheid van Maria ter Spermalie Brugge

Het gaat om drie zogenaamde biechtboekjes. Ze dateren van het einde van de 18de en het midden van de 19de eeuw. Van het 19de-eeuwse boekje weten we net iets meer: het was eigendom van P. Bultinck uit Ledegem en werd gemaakt door François de Raedt uit Izegem in 1851.

Eén boekje is bestemd voor mannen (de afgebeelde zondaar van dienst is een man), de twee andere voor vrouwen. Het boekje bestemd voor mannen bevat een Latijnse tekst geadresseerd aan de priester. In vertaling luidt de tekst: ‘Eerwaarde heer of vader. Ik ben doof. Ik kom naar u om mijn zonden te biechten. Gelieve mij in een aparte plaats te brengen opdat ik, na mijn zonden te hebben gebiecht, van uw hoogwaardigheid een heilzame penitentie en vergiffenis moge ontvangen.’

De dove die te biechten gaat, wijst in het boekje aan welke zonde hij/zij begaan heeft. De priester kan op zijn beurt aanwijzen wat de zondaar moet doen om vergeving te krijgen.

Vader, ik heb gezondigd

De boekjes bevatten wat naïef aandoende tekeningen die de zonden uitbeelden die men kan begaan. De twee 18de-eeuwse biechtboekjes beelden 36 zonden af, het 19de-eeuwse 23. De toelichting bij de plaatjes is in het Latijn en/of het ‘Vlaamsch’. Elk boekje is aangevuld met bijkomende religieuze ‘lessen’, zoals de tien geboden, hoe je een kruisteken moet maken, de vijf penitenties…

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Alle tekeningen zijn met de hand gemaakt. Elk boekje is dus uniek. Maar het is opvallend dat er regelmatig sterke parallellen zijn tussen de afbeeldingen in de verschillende boekjes. Zo zien we bij de zonde ‘Ik ben verstrooid geweest tijdens de mis’ telkens een priester en een misdienaar voor het altaar en de geknielde zondaar. Het verstrooid zijn wordt, bijna zoals in een stripverhaal, uitgebeeld met slingerende lijntjes die naar gedachten leiden, voorgesteld door voorwerpen als een muziekinstrument of een schop. In de 18de-eeuwse boekjes valt bij ‘Ik heb vlees gegeten op een vastendag’ de hanger aan het plafond op waaraan vis bengelt. Maar er zijn ook verschillen, bijvoorbeeld bij ‘Ik heb gewerkt op een zondag’. Daar zien we nu eens een vrouw kantklossen, dan weer vrouwen die aan het verstellen en het wassen zijn. En de zondige man? Die graaft een put.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

17de-eeuwse inspiratie

In de opvoeding van dove kinderen speelt voor Carton het godsdienstige aspect een belangrijke rol. Niet verwonderlijk gezien zijn religieuze achtergrond – Carton is kanunnik. In de biechtboekjes komen twee zaken samen: hoe gaat de kerk om met het probleem ‘biechten door doven’ enerzijds en hoe kan men doven onderwijzen anderzijds.

3.9_onkuisheid
De zeven hoofdzonden: onkuisheid (biechtboekje 1), 18de eeuw, coll. Zusters van de Kindsheid van Maria ter Spermalie Brugge

In theologische handboeken vormen mensen die niet kunnen horen en praten een probleem. Hoe kunnen zij hun zonden opbiechten, boete doen en om vergeving vragen? Een prangende kwestie aangezien de katholieke gelovige minstens éénmaal per jaar te biechten moet gaan. Al in de 17de eeuw komt deze kwestie ter tafel. In het midden van de 18de eeuw noteert Petrus Dens, auteur van een handboek over de sacramenten waaronder de biecht, dat doven hun zonden moeten toelichten door middel van knikken of andere tekens. Voorafgaand aan de eerste biecht moeten ze onderwezen worden in de mysteriën van het geloof met behulp van beelden en tekenen.*

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Waarmee we bij de tweede kwestie belanden, die Carton na aan het hart ligt: hoe doven onderwijzen? Ook dit probleem is niet nieuw. Al in de 16de eeuw duiken er personen (vaak geestelijken) op die onderwijsmethoden voor doven trachten te ontwikkelen. Ze volgen verschillende sporen: onderwijs aan de hand van beelden, via gebaren… Enige concurrentie tussen de verschillende strekkingen is daarbij trouwens niet van de lucht.

titelblz Steeghius (Small)
Titelbladzijde van Steeghius’ ‘Christelycke leeringhe’, coll. Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience Antwerpen

Carton zelf gaat in op deze kwestie in een verhandeling die hij schrijft voor de Académie Royale de Belgique en die in 1845 bekroond wordt met een gouden medaille. Als eerste systeem bespreekt hij ‘remplacer la langue par le dessin et les signes’. In dit hoofdstuk verwijst hij naar een aantal publicaties en geschriften uit vroeger eeuwen die godsdienst onderwijzen aan de hand van afbeeldingen. Een werk dat hij vernoemt, is de ‘Christelycke leeringhe verstaenelycker uyt-geleyt door eene beelden-sprake’ van Joannes Guilielmus Steeghius uit 1647. Carton bezit twee exemplaren van dit werk,  waarvan één duidelijk veel gebruikt is. Ze zitten vandaag nog steeds in de Spermalie-bibliotheek. Carton vertelt in zijn verhandeling dat hij zelf weet heeft van verschillende doven die aan de hand van Steeghius’ werk en andere geïllustreerde religieuze boeken onderwijs hebben gekregen. Hij verwijst onder andere naar het boek ‘Coup d’oeil d’un aveugle sur les sourd-muets’ van Alexander Rodenbach uit 1829, die bij een aantal doven op bezoek is gegaan.

Qui est-ce qui vous a enseigné la religion?

D’abord notre cousine Lagae, sourde-muette à Heule; et ensuite la famille sourde-muette Deurwaeder, de Courtrai; ces personnes avaient de la fortune et elles m’ont légué plus de quarante volumes de gravures qui m’ont été d’une grande utilité pour m’instruire; mais malheureusement presque tous ces livres ont été volés dans notre ferme de Wevelghem, en 1794, par des soldats français. – Son frère ajoute que cette perte lui avait fait tant de chagrin, qu’il en avait pleuré plus de quinze jours.

Alexander Rodenbach, Coup d’oeil d’un aveugle sur les sourd-muets, 1829

Kijk eens op de almanak

In zijn ‘Brief van opdragh deses boecks’ en in zijn ‘Voorreden tot den leser’ schrijft Steeghius dat hij de mosterd deels heeft gehaald bij de ‘Schaepherders Almanach’ of ‘Boeren Almanach’, uitermate populaire drukwerkjes waarin inderdaad tekst en beeld gecombineerd worden zodat ook wie niet goed kan lezen, toch kennis kan opdoen. Bij zijn bespreking van de ‘X.  gheboden Godts’ en de ‘V. gheboden der H. Kercke’ geeft Steeghius aan dat hij een aantal symbolen uit de Schaapherdersalmanak gebruikt in zijn prenten.*

B_OB_MS398_00268 (Small)
‘Den boeren ofte schaepers almanach’ voor het jaar 1822, Brugge, [1821]. Waarschijnlijk zijn in deze almanak oude drukblokken met symbolen herbruikt. Coll. Openbare Bibliotheek Brugge
Steeghius symbolen1
Steeghius, ‘Christelycke leerlinghe’, De tien geboden: zwarte driehoekjes met een werktuig ‘ghenomen uit den boeren Almanach’ staan voor een week/werkdag, coll. Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience Antwerpen
1.4symbolen
Symbolen in biechtboekje 2, 18de eeuw, coll. Zusters van de Kindsheid van Maria ter Spermalie Brugge

Opvallend: we vinden deze symbolen ook weer terug in de biechtboekjes. Het 18de-eeuwse biechtboekje voor mannen bevat bovendien ook sterke overeenkomsten met enkele prenten uit Steeghius’ werk, zoals een afbeelding van de hel, hoe een kruisteken maken en de Heilige Drievuldigheid (in het biechtboekje kijken Christus en God de Vader ons wel net iets olijker aan).

Waar men gaat langs Vlaamse bibliotheken

De biechtboekjes uit de Bibliotheek Carton zijn niet uniek. Het Stadsarchief Brugge bewaart eveneens een biechtboekje en onder andere in Antwerpen en Kortrijk zijn er exemplaren terug te vinden. Dit laatste exemplaar is voor ons verhaal overigens interessant.

Er is een bijna één op één relatie vast te stellen tussen het Kortrijkse boekje en het 18de-eeuwse boekje voor mannen uit de bibliotheek van Carton. De manier waarop de zonden worden afgebeeld is heel gelijklopend en de volgorde is quasi identiek. Ook de penitenties worden quasi identiek afgebeeld. Het boekje van Carton is wel iets omvangrijker. Het boekje uit Kortrijk werd gemaakt voor Guilielmus De Deurwaerdere in 1748, mogelijk de familie waarnaar Rodenbach verwijst in zijn boek.

extra 1
‘Ik heb een persoon aangeraakt met een wellustig gemoed onder voorwaarde dat ik met hem zou trouwen’ (biechtboekje 2), 18de eeuw, coll. Zusters van de Kindsheid van Maria ter Spermalie Brugge

Meer weten?

Charles-Louis Carton, Mémoire en réponse à la question suivante: faire un exposé raisonné des systèmes qui ont été proposés pour l’éducation intellectuelle et morale des sourds-muets (…), (Extrait du tome XIX des Mém. couronnés et Mém. des Savants étrangers)

Paul Elsen, Drie biechtboekjes voor doofstommen. Archief Ch.-L. Carton Spermalie Brugge, in: Brugse gidsenkroniek, 39 (2006), blz. 48-56.

Alphons de Meester, Oude biechtboekjes voor doofstommen, in: Biekorf, 54 (1953), blz. 31-37.

800 jaar Spermalie, Brugge, 1986.

Maurice Buyens, De dove persoon, zijn gebarentaal en het dovenonderwijs, Antwerpen, 2005.

Ludo Vandamme (red.), Elke dag wijzer. Brugse almanakken van de 16de tot de 19de eeuw, Brugge, 2006.

Vzw De Kade organiseert in het kader van Erfgoeddag een tentoonstelling rond instrumenten die gebruikt werden bij het onderwijs aan blinden. Te bekijken in het Centrale Infopunt in het Rijksarchief en via Erfgoedinzicht.

*Hartelijk dank aan prof. dr. Theo Clemens voor deze informatie.

3.7
De H. Drievuldigheid (biechtboekje 1), 18de eeuw, coll. Zusters van de Kindsheid van Maria ter Spermalie Brugge

 

Vuurstenen werktuig

Het is een kwaliteitsvol werktuig en het getuigt van de vroegste menselijke aanwezigheid in de Brugse regio: een mes of schrabber uit het midden van de oude steentijd. Dit werktuig flitst ons terug naar de jaren circa 70.000 tot circa 35.000 voor Christus.

Archeologen treffen dit voorwerp zo’n 1990 jaar nà Christus aan op de site Molendorp in Sint-Andries. Het ligt in de vulling van een Romeinse gracht. Waarschijnlijk ligt het werktuig eerst tienduizenden jaren begraven en komt het in de Romeinse tijd weer aan de oppervlakte bij het graven van een waterput of iets dergelijks. Korte tijd later belandt het werktuig in de vulling van een gracht, waar het vervolgens weer honderden jaren verborgen blijft.

AIV7_fig 06 (Small)
Tekening van het vuurstenen werktuig (VIOE)

Kwaliteitsvol gereedschap

Het werktuig is gemaakt uit grijze vuursteen van goede kwaliteit. We hebben te maken met een brede kling met een snijfunctie, laten we zeggen: een prehistorisch mes.

D5C0E46D-5056-991B-C78200277C3A3160
Reconstructietekening van een jager uit het mesolithicum; dan jaagt men al met pijl en boog (tekening: K. Wilson)

Door de manier waarop de vuursteen is bijgewerkt of ‘geretoucheerd’ kan dit werktuig gedateerd worden in het midden van de oude steentijd. Deze periode omvat het vroegste verleden van de mens. De uiterlijke kenmerken laten archeologen zelfs toe deze vuursteen nog specifieker te dateren en te situeren. Ze plaatsen het werktuig binnen het Mousteriaan. Dit is een periode en cultuur genoemd naar de schuilgrotten bij Le Moustier, in het zuidwesten van Frankrijk. Traditioneel brengt men deze cultuur in verband met de Neanderthalers, een mensensoort die rond 35.000 jaar voor Christus is uitgestorven. In deze periode trekken volkeren naar nieuwe gebieden, leggen ze zich toe op het vervaardigen van werktuigen en gaan ze meer selectief jagen.

Opvallend is dat iemand het werktuig na enige tijd bijwerkt: één van de uiteindes is omgevormd tot ‘schrabhoofd’. Zo kan het werktuig bijvoorbeeld gebruikt worden om huiden schoon te schrabben of schrapen.

Fig. I6 Laat-Paleolithicum_Close_8Bits
Reconstructie van een kampement uit het finaal paleolithicum in Maldegem

Wanneer er een microscoop wordt opgezet, geeft dit werktuig nog meer geheimen prijs. Microscopisch onderzoek op de gebruikssporen wijst uit dat het werktuig met lederen banden gemonteerd is in een heft uit been of gewei. En dat het werktuig effectief voor het bewerken van huiden gebruikt wordt. Daarop wijst onder andere een achtergebleven gebruiksglans.

De tand des tijds

Een groot deel van het oppervlak van het werktuig is zwaar beschadigd door vorst. Dit wijst erop dat het stuk tenminste tijdens een erg koude fase, lees: een ijstijd, op of aan de oppervlakte heeft gelegen. Maar lang zal dit niet geduurd hebben: de randen van het werktuig zijn namelijk niet afgerond of verweerd.

paleo
Reconstructie van het landschap uit de oude steentijd. In plaats van de huidige kustlijn, strekt een zandvlakte zich uit naar het noorden en het westen.

De mensen die het werktuig gebruiken hier in de Brugse regio, leven in een totaal ander landschap dan dat we het nu kennen. In die periode staat de zeespiegel 120 meter lager dan vandaag. De Noordzee ligt grotendeels droog en de kustlijn bevindt zich veel verder noord- en westwaarts. Rond Brugge ontstaat een boomloos, open landschap met een beperkte vegetatie. Een gure omgeving waarin een verre voorouder ooit met dit mes de vangst van de jacht bewerkt heeft.

Fig. I2
De toendra in het hoge noorden, vergelijkbaar met het landschap hier tijdens het midden van de oude steentijd (foto Vilda, Y. Adams)

Meer weten?

Dit vuurstenen werktuig wordt bewaard in de depots van Raakvlak.

Bieke Hillewaert, Yann Hollevoet en Marc Ryckaert (red.), Op het raakvlak van twee landschappen. De vroegste geschiedenis van Brugge, Brugge, 2011.

De kraagstenen van het Brugse stadhuis

Het stadhuis van Brugge is een van de oudste stadhuizen in de Nederlanden. Het is een historische getuige van de economische en politieke bloei van de stad tijdens de 14de eeuw.

Aanvankelijk vergaderen de schepenen in het belfort. Wanneer dat in 1280 afbrandt, verhuizen de schepenen naar het oude ‘ghyselhuus’ op de Burg, de voormalige grafelijke gevangenis. Lodewijk van Male laat in 1376 het ‘ghyselhuus’ slopen om plaats te maken voor een schitterende, moderne nieuwbouw: een echt ‘scepenhuus’.

GEB250702_07 (Small)
Het stadhuis op de Burg, Brugge

Meester-metselaar Jan Roegiers start de werken, maar tal van ambachtslui zullen tot de voltooiing in 1421 aan het prachtige gebouw werken. Het Brugse stadhuis is een inspiratiebron voor bouwmeesters uit Brussel, Gent, Leuven en Oudenaarde.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Ook de burgerlijke architectuur in Brugge zelf wordt sterk beïnvloed door het stadhuis. De zogenaamde Brugse travee wordt voor het eerst toegepast aan het stadhuis, maar is later ook op gevels van woonhuizen terug te vinden. De gevelstenen van het stadhuis hebben duidelijk tot zelfs in de interieurs van de burgerlijke stadspaleizen en woningen hun invloed gehad.

detail Brugse travee Gruuthuse
Brugse travee aan de Reiegevel van het Gruuthusepaleis, detail uit een tekening van Louis Delacenserie, archief Dienst Monumentenzorg Stad Brugge

Decoratief functioneel

De kraagstenen van het Brugse stadhuis zijn heel bijzonder. Niet alleen telt de Gruuthusecollectie nog steeds 26 van deze oorspronkelijke zandstenen kraagstenen, ze zijn ook van de weinige 14de-eeuwse sculptuur waarvan we met zekerheid weten in welke ateliers ze zijn gemaakt, voor wie, door wie en wanneer. Een uitzondering in de rijke Brugse sculpturale kunst.

dav
Detail gevel stadhuis Brugge, foto: Kristel Van Audenaeren

De kraagstenen maken deel uit van de gevel van het stadhuis. Wanneer Jozef Geefs en Charles Geerts tussen 1854 en 1863 de gevel restaureren, nemen ze de kraagstenen af. Vanaf de oprichting van de Société Archéologique de Bruges in 1865 bevinden de stenen zich in de Gruuthusecollectie. Aan de gevel van het stadhuis plaatst men kopieën van de originele kraagstenen.

dav
De nieuwe kraagsteen met Zacharias en de engel aan de gevel van het Brugse stadhuis

Kraagstenen zijn vooruitspringende stenen die in een muur gebruikt worden om het gewicht te dragen van balken of gewelven. Naast hun bouwtechnische functie krijgen ze ook al heel snel een decoratief aspect.

De Henegouwse connectie

Tussen 1376 en 1379 krijgen de kraagstenen  vorm in het atelier van Jan van Valenciennes. Jan is mogelijk uit Brugge afkomstig, maar mogelijk ook uit Valenciennes, zoals zijn naam doet vermoeden. De belangrijke beeldhouwer André Beauneveu (ca.1335 – 1400) is ook uit Valenciennes afkomstig. Hij is één van de grondleggers van de internationale gotiek, een stijl waarvan Jan van Valenciennes duidelijk een volgeling is.

engelen_mirador_Mallorca
Musicerende engelen, detail gevel kathedraal Palma de Mallorca

Vanaf 1394 vinden we een Juan de Valencines of Joan de Valencines terug in het zonnige zuiden. Hij werkt er aan de kathedraal van Palma de Mallorca. Dit doet hij zeker tot 1397. Hij beeldhouwt er onder andere zes engelen die muziek spelen.

Veel meer weten we niet over de begenadigde beeldhouwer Jan van Valenciennes. Zeker is dat hij tot 1390 aan het stadhuis werkt. Men neemt aan dat Colard de Cats zijn werk daarna voortzet. Als reden geeft men soms het overlijden van Jan van Valenciennes op, maar het is dus ook mogelijk dat Jan op een ander aanbod ingaat en andere horizonten opzoekt.

kraagsteen_Mirador_Mallorca
Kraagsteen aan de mirador, Palma de Mallorca

Over Colard is nog minder bronnenmateriaal te vinden. Hij komt eveneens uit het toenmalige Henegouwen, meer bepaald uit Bergen of Doornik en is dus een streekgenoot van Jan (aangenomen dat deze ook uit Henegouwen komt). Colard de Cats sterft vroegtijdig in 1426-1427 en wordt opgevolgd door Jan van Hoosebrugge. Van hem weten we amper iets. Zeker is dat in hun ateliers heel wat gezellen meegewerkt hebben aan het grootse stadhuisproject.

Nadat de beelden en kraagstenen van het stadhuis gekapt zijn, worden ze beschilderd. Een van de belangrijkste meesters die in 1435 opdracht krijgt voor het vergulden en beschilderen van zes beelden van de graven van Vlaanderen, is ongetwijfeld Jan van Eyck. Naast hem zijn er waarschijnlijk nog vele anderen die de gevel ‘stofferen’, zoals men dit noemt. Heel wat kraagstenen hebben nog sporen van polychromie.

738708a_Zacharias en engel_polychromie
Detail uit de kraagsteen met Zacharias en de engel: sporen van polychromie op het kleed van Zacharias (onderaan)

Tristan, Isolde en de anderen

De kraagstenen hebben erg uiteenlopende voorstellingen, gaande van religieuze tot mythische figuren. Wie het iconografisch programma voor de gevelbeelden en kraagstenen bepaalt, weten we niet. De Rederijkerskamers bestaan dan nog niet. Zij ontstaan pas in de eerste helft van de 15de eeuw.

738708a_Zacharias en engel
Atelier van Jan van Valenciennes, Kraagsteen met Zacharias en de engel, coll. Gruuthusemuseum Brugge (VI.O.0130), foto: Cel Fotografie Stad Brugge

De religieuze taferelen vormen een kleine minderheid in het geheel. Maar dat neemt niet weg dat de bijbel ons één van de mooiste kraagstenen heeft opgeleverd, met een voorstelling van Zacharias, de vader van Johannes de Doper, en de engel. De engel laat Zacharias weten dat zijn vrouw Elisabeth ondanks haar gevorderde leeftijd een zoon zal krijgen die ze Johannes moeten noemen. Omdat Zacharias dit niet gelooft, ontneemt de engel hem zijn spraak. Pas wanneer Zacharias na de geboorte van het kind op een tablet neerschrijft dat zijn zoon Johannes moet heten, kan hij weer spreken. Het tafereel is heel mooi uitgewerkt in de kraagsteen. Zacharias is een plechtstatige figuur met een baard, typisch voor priesters, en lang sluik haar. De engel heeft een mooi gelaat, zoals het engelen betaamt, en springerige krullen. De gebaren en houdingen van de figuren maken het geheel dynamisch en levendig.

738705a_Tristan en Isolde
Atelier van Jan van Valenciennes, Kraagsteen met Tristan en Isolde en koning Mark, coll. Gruuthusemuseum Brugge (VI.O.o129), foto: Cel Fotografie Stad Brugge

Op de rest van de kraagstenen vinden we legendes, satires en volkse voorstellingen terug. Twee kraagstenen stellen bijvoorbeeld de toen populaire legende van Tristan en Isolde voor. Het verhaal van dit tragische liefdespaar, de middeleeuwse Romeo en Juliet, kent een wijde verspreiding vanaf de 12de eeuw, maar de oorsprong is waarschijnlijk terug te voeren tot de 7de en 8ste eeuw. Waarom dit liefdesverhaal in twee verschillende scènes is uitgebeeld op de kraagstenen van het stadhuis is een raadsel. In de ene scène zien we koning Mark, de echtgenoot van Isolde, de twee geliefden bespieden vanuit een boom. Gelukkig kan Isolde zijn spiegeling zien in het water van de bron en kan ze Tristan wijzen op zijn aanwezigheid. In de andere scène zien we Tristan en Isolde met de trouwe bediende van Isolde, Brangien. Opvallend is dat deze twee kraagstenen duidelijk veel grover, hoekiger en ruwer zijn uitgewerkt dan deze van Zacharias en de engel. Nogmaals een bewijs dat vele handen aan dit iconografisch programma hebben gewerkt.

738609a
Atelier van Jan van Valenciennes, Kraagsteen met Tristan en Isolde en Brangien, coll. Gruuthusemuseum Brugge (VI.O.0135), foto: Cel Fotografie Stad Brugge

Meer zien?

Tegen de zwarte wand rechts in de hal van het stadhuis staan enkele originele kraagstenen tentoongesteld. Je kan het stadhuis dagelijks bezoeken. De andere kraagstenen zullen zeker te zien zijn in de vernieuwde opstelling in het Gruuthusemuseum.

De warachtighe fabulen der dieren

Pieter de Clerck heeft een bescheiden drukkerij in de Peerdenstraat in Brugge. Maar eind augustus 1567 rolt daar één van de meest originele boeken van de 16de eeuw van de persen. Een boek waarin de beste krachten zich bundelen, zo weet Ludo Vandamme, medewerker van de Openbare Bibliotheek, te vertellen.

‘De warachtighe fabulen der dieren’ luidt de titel van het boek en het is het eerste embleem-fabelboek in de Nederlandse literatuur. Fabels en emblema gaan hier hand in hand, oud en nieuw, traditie en vernieuwing vermengen zich met elkaar.

B_OB_ST137_001r (Small)
Titelpagina van ‘De warachtighe fabulen der dieren’, 1567, Brugge, coll. Openbare Bibliotheek (St. 137)

Ken uw klassiekers

Fabels zijn korte verhalen waarin dieren of dingen de mens een wijze les proberen bij te brengen. De meeste gaan terug op de verhalen van de Griekse dichter Aesopus (6de eeuw voor Christus). In de middeleeuwen zijn ze heel populair en ook latere generaties weten ze te bekoren, niet in het minst in een bewerking van Jean de La Fontaine (1621-1695). Wie is niet vertrouwd met de krekel en de mier, de vos en de raaf en vele andere dierenverhalen (de verre voorlopers van Zoef de Haas, Truus Mier en Meneer de Uil, lieve kijkbuiskinderen!)?

Emblema en emblemataboeken zijn daarentegen een nieuwigheid van de 16de eeuw en op en top producten van de renaissance. Een emblema bestaat uit drie componenten: een morele aansporing (motto) wordt uitgewerkt in een beeld of embleem (pictura) en in een poëtisch bijschrift (subscriptio).Dit genre vol symbolen en metaforen laat zich smaken door ingewijde lezers.

Het eerste emblemataboek verschijnt in 1531 (Emblematum liber) en is het werk van de Italiaanse humanist Andrea Alciato (1492-1550).  Culturele en intellectuele kringen in Brugge zijn al vlug vertrouwd met deze renaissanceliteratuur. Alciato laat zich portretteren door de Brugse schilder Ambrosius Benson (1495-1550) en Brugse boekhandels van de jaren 1560 bieden een aardig assortiment emblemataboeken aan.

Dees Fabulen (tis waer) sijn oudt ende ghemeene

Maer nochtans exellent, gheleerdelic ghemaect

Ende vol zins oft verstandts, dus en achtse niet cleene

Lucas d’Heere, Inleidend gedicht tot de lezer, in: De warachtighe fabulen der dieren

Nieuw bij de boekenboer

De opdrachtgever van de ‘De warachtige fabulen’ is niemand minder dan Marcus Gheeraerts. Met zijn initiatief blaast hij de wat belegen fabelschat nieuw leven in. Bovendien mikt Gheeraerts op een breed lezerspubliek door het gebruik van de volkstaal, het Nederlands.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Zijn ‘Fabulen’ bevat 106 fabels die telkens over een dubbele pagina zijn uitgewerkt. Links staat het emblema met het motto, een prent en de bijhorende bijbelcitaten. Rechts vindt de lezer de fabel (titel en verhaal) die steeds uitloopt op een morele vingerwijzing. De teksten en prenten zijn nieuw en  origineel werk. Ook typografisch is elke dubbelpagina goed doordacht met het gebruik van zowel gotische letters als romein en italiek (cursief).

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Ook vandaag slagen beelden en teksten er moeiteloos in te bekoren. Neem het verhaal van de sater en de boer, beiden aan tafel in een woonkamer-keuken, waarbij de boer blaast in zijn bord met hete pap. Het motto luidt: ‘Wacht u t’ allen termijn, voor die dobbelmondich zijn.’ Met andere woorden: hoed u voor wie met een gespleten tong spreekt, voor wie terzelfdertijd warm en koud blaast. En daar haakt het verhaal op in. De boer heeft net de sater uitgelegd dat, omdat het bitter koud was, hij in zijn handen heeft geblazen om ze warm te krijgen. Nu hij in zijn pap blaast, is de verklaring van de boer: ‘om de pap te laten afkoelen’. De sater stelt droogjes de tegenspraak aan de orde: ‘Wat is het nu: blazen om af te koelen of om op te warmen?’

Wilt ter noodt in gheen staeten,

V Vrienden verlaeten.

Fabel ‘Beer en twee Vrienden’, in: De warachtighe fabulen der dieren

Met vereende krachten

De makers van dit nieuwe literaire product zijn niet van de minsten. Marcus Gheeraerts is initiatiefnemer, coördinator en financier. Hij staat in voor de 107 tekeningen, die hij daarna wellicht zelf etst. Deze wondermooie prenten verraden het talent van de kunstenaar. Vooral in het realistisch uitbeelden van dieren laat hij zijn teken- en etskunst zien. Gheeraerts is op dat ogenblik een gevierd schilder. Vandaag kennen we hem vooral vanwege zijn indrukwekkend stadsplan van Brugge uit 1562, geëtst op tien platen (collectie Gruuthusemuseum).

20120817_001 017
Marcus Gheeraerts, Koperplaat voor het stadsplan van Brugge, 1562, Brugge, coll. Gruuthusemuseum

De teksten dan. Die zijn van de hand van Eduard de Dene (1505-1576), rederijker en woordkunstenaar. De Dene is in die jaren in Brugge de meest bevlogen auteur in de volkstaal (verder is hij ook bevlogen wat drank en ‘lustvolle gezelschappen’ betreft). Hij is goed vertrouwd met François Rabelais (1483-1553) en de Franse renaissanceliteratuur. Enkele jaren eerder, in 1561, beëindigde hij zijn magnum opus, een Testamant Rhetoricael (25.000 verzen!).

Dronckenschap t’allen lande,

Es zonde schae en schande.

Fabel ‘Van het dronken Hert’, in: De warachtighe fabulen der dieren

Gheeraerts trekt ook Hubertus Goltzius en Lucas de Heere mee het bad in. Aan Goltzius (1526-1583) draagt hij het boek op. Hij wordt er aangesproken als antiquaar, historicus en schilder. Goltzius had enkele jaren eerder Antwerpen voor Brugge ingeruild om hier een private press op te richten waarmee hij schitterende renaissancedrukken aflevert. In 1567 ligt het werk in zijn drukkerswerkplaats stil, anders was de ‘Fabulen’ zo goed als zeker van zijn persen gerold. Lucas de Heere (1534-1584) richt zich in de ‘Fabulen’ met een gedicht tot de lezer: teksten en beelden zullen zeker gevoelige tenen raken, ‘en zijt daerom niet gram, maer betert meer u leven…’ De Heere is een kunstenaar uit Gent, maar heel erg vertrouwd met de Brugse kunstkringen. Een oom van zijn vrouw maakt in 1566 samen met Marcus Gheeraerts deel uit van de protestantse gemeente in Brugge.

Des pluymstrijckers verdoouen

En zuldy niet gheloouen.

Fabel ‘Vos en Raaf’, in: De warachtighe fabulen der dieren

Recuperatie

De ‘Fabulen’ zijn net van de pers gerold wanneer in Brussel de hertog van Alva met zijn Spaanse troepen neerstrijkt. Hij komt in de Nederlanden de (protestantse) opstandelingen van 1566 straffen. Dit is het signaal voor Marcus Gheeraerts, een jaar eerder actief in de Brugse protestantse gemeente, om zich uit de voeten te maken richting Londen. Zijn katholieke vrouw blijft in Brugge, net als de meer dan honderd etsplaten van de ‘Fabulen’.

afbeelding_HF210_titelpagina (Small)
Titelpagina van Joost van den Vondel, Vorstelijcke warande der dieren, 1682, Brugge, coll. Openbare bibliotheek (HF120)

Het boek loopt wellicht vrij aardig, onder mee door bemiddeling van Hubertus Goltzius die pakketten doorstuurt naar Plantin die vanuit Antwerpen een brede klantenkring bedient. Dezelfde Plantin koopt naderhand bij de weduwe Gheeraerts de etsplaten aan. Later verhuizen deze platen naar de Noordelijke Nederlanden. Dit verklaart waarom deze fraaie prenten ook na 1567 als boekillustraties verschijnen in uiteenlopende renaissancedrukkken. Het meest bekend is de ‘Vorstelijcke warande der dieren’ van Joost van den Vondel (1587-1679).  Maar dat is weer een volledig ander verhaal.

Daarom nu: oogjes dicht en snaveltjes toe.

t’Allen fijne

Gheeft elcken t’zijne

Conclusie van ‘De warachtighe fabulen der dieren’  

Meer weten?

De Openbare Bibliotheek Brugge bezit exemplaren van ‘De warachtighe fabulen der dieren’ en van Vondels ‘Vorstelijcke warande’. De fabulen kan je doorbladeren via hun site. De tekst kan je ook lezen via DBNL, de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.

De hersenen van Guido Gezelle

Vandaag liggen in het Gezellemuseum nog afgietsels van de hand en het gezicht van Guido Gezelle. Beide zijn gemaakt door Jules Lagae, vlak na het overlijden van de priester-dichter. Hand en dodenmasker liggen al in de beginjaren van het museum, rond 1930, uitgestald. Maar op de kast ligt nog een gipsen afgietsel: dat van Gezelles hersenen.

Een ‘buitengewoon zwaren kop’

Gezelle overlijdt op 27 november 1899 in het Engels Klooster in Brugge. De volgende dag, om 9u ’s ochtends opent professor Gustaaf Verriest de schedel van Gezelle en haalt de hersenen eruit. De familie heeft hiervoor toestemming gegeven. Gustaaf Verriest is dan ook niet de eerste de beste. Hij is hoogleraar inwendige ziekten aan de Leuvense universiteit en oud-leerling van Gezelle. Samen met zijn broer Hugo Verriest blijft hij levenslang met hun vroegere leraar bevriend. In het oeuvre van Gezelle zijn gedichten terug te vinden die opgedragen zijn aan Gustaaf Verriest, zowel uit de periode dat Verriest Gezelles leerling was aan het Klein Seminarie in Roeselare als uit de periode dat hij Gezelles dokter was.

GG sterfbed_OBB001000029 (Small)
Guido Gezelle op zijn sterfbed, 1899, Brugge, coll. Openbare Bibliotheek Brugge – Guido Gezellearchief

Zijn in de hersenen van Gezelle sporen van genialiteit terug te vinden? Die vraag houdt Verriest bezig. Als tienjarige leerling is hij al gebiologeerd door Gezelles ‘buitengewoon zwaren kop en die verbauwelijk groote bulten van zijn voorhoofd’. Tel daarbij de niet aflatende stroom schrijfsels die uit de pen van Gezelle vloeien: gedichten, artikels voor tijdschriften en kranten, gelegenheidsverzen, fiches voor de Woordentas… Dit alles moet Verriest aangezet hebben zijn vraag aan de familie voor te leggen.

Prof. Verriest van Leuven kwam, met andere heelmeesters, het lijk schouwen. Een gietvorm van het gelaat en een van de rechterhand werden afgenomen, en de lichtprenter Triebels nam een photo van den doode op zijn praalbed. Ongelukkig meende men hem te dien einde te moeten ontdoen van den Casuifel, waarmee hij volgens de ritueele voorschriften bekleed lag. Het aangezicht is anders goed geslaagd en werkt treffend van heiligen ernst. Ten laatste namen de heelmeesters de hersenen uit het hoofd weg, tot voorwerp van wetenschappelijke studie. Aloïs Walgrave, Het leven van Guido Gezelle, Vlaamschen priester en dichter, Amsterdam, 1923

Gewikt en gewogen

Verriest spreekt over zijn bevindingen op het Vlaams natuur- en geneeskundig Congres in Brugge  op 29 september 1901, en zijn uiteenzetting wordt ook gepubliceerd. Ook later komt hij op het onderwerp terug. Tijdens zijn uiteenzetting toont hij de aanwezigen een afgietsel van de hersenen. De echte hersenen worden bewaard in een formioloplossing.

Verriest_OBB001000090 (Small)
Gustaaf Verriest, Brugge, coll. Openbare Bibliotheek Brugge – Guido Gezellearchief

Verriest beschrijft de hersenen in detail. Hij besteedt daarbij in het bijzonder aandacht aan het gewicht van Gezelles hersenen: 1674 gram. Dit ligt hoger dan het gemiddeld hersengewicht van de Europese man, dat rond de 1350 à 1360 gram schommelt. Volgens Verriest past Gezelle met zijn hoge hersengewicht perfect in het rijtje van hoogbegaafde mannen als dichter Lord Byron (2238 gram), staatsman Cromwell (2229 gram), dichter Schiller (1785 gram), componist Schubert (1420 gram) en ‘chemiker’ Liebig (1352 gram).

Tot rond zijn tiende jaar is hij ziekelijk gebleven. Vader Gezelle vertelde mij eens als ik hem ondervroeg over aard en karakter, wezen en gezondheid van onzen grooten meester: “De jongen, zeide hij, was altijd aan ’t sukkelen; ik ging er eens meê naar den besten dokter van Brugge; hij onderzocht het kind, bleef een ‘wijle denken en zei: die jongen zijn kop is te dikke, anders en schilt er hem niets”. Gustaaf Verriest, Over Guido Gezelle, Brugge (overdruk uit de Handelingen van het vijfde ‘Vlaamsch Natuur- en Geneeskundig Congres’ gehouden te Brugge op 29 September 1901)

Verriest beschouwt Gezelles ziekelijke jeugd als bron van zijn genialiteit. De kleine Guido werd verteerd door ‘de wreedste en langdurigste hoofdpijnen’. Net als Shakespeare, Wagner en Hayden  leed Gezelle volgens Verriest aan rachitis, een botaandoening door een tekort aan vitamine D en calcium. Dit zou zijn lichamelijke bouw verklaren (lang van lijf met korte benen), maar ook het waterhoofd, de grote herseninhoud en de uitgebreide hersenplooien.

013_005_00977_Tolhuis_detail
Caesar Gezelle (rechts, staand) en Stijn Streuvels (links, zittend), Brugge, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek

Verder stelt Verriest een bijzonder ontwikkeld spraakcentrum aan de rechterkant van de hersenen vast. Om dit biologisch te verantwoorden, leidt hij hieruit af dat Gezelle linkshandig geboren was. Waarschijnlijk heeft men hem dit afgeleerd. Verwijzend naar schrijver Stijn Streuvels (zoon van Gezelles zus Louise) en Caesar Gezelle (zoon van Gezelles broer Romaan) vermoedt hij dat er een erfelijke aanleg voor taalvaardigheid aanwezig is in de familie.

Volgens mededeeling zijner nog levende zuster, in Avelghem, heeft G. Gezelle rond zijn zesde jaar langen tijd aan wreede hoofdpijn geleden. De dokter trok hem bloed uit de neus, en eindigde met de kwaal ongeneesbaar te verklaren “omdat, zeide hij, de hersens van het kind te groot waren.” Gustaaf Verriest, Over Guido Gezelle, Brugge (overdruk uit de ‘Handelingen van het vijfde Vlaamsch Natuur- en Geneeskundig Congres’ gehouden te Brugge op 29 September 1901)

Hoofdzaak

Het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek bewaart verschillende zaken in verband met Verriests onderzoek: een gipsen afgietsel van Gezelles hersenen (ook het Gezellemuseum bezit een afgietsel) en grote rollen met getekende doorsneden van de hersenen van Gezelle en die van Peter Benoit (voor de volledigheid: 1225 gram). Ook deze tekeningen gebruikt Verriest als illustratiemateriaal tijdens zijn redevoering op het congres. De familie Verriest schenkt Gezelles hersenen na de dood van Gustaaf aan de Leuvense universiteit voor verder onderzoek. Daar zijn ze vermoedelijk verloren gegaan tijdens een brand.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De lezing van Verriest is meer dan een ietwat lugubere voetnoot in de Gezellestudie. Al gebeurde dit niet op grote schaal, hij volgt hiermee de wetenschappelijke theorieën van zijn tijd. Zo ging de fysieke antropologie op zoek naar de meetbare anatomische kenmerken van rassen, klassen en criminele of artistieke aanleg. Ook in de Gezellestudie en de beeldvorming rond Gezelle spelen de merkwaardige vorm van Gezelles hoofd en zijn gezondheid een belangrijke rol. Ze passen in het romantische beeld van het misvormde, miskende genie met een erfelijke aanleg voor somberheid en gevoeligheid. De interpretatie van zijn poëzie vertrok vooral vanuit dit standpunt. De mythe stond zo zeer lang een veelzijdige literaire en maatschappelijke studie van zijn werk in de weg.

Gezellemuseum_OBB001000033 (Small)
Afgietsels van het hoofd, de hand en de hersenen van Gezelle in het Gezellemuseum, Brugge, coll. Openbare Bibliotheek – Guido Gezellearchief

Meer weten?

Dit artikel is een bewerking van een blogbericht van de Openbare Bibliotheek Brugge.

Alle illustraties bij dit bericht zijn afkomstig uit de collectie van het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge, tenzij anders vermeld. De collectie van het Gezellearchief kan je raadplegen via de site Erfgoed Brugge. Het Gezellemuseum kan je dagelijks bezoeken, behalve op maandag.

Jam hyems transiit

Ach, weêrom groent, alhier aldaar,

te gronden uit, het nieuwe jaar,

zoo lang verwacht en uitgesteld,

door ’s winters onverwacht geweld.

Hoe hard- lag, en hoe diepversteend,

de moederschoot, die ’t aas verleent,

daar man en muis op leven zal:

’t was maanden ons ontgeven – al!  

De wee hergroent, ’t hergroent al, in ‘t

verschiet: waar hier waar daar begint

de naakte grond bekleed te staan

met hope weêr van gras en graan.

Den tragen os zie ‘k werken, op

de velden, zijn’ gekroonden kop

al schudden, na den tragen trant

des arbeids, op het akkerland.

Het schuim beleekt zijn’ kromme knie’n,

terwijl hij, zonder ommezien,

verduldig heen- en wederzwoegt,

en ’s koeiboers loopken lands herploegt.

Het karit en het kurt, nooit moe,

vol vogelvee, heel ’t hof, daartoe;

en telkens hoore ik, hier of daar,

den tegenroep van Canteclaar.

’t Herleeft entwat, onzeglijk bij

der menschen mond, hoe schrander hij

ook wezen moge, en… ’t leven is,

het leven – Gods geheimenis!

Guido Gezelle, Rijmsnoer om en om het jaar, 1897 (uitgave J. Boets); in Dietsche Warande (1895) opgedragen aan ‘dr. Verriest’.

 

Brugs hoogversierd aardewerk

De Brugse Potterierei heeft haar naam niet gestolen. In de middeleeuwen hebben vele pottenbakkers er hun werkplaats. Tijdens opgravingen eind jaren ’70 en ‘80 vindt men resten van het 13de-eeuwse pottenbakkerscentrum terug.

Naast massa’s misbaksels treffen de archeologen ook resten van de pottenbakkersovens zelf aan. Tussen het gewone rode en grijze middeleeuws aardewerk vallen kleurrijke, rijkversierde scherven op. Het zijn resten van het zogenaamd Brugs hoogversierd aardewerk, genoemd naar het Engelse highly decorated pottery.

Potterierei_grijs (Small)
De Potterierei op de kaart van Marcus Gerards, 1562

Tweemaal gebakken

Technisch gezien is dit aardewerk vervaardigd uit dezelfde grondstoffen als het gewone rode aardewerk. Het verschil is dat het hoogversierd aardewerk tweemaal gebakken wordt. Nadat de pottenbakker een witte sliblaag en/of de kenmerkende versiering heeft aangebracht, gaat het aardewerk een eerste keer de oven in. Vervolgens brengt hij een laag gekleurd loodglazuur aan en gaat het aardewerk opnieuw de oven in. Het glazuur kan verschillende kleuren hebben. Groene glazuur bekomt men door koperoxyde toe te voegen, gele of bruinige door gebruik te maken van ijzeroxide. Door de onderliggende witte sliblaag krijgt het glazuur een fellere kleur. Dankzij deze techniek kan men het kleurenpalet uitbreiden met tinten die men voorheen niet had.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Om het aardewerk te versieren, gebruikt de pottenbakker fijn uitgewerkte en verzorgde radstempeldecors waarbij hij een cilindertje, waarin het motief is uitgesneden, over de nog niet droge kan rolt. Zo kan hij op een gelijkmatige manier versieringen aanbrengen. Maar er wordt ook vrijer gewerkt met bijvoorbeeld  bloem- en bladmotieven, schubbendecors, gezichten (meestal met baard)…

Royal Doulton

Omdat het aardewerk tweemaal gebakken wordt, is het duurder in werkuren en brandstof. Ook het risico op misbaksels is groter. Het is dus evident dat dit aardewerk, ook door de mooie versieringen, als een luxueuzere en duurdere soort vaatwerk in de markt wordt gezet. Deze duurdere huisraad is ideaal om te etaleren in het zicht van vrienden en bezoek. Een beetje zoals de Royal Doulton van Hyacinth Bucket (spreek uit: Bouquet).

Dit soort aardewerk is geen Brugse exclusiviteit. Het wordt ook elders in Vlaanderen geproduceerd. Ook in de rest van West-Europa komen vergelijkbare aardewerksoorten voor. Maar het Brugse aardewerk heeft specifieke kenmerken. Luxueuze schenkkannen met specifieke vormen, voorzien van wit slib en het typisch groene loodglazuur maken ongeveer 90% van de ons bekende productie uit. Sporadisch komen ook vetvangers, stolpen, deksels en spaarpotjes voor.

Een bijzondere subcategorie van het hoogversierd aardewerk zijn de nokversieringen of gevelbekroningen. Die plaatst men op straatgevels van publieke of private gebouwen om deze extra cachet te geven.  Ook aan deze voorwerpen is dus een statusconnotatie verbonden.

Gedegradeerd

Het hoogversierd  aardewerk is ontstaan uit een samenspel van factoren. De concurrentie met de luxegoederen die van elders geïmporteerd worden en de rol van het rijke Brugge als markt voor het betere tafelgerei spelen zeker mee. Internationale handelaars nemen de Brugse kannen mee als handelsgeschenk of rariteit. En zo zijn voorbeelden van Brugs hoogversierd aardewerk terug te vinden in Portugal, Nederland, Engeland, Schotland en de Scandinavische landen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Het hoogversierd aardewerk verschijnt in het begin van de 13de eeuw in Vlaanderen. Het kent zeker een groot succes vanaf het tweede kwart van de 13de eeuw. Aan de Potterierei zou het tot in het begin van de 14de eeuw gemaakt worden. Rond 1325 verliest dit aardewerk echter zijn aantrekkingskracht. Er komt immers iets nieuws op de markt: geïmporteerd steengoed neemt vanaf dan de plaats in als het betere schenk- en drinkgerei. Het hoogversierd aardewerk verliest figuurlijk zijn glans en krijgt het label ‘gewoontjes’, wat zich vertaalt in een meer eenvoudige versiering. Het wordt doorsnee keukengoed.

Maar de decoratietechnieken gaan niet helemaal verloren. Rond 1400 past men ze opnieuw toe in de concurrentie met alweer een nieuw product, namelijk de geïmporteerde majolica. Er ontstaan dan bijvoorbeeld borden met slibversiering en drinkschaaltjes. Tot een volgende must have zich aandient…