Het borstbeeld van Juan Luis Vives

In de schaduw van de Brugse Onze-Lieve-Vrouwekerk staat, een beetje weggestopt in de schaduw van het bladerdak van de bomen, het borstbeeld van Juan Luis Vives. Met een ietwat droevige blik, tuurt hij peinzend in de verte. Het beeld is een ode aan de invloedrijke christelijk-humanistische denker uit Valencia, die in Brugge zijn tweede thuis vond.

Het is best merkwaardig dat de naam Juan Luis Vives bij vele Bruggelingen of bezoekers niet meteen een belletje doet rinkelen. Vaak wordt deze 16de-eeuwse humanist in één adem vernoemd met andere beroemde humanisten uit zijn tijd: Erasmus en Thomas More. Vives’ naam is met vele instellingen in binnen- en buitenland verbonden en zijn werk is tot vandaag een bron van inspiratie.

Een Spaanse Bruggeling

Juan Luis Vives wordt in 1493 in Valencia geboren als zoon van bekeerde Joden. Dit bepaalt meteen het lot en de levenswandel van de jongeman. Zijn vader sterft in 1524 door de Spaanse Inquisitie op de brandstapel. Zijn moeder is dan al 16 jaar dood, maar toch laat de Inquisitie haar in 1528 opgraven om haar hetzelfde lot als haar echtgenoot te laten ondergaan. Geen wonder dat Vives na zijn studies in Parijs niet meer naar Spanje terugkeert…

Foto 5 (Small)
Portret van Juan Luis Vives, coll. Prado Madrid

In 1512 trekt Vives naar Brugge, de stad die hij later als zijn tweede thuishaven beschouwt. Tussendoor verblijft hij wel voor langere tijd in Leuven. Hij gaat ook verschillende keren naar Engeland waar hij kennismaakt met Thomas More. Omdat hij zich verzet tegen het huwelijk van Hendrik VIII met Anna Boleyn valt hij in ongenade en verlaat hij het land. Hij keert naar Brugge terug en sterft er in 1540.

Humanistisch Brugge

Volgens sommigen is Vives een ‘renaissancehumanist’. Een abstracte term die in de context van het 16de-eeuwse Brugge iets meer toelichting verdient.

Eerst en vooral humanisme. In se duidt deze term op de wetenschappelijke belangstelling voor de cultuur van de klassieke oudheid. Een tendens die ontstaat in het 14de-eeuwse Italië van Petrarca en die in de 15de eeuw de Nederlanden begint door te dringen. Toch is het pas een eeuw later dat het humanisme er ook een dominante positie verwerft.
De humanisten zoeken in de canon van de klassieke en vroegchristelijke auteurs antwoorden op fundamentele vragen. Door tekststudie ontwikkelen ze een nieuwe kijk op mens en samenleving. Wat Vives betreft: hij beoefent en bestudeert wetenschap en filosofie binnen die context niet omwille van de discipline zelf; zijn studie moet bijdragen tot een moreel beter leven.

Foto 4 (Small)
Kunstenaar Mateo Ramon legt de laatste hand aan het borstbeeld. Het wordt in brons gegoten door de Madrileense firma Gonsalez (bron: Brugse Courant, 7 september 1957)

Welke rol speelt Brugge in het humanisme? Hoewel over haar hoogtepunt heen, heeft de stad in het begin van de 16de eeuw nog veel aanzien. Het is een wereldstad in de geest. Daarom speelt Brugge ook in die periode vaak een rol als ontmoetingsplaats voor humanistische denkers: Erasmus, More en Vives ontmoeten elkaar er verschillende keren. Maar eigenlijk is de plaats hier van ondergeschikt belang. In zekere zin zijn de humanisten de eerste Europeanen. Via brieven wisselen ze ideeën uit en hun publicaties worden vaak over heel West-Europa verspreid.

Van de drie genoemde denkers, heeft Vives de nauwste banden met de stad. De aanwezigheid van de Spaanse naties is daar uiteraard niet vreemd aan. Hij trouwt zelfs met de dochter van een Valenciaans koopman. En het Brugs humanistisch milieu verwelkomt Vives met open armen.

Pionier?

Vives’ carrière verloopt voorspoedig. Zijn vroegste werk bezorgt hem al vlug bekendheid én contacten met More en Erasmus. In 1516 verblijft hij aan het hof van Karel V en verzorgt hij privélessen voor de 19-jarige bisschop van Kamerijk, kardinaal Willem van Croÿ. Tussen 1513 en 1523 doceert hij in Leuven. Tot 1528 wisselt hij Brugge af met Oxford, waar hij Grieks doceert. Na zijn verplicht vertrek daar, verblijft Vives vooral in Brugge, waar hij zijn belangrijkste werken schrijft.

Foto 3
De inhuldiging van het standbeeld (bron: Brugsch Handelsblad, 7 september 1957)

De originele denkbeelden die hij in ‘De anima et vita’ naar voren brengt, leveren hem de titel ‘vader van de moderne psychologie’ op. Ook zijn pedagogisch werk over de meisjesopvoeding, ‘De institutione feminae christianae’, is baanbrekend. Het meest invloedrijke werk tot vandaag is Vives’ traktaat over de armenzorg ‘De subventione pauperum’, gericht aan het Brugse stadsbestuur. In dat werk pleit hij ervoor om alle middelen voor het armenbeleid te centraliseren bij de lokale overheid. Daarmee gaat hij in tegen de heersende opvattingen, waarbij armenzorg vooral een particulier en kerkelijk initiatief is. Vives ontwikkelt zijn visie op het moment dat de stedelijke welvaart op eind van de 15de eeuw sterk toeneemt. Op een systematische wijze ontleedt hij daarbij het groter wordende probleem van de bedelarij. Hij pleit voor het bevorderen en democratiseren van het onderwijs en omschrijft groepen burgers die recht op steun verdienen.

Kind van zijn tijd?

In veel opzichten zou je dus kunnen stellen dat Vives de grondlegger is van het hedendaagse sociaal werk. Maar klopt dat beeld wel?

Uit Vives’ beschrijving van de armen spreekt bijzonder weinig mededogen of sympathie. De reden waarom armen moeten geholpen worden, ligt niet in hun menselijke waardigheden, maar wel in het belang voor de samenleving. Het is met hulp van de (lokale) overheid dat hen het pad naar een deugdzaam leven wordt gewezen. In die zin is Vives’ visie een voorloper van een rationele aanpak van de armenzorg binnen het sociaal werk vandaag. Bovendien is zijn visie ook ‘modern’ in de zin dat een economische kijk op mens en samenleving richtinggevend zijn.

Foto 2
De inhuldiging van het borstbeeld is een heus evenement. De brugemeester, de bisschop, de Spaanse ambassadeur en een delegatie van onderwijzers en onderwijzeressen in Valenciaanse klederdracht zijn aanweizg (bron: Brugsch Handelsblad, 7 september 1957)

Toch is er ook plaats voor authentieke bekommernis om het lot van de arme in Vives’ denkwijze. Een arme is niet puur te herleiden tot zijn economische opbrengst. Vives schrijft: “Wij willen dat ze als mensen worden beschouwd en medelijden waard zijn.” Armen moet je helpen omdat ze mens zijn, of omdat ze kind van God zijn en dus ook onze broeders en zusters. Ook daarin kan de sociaal werker vandaag zichzelf herkennen.

De waarde van Vives’ analyse en denkwijze ligt dus zowel in het heden als in het verleden. Enerzijds behoort hij tot de groep van vooruitstrevende Europese intellectuelen van de 15de en 16de eeuw die het christendom en kerkelijk gezag vanuit hun humanistische denkwijze doorlichten. Vives stelt dat als de kerkelijke armenzorg niet meer voldoet, de overheid die rol moet overnemen. Dat de armen niet moeten berusten in hun lot, maar dat ze juist moeten geholpen worden om hun situatie te verbeteren. In die zin zou je kunnen zeggen dat hij de basis legt voor onze moderne, door de overheid gesubsidieerde en georganiseerde armenzorg.

Vives borstbeeld_DMS_SAB
Foto: Beeldbank Brugge / Erfgoed Brugge

Dit is ook de reden waarom Vives tot vandaag geapprecieerd wordt, niet in het minst in pedagogische middens. VIVES, de hogeschool in West-Vlaanderen, verwijst rechtstreeks naar zijn invloed en zijn verdienste in de identiteit van zijn organisatie.

In 1957 komen niet minder dan 268 Spaanse onderwijzers en leraars naar Brugge, om samen met een Brugse delegatie het borstbeeld van Vives achter de kerk in te wijden. De rede van de rector van het Europacollege vat de waardering voor Vives vandaag misschien nog het beste samen: “… zijn ideeën blijven tot op heden actueel, omdat zij zich in eerste plaats tot de mensheid zelf richten.” Amen.

Meer lezen?

Maximiliaan Martens, Brugge en het Europees humanisme, in: Brugge en Europa, Antwerpen, 1992, p. 252-265.

Juliaan van Belle, Juan Luis Vives. Over maatschappelijk welzijn, armoede, opvoeding en Europese gedachte in de 16de eeuw, Heemkundige Kring van Ruddervoorde, 1994.

Juan Luis Vives en Raf Debaene, Over de hulp aan de armen, Zoetermeer, 2015.

André Vanhoutryve, Juan Luis Vives, in: Brugse stand- en borstbeelden : historische analyse en retrospectieve, Brugge, 1989, p. 238-243.

Advertenties

De gedenksteen voor het bombardement op de Balsemboomstraat

16 oktober 1917, 1 uur ’s ochtends. Een snerpende fluittoon kondigt een genadeloze bommenregen aan. Maandagochtend zal het precies 100 jaar geleden zijn dat in de Balsemboomstraat en de Kwekersstraat 17 doden vallen tijdens een bombardement van de geallieerden. Het is voor Brugge het dodelijkste bombardement van de oorlogsjaren.

Onderzeeërs en vliegtuigen

Onder de Duitse bezetting in de Eerste Wereldoorlog is Brugge de hoofdstad van het ‘Marinegebiet’ en daarmee strategisch heel belangrijk voor de oorlogsvoering op en onder water. Het gevolg is dat Groot Brugge vaak getroffen wordt door bombardementen van de Royal Naval Air Service. Hun belangrijkste doelwitten: de zeehaven, de U-bootbasis in de Brugse achterhaven en La Brugeoise in Sint-Michiels. De Duitsers bouwen de zeehaven en de Brugse achterhaven verder uit tot een groot verdedigingsbolwerk, met bunkers en zware artillerie. Ze nemen Brugse militaire gebouwen in gebruik en laten hun oog vallen op La Brugeoise om er wapens te produceren en te stockeren.

locatie kazernes tov Balsemboom en Kwekersstraat
Plan met de locatie van de kazernes ten opzichte van de Balsemboomstraat en de Kwekersstraat, coll. Stadsarchief Brugge (Modern Archief, doos 33 Secretarie, Oorlog 1914-1918 (bommenaanvallen, politieverslagen, richtlijnen, briefwisseling)), foto: Isabelle Debie

Begin 1917 escaleert de onderzeese oorlog. De Duitsers brengen de Engelse scheepvaart harde klappen toe: met hun onderzeeërs raken ze de Engelse vloot letterlijk midscheeps. Het antwoord van de geallieerden is even hard. Vanaf 1917 drijven ze hun luchtaanvallen nog op. Bombardementen worden bijna dagelijkse kost voor de Bruggelingen, zowel ’s nachts als overdag, soms tot zesmaal daags. Omdat de militaire luchtvaart nog in zijn kinderschoenen staat, zijn de bombardementen weinig precies. De bommen missen vaak hun (militaire) doel waardoor er ook burgerslachtoffers vallen. De balans voor de Eerste Wereldoorlog in Brugge: zo’n 6000 bominslagen, 123 burgerdoden, 243 gewonden en 544 beschadigde huizen, waarvan 126 volledig vernield.

Bewoners en Duitse soldaten bij puin_Kwekerstraat_1917_SAB
Bewoners en soldaten bij het puin in de Kwekersstraat, 1917, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge

Luchtafweer en schuilkelders

In de eerste oorlogsjaren onderneemt men niet veel om de burgers te beschermen. Later krijgen de Bruggelingen de opdracht om ’s avonds hun ramen te verduisteren. Pas in het najaar van 1917 staan er schuilkelders ter beschikking van de bevolking.

Een nachtelijk bombardement moet angstaanjagend geweest zijn. Duitse luisterposten merken de komst van de vliegtuigen ‘s nachts op en melden dit. Daarop beginnen de sirenes in de haven te loeien. Meteen daarna slaat men alarm bij de aan wal liggende torpedoboten. Vervolgens gaan de alarmsirenes van La Brugeoise af. Zoeklichten floepen aan en speuren de hemel af. En dan, dan breekt de hel los: gebulder van het Duitse luchtafweergeschut met ontploffingen en lichtgevende projectielen in de lucht. Plots een snerpende fluittoon… gevolgd door bommen en ontploffingen met een lawaai dat alles overstemt.

bewoners en militairen bij puin waarsch familie Roose_Balsemboomstraat_1917_SAB
Vermoedelijk is dit het huis van de familie Roose, volledig in puin na het bombardement op de Balsemboostraat, 1917, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge

Doelwit en slachtoffers

De huiveringwekkende nacht van 15 op 16 oktober 1917 eist het grootste aantal dodelijke slachtoffers. Er zijn 25 bominslagen, onder andere in de Balsemboomstraat, Ooievaarstraat (nu Kwekersstraat), Hoefijzerlaan, Koolkerkse Steenweg en Dudzeelse Steenweg.

De bombardementen beginnen na middernacht, rond 1 u ’s morgens treffen verschillende bommen de Balsemboomstraat en de Ooievaarstraat. Alleen al in de Balsemboomstraat worden tien huizen volledig verwoest, 18 huizen raken gedeeltelijk vernield. In de Ooievaarstaat storten drie huizen volledig in en heel wat omliggende woningen lopen aanzienlijke schade op. Ondercommissaris Boute van de politie noteert in zijn verslag van 16 oktober 1917 dat hij rond 1u ’s nachts wordt verwittigd en dat hij om 1.25u ter plaatse is. De brandweer en de Feldgendarmerie zijn dan al aanwezig, net als dokter Nelis van Sint-Anna, die de gewonden komt verzorgen.

Bewoners en Duitse soldaten bij puin_Balsemboomstraat_1917_SAB
Bewoners en soldaten bij een in puin geschoten huis in de Balsemboomstraat, 1917, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge

De balans is verschrikkelijk: 17 doden en tien gewonden. Alle dodelijke slachtoffers vallen in de Balsemboomstraat en de Ooievaarstraat, terwijl het doelwit van de geallieerde vliegtuigen eigenlijk de kazerne op het einde van de straat is, waar Duitse troepen zitten…

Slachtoffers Balsemboomstraat

Nr. 73: Dominique Noë ( 51 j.), stoeldraaier, en zijn echtgenote Anna De Laender (52j.) raken bedolven onder het puin. Pas vele uren later vindt men hun lichamen.

Nr. 75: Louis Beuckelaere (43 j.), zijn echtgenote Alice Shouteet (44 j.) en hun zoontje Maurits (3 j.) komen om. Vijf andere kinderen overleven (Madeleine 18 j. , Yvonne 13 j., Rachel 10 j., Julien 8 j. en Elisabeth, een baby van amper drie maanden oud). De oudste dochter kan aan de slag als dienstmeid, de andere kinderen brengt men onder in weeshuizen of bij familie in het Brugse.

Nr. 78: één dodelijk slachtoffer: Marie Balbaert (61 j.) wordt zwaar gewond overgebracht naar het Sint-Jansziekenhuis in de Mariastraat. Ze overlijdt er op 18 oktober.

Nr. 80: één dodelijk slachtoffer: Blanche Raeymaekers (29 j.). Haar zoon Baudouin Dumalin raakt lichtgewond.

Nr. 88: hier vallen de meeste dodelijke slachtoffers: weduwnaar Alphonse Janssens (37j.), vier van zijn kinderen: Blanche (14 j.), Gabrielle (11 j.), Germain (8 j.) en Leona (4 j.), zijn inwonende moeder Leonie Ardoulie (65 j.) en zijn zus, kantwerkster Juliette Janssens (33 j.). Louis’ zoon Alphonse (17 j.) wordt zwaar gewond overgebracht naar het ziekenhuis.

Slachtoffers Ooievaarstraat

Drie doden, allen kleine kinderen: Omaar Caster (2 jaar), Suzanna Caster (5 maanden) en Yvonne Le Bacq (23 maanden). Het grafje van Omaar en Suzanna is nog steeds bewaard op de Centrale Begraafplaats van Brugge (vak 66).

In de overlijdensakten van de 17 slachtoffers staat telkens in de rand vermeld: ‘Gestorven voor België’.

Gedenksteen detail_2006_SAB
De namen van de slachtoffers op de gedenksteen aan huis Balsemboomstraat 100. Op de steen staat 17 oktober genoteerd als datum van het bombardement, waarschijnlijk omdat de overlijdens op die dag in de registers van de burgerlijke stand zijn ingeschreven. Coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge

Herinnering

Decennia later praat journalist Eric Van Hove met buurtbewoners over het bombardement. De nacht staat nog steeds in hun geheugen gegrift. Drie vrouwen van hoge leeftijd getuigen.

“Ja, jongen, ik zie het nog zo voor mij. ’t Was midden in de nacht. Mijn zuster is wakker gekomen van ’t gruis van de pannen op haar gezicht, de ‘pannelatten’ lagen op mijn bed. Verschrikkelijk. Aan de poort van de kazerne stond er normaal een wacht. Die hebben ze nooit meer teruggevonden. Een put was het daar. En overal mensen die schreeuwden. Mijn vader is ’s nachts uit zijn bed gekomen en ging versterking halen…”

Gedenksteen_2000_stadsfotograaf_SAB
De gedenksteen op de hoek van de Balsemboomstraat en de Konfijtstraat, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge, foto: Stadsfotograaf Brugge

Over de Duitsers geen goed woord: “Mijn vader en al de andere mannen liepen overal in ’t ronde om te helpen. Maar van de Duitsers moesten ze binnen. Er was daar ne mens, en we hebben haar nog tot ’s morgens vroeg horen roepen. En om 10 uur haalden ze haar van onder ’t puin. Ze had nog warm, maar ’t was te laat. Dat mens moest nog geleefd hebben…”

Eén verhaal is iedereen bijgebleven, dat van Elisabeth Beuckelaere, het dochtertje van Louis Beuckelaere en Alice Shouteet: “Dat was nog e kindetje en dat zat in zijn wiegetje op den allee. En ’t was levend gebleven. We hoorden haar wenen en ze is door de mensen zelf bevrijd.” (Reportage verschenen in Het Nieuwsblad, 10 juni 1982)

Huldiging

Tien jaar later, op 31 juli 1927, huldigt men een gedenksteen in op de hoek van de Balsemboomstraat en de Konfijtstraat. Een godsdienstige plechtigheid en een stoet die oorlogstaferelen evoceert gaan de officiële inhuldiging vooraf. Initiatiefnemer is de maatschappij ‘Vrienden van Sint-Jozefswijk’ (nu Karthuizerswijk). De maatschappij dient een ‘Aanvraag Kunstige Herstelling’ in bij het stadsbestuur en krijgt een toelage van 2141,66 Belgische frank. De gedenksteen, met daarop de namen van de overleden slachtoffers en erboven een geblokte nis met een Onze-Lieve-Vrouw van Woesten, is een ontwerp van architect M. Vermeersch. Het monument is recent op initiatief van Brugge Mariastad vzw gerestaureerd. Op 17 oktober 2017 om 18u wordt het weer ingezegend.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Meer weten?

SAB, Modern Archief, Burgerlijke Stand Brugge Overlijdens 1917

SAB, Modern Archief, Overdracht Burgerlijke Stand, ST Oorlogsslachtoffers 1914-1918

SAB, Modern Archief, doos 35 Dienst Militie, Oorlogsslachtoffers

SAB, Modern Archief, doos 33 Secretarie, Oorlog 1914-1918 (bommenaanvallen, politieverslagen, richtlijnen, briefwisseling)

SAB, Modern Archief, Kunstige Herstellingen, 1927 (IX a 105/8)

Sophie Anseeuw, Isabelle Debie, Charlotte Forrier en Katelijne Vertongen, Brugse verhalen uit de Groote Oorlog, inspiratiebundel voor leerkrachten, https: //bezoekers.brugge.be/schoolbundel.

Siegfried Debaeke, Brugge in de grote oorlog, Brugge, 2011.

Sophie De Schaepdrijver, Bolwerk Brugge, Uitgeverij Hannibal, 2014.

Jos De Smet, Brugge onder de oorlog 1914-1918, Brugge, 1955.

Ministerie van de Vlaamse gemeenschap AROHM, Bouwen door de eeuwen heen, inventaris van het cultuurbezit in België, architectuur Deel 18n b Stad Brugge middeleeuwse stadsuitbreiding Noord, Turnhout, 2004.

Luc Schepens, Brugge bezet, Tielt, 1985.

Jan Rotsaert ‘Brugge onder de oorlog 1914-1918.Een uitknipsel’, in: Brugs Ommeland, jg. 19 (1979), nr. 3, p. 159-205.

Recent werd voor de Belgische kust het wrak van een Duitse duikboot gevonden. Zie ook het bericht van 19 september 2017 op de facebookpagina van het Stadsarchief.

De glasramen van het Sint-Lodewijkscollege

In 1972 verhuist het Sint-Lodewijkscollege van de Brugse binnenstad naar de stadsrand. Op de plaats waar het college gedurende 126 jaar letterlijk is gegroeid, staat nu het Zilverpand. Om dit winkel- en appartementencomplex te kunnen bouwen, sneuvelen de gebouwen die door het schoolbestuur aangekocht, ver- en gebouwd zijn. Daaronder de collegekapel in neogotische stijl met kleurrijke glasramen.

afbraak_aankondiging_1973_Georges Manertz (Small)
Aankondiging van de bouw van het Zilverpand, 1973, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge, foto: Georges Manertz

Het Sint-Lodewijkscollege is een door en door katholiek instituut: Frans Boussen, eerste bisschop van het heropgerichte bisdom Brugge sticht het als bisschoppelijk college in 1834. Het mag dan ook niet verbazen dat men het hebben van een eigen kapel belangrijk vindt. In 1860 schrijft bisschop Malou nog in een brief dat een kapel hebben belangrijker is dan over een turnzaal beschikken.

Kapel_SAB_20170922133431287_0002
De kapel van het Sint-Lodewijkscollege. Links in beeld de studiezaal. Beide zijn een ontwerp van Joris Helleputte, coll. Stadsarchief Brugge (Archief Sint-Lodewijkscollege, XI n°719)

De opdracht om de kapel te bouwen, wordt gegeven door principaal Alfons De Leyn maar het is zijn opvolger, Henri Rommel, die de inwijding van de kapel op 9 oktober 1884 in goede banen leidt. Het is een begin in stijl van een dag waarop het 50-jarig bestaan van het college wordt gevierd. Of zoals de krant La Patrie het formuleert: ‘Une cérémonie religieuse: la bénédiction de la magnifique chapelle du collège, qui a eu lieu à 9 ½ heures, a servi de prologue à cette mémorable journée’.

Interieur kapel_1944_A Brusselle_BRU001004512 (Small)
Het interieur van de kapel van het Sint-Lodewijkscollege, 1944, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge, foto: A. Brusselle

Entretemps, la maison elle-même s’agrandissait et s’embellissait sans cesse: notre chapelle ogivale aux lignes harmonieuses s’acheva, et peu à peu elle fut garnie de splendides vitraux et de meubles dignes d’elle. D. Reynaert, Jubilé du collège St.-Louis à Bruges 1834-1909: rapport présenté à la séance jubilaire, Brugge, 1909, p. 49-51

Gotiek van goede kwaliteit

Ontwerper van de kapel is Joris Helleputte, ingenieur-architect-professor-politicus. Het is oudheidkundige James Weale die De Leyn met de volgende woorden aanraadt met Helleputte in zee te gaan: ‘Vous voulez une église gothique, il vous fera du gothique et du gothique de bon aloi.’ Onder ‘bon aloi’ (goede kwaliteit) mogen we hier verstaan: neogotiek van de Sint-Lucasscholen. Deze scholen promoten een neogotiek gebaseerd op de studie van de middeleeuwse architectuur en vormgeving, ter bescherming en promotie van het katholieke geloof of meer zelfs: de katholieke samenleving. Ze stappen hiermee in het spoor van A.W. Pugin, wiens werk door Thomas Harper King in 1851 in Brugge in het Frans wordt uitgegeven.

Kapel Sint-Lodewijks_1900_FOA07364 (Small)
Het altaar van de kapel van het Sint-Lodewijkscollege, 1900, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge

In de traditie van de Sint-Lucasscholen heeft Helleputte ook oog voor de interieurinrichting van de kapel. Het behoort immers tot hun filosofie om een Gesammtkunstwerk te creëren, waarbij met de beste ambachtslui wordt samengewerkt. In de archieven vinden we dan ook ontwerpen van Helleputte terug voor bijvoorbeeld de altaren in de kerk en voor een luster.

De kapel wordt gebouwd dwars op de Zilverstraat. Naast de kapel ligt een speelplaats. Aan de andere kant van de speelplaats mag Helleputte een tweede gebouw optrekken: een studiezaal die de bijnaam ‘de Ark van Noë’ krijgt.

Alfons Watteyne_Zicht op Zilverstraat_1905 1909_BRU001005225 (Small)
De Zilverstraat met zicht op de kapel van het Sint-Lodewijkscollege, 1905-1909, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge, foto: Alfons Watteyne

Heiligenparade

In het interieur van een kapel spelen glasramen een belangrijke rol. In Helleputtes ontwerp is ruimte voorzien om glasramen te plaatsen. Het aantal glasramen groeit doorheen de jaren aan. Het zijn schenkingen vanuit verschillende hoeken.

Principaal Rommel laat in 1889 door de Gentse kunstenaar Arthur Verhaeghen een glasraam maken met een voorstelling van de H. Lodewijk van Frankrijk. Het krijgt een plaats boven het hoofdaltaar. Dit lijkt logisch: hij is de patroonheilige van het college. Maar eigenlijk is het een beetje schimmig wie nu eigenlijk de patroonheilige is. De H. Aloïsius van Gonzaga, patroonheilige van de studerende jeugd, eist in dat verband ook zijn plek op. Hij heeft trouwens ook zijn eigen glasraam.

Rommels naam staat ook vermeld bij het glasraam dat Karel de Goede voorstelt en dat rond 1890 een plaats krijgt boven het altaar. Hij bestendigt daarmee de Karel de Goede-verering die al enkele tientallen jaren door het college gestimuleerd wordt, even goed om godsdienstige als om politieke redenen. Al dient gezegd dat de Karel de Goede-verering rond die tijd toch op zijn einde loopt.

Principaal De Leyn, die de opdracht gaf om de kapel te bouwen, krijgt ter zijner nagedachtenis een glasraam met daarop de H. Alphonsius.

P1040135 (Small)
De glasramen van de H. Lodewijk (1) en Karel de Goede (2) zaten boven het hoofdaltaar van de kapel. Het glasraam van de H. Aloïsius (3) werd geschonken ter gelegenheid van de eerste communie van enkele leerlingen, dat van de H. Benedictus (4) door een oud-leraar.

Ook oud-leraars en oud-leerlingen schenken, al dan niet in verenigingsverband, glasramen om de kerk te verfraaien. Johan Ballegeer somt in zijn artikel 32 voorstellingen van heiligen en wapenschilden op. De namen van de schenkers staan telkens in begeleidende Latijnse teksten vermeld.

Aanschouwt die schoone venstrenrij, / Die statig, rijzig, zij aan zij, / Van licht en klaarheid glanzen: / Drie zijn er, die den zonneglim / Zien blinken aan de morgenkim / Der roode hemeltransen; / Drie zijn er, die het zonnevuur, / Des middags, in het blauw azuur / Zien schitteren en vonklen; / Drie zijn er, die de zonnestraal / In ’t westen, voor de laatste maal, / Heur zoeten lach zien monklen. Gedicht voorgedragen bij de inhuldiging van de kapel, Stadsarchief Brugge, archief Sint-Lodewijkcollege, III n° 203

Made in Bruges

Dit geldt echter niet voor de namen van de makers van de glasramen. Op twee glasramen vinden we de naam van de maker terug. Het raam met de H. Lutgardis uit 1892-93 draagt het signatuur van atelier Grossé-De Herde (de Grossé in kwestie is de zoon van goudborduurder Louis Grossé). Op het raam met de H. Guthago uit 1899 staat atelier S. Coucke en zonen vermeld. Enkele zonen van Samuel Coucke, schoonbroer van Louis Grossé trouwens, volgen les aan Sint-Lodewijk.

Alfons Watteyne_Louis Grossé en familie_1895_BRU001006533 (Small)
Louis Grossé en zijn familie, 1895, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge, foto: Alfons Watteyne

Verder weten we uit archiefdocumenten van het atelier Jules Dobbelaere dat zij in 1900 vijf ramen voor de kapel van het Sint-Lodewijkscollege maken met voorstellingen van de H. Leonardus Vech, de H. Martinus, de H. Johannes van Waasten, de H. Tylo en de Moeder van Smarten. Schilder-glazenier Henri Dobbelaere, vader van Jules, was overigens één van de eerste leerlingen van het college. In de jaren 1890 staat Dobbelaere ook vermeld met drie glasramen in een archiefdocument van het college. In datzelfde documenten noteert men voor mei 1893: ‘Grossé (3 verrières)’.

Al deze makers werken, inclusief de reeds vernoemde Gentenaar Verhaeghen, in neogotische stijl. Hun ontwerpen sluiten dus perfect aan bij de architectuur van de kapel en, even belangrijk, bij de filosofie die op dat ogenblik het college beheerst.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Een nieuwe bestemming

Wanneer het college in 1972 naar zijn nieuwe gebouwen net buiten de stadsrand trekt, beslist men om enkele bouwfragmenten uit te breken en mee te nemen ‘om de ziel van het college mee te dragen naar het nieuwe pied-à-terre’. Daarbij behoren de glasramen uit de kapel.

Vandaag breidt het college verder uit. In 2018 start men met een nieuwbouw. De gerestaureerde glasramen zullen daar een plaats krijgen.

IMG_3021 (Small)
Deze vier lindebomen in het Zilverpand herinneren vandaag nog aan het Sint-Lodewijkscollege

Meer weten?

Jozef Geldhof, 150 jaar Sint-Lodewijkscollege te Brugge, Brugge, 1986.

Johan Ballegeer, De ‘monumentale bronnen’ van het Sint-Lodewijkscollegie, in: Haec Olim, 1970, p. 111-125.

Jozef Vindevoghel, De glazeniers van het Sint-Lodewijkscollege, hun brandglasramen en de milde schenkers van deze brandglasramen, in: Haec Olim, 2009, p. 32-34.

Noël Geirnaert, Inventaris van het archief van het Sint-Lodewijkscollege bewaard in het stadsarchief te Brugge, in: Haec Olim, 1995. N° 203 bevat documenten over de bouw en de stoffering van de kapel.

Krista Maes (red.), Joris Helleputte. Architect en politicus 1852-1925. Deel II Oeuvrecatalogus, Artes 1, Leuven, 1998, p. 44-49.

Jozef Geldhof, Karel de Goede, patroonheilige van de anti-liberale strijd te Brugge 1877-1884, in: Biekorf, jg. 77, p. 167-182.

Met dank aan Claude Anthierens, Cultuurbibliotheek Sint-Lodewijkscollege.

Het register van aanvaardingen in het ambacht van de visverkopers

Eén register, twee ambachten. Het register van de aanvaardingen in het ambacht van de visverkopers vertelt ons wie er deel uitmaakt van het ambacht. De prachtige boekband illustreert dan weer het vakmanschap van een Brugse boekbinder.

Vis verkopen doe je niet zomaar, ook in het Ancien Régime niet. In die periode, tot aan het einde van de 18de eeuw, spelen de ambachten een belangrijke rol in de organisatie van arbeid en handel. Ook de visverkopers zijn verenigd in een ambacht. Het Brugse Rijksarchief bewaart enkele registers die ons meer vertellen over dit ambacht. Het register van aanvaardingen bevat de namen van de mensen die zich inschrijven bij het ambacht, en dit voor de periode 1425-1795. Het privilegeboek bevat dan weer afschriften van privileges of keuren, ordonnanties, overeenkomsten en andere documenten uit de jaren 1371-1691 met betrekking tot het visverkopersambacht.

visverkopers 2 (Small)
De Sint-Christoffelkerk op het stadsplan van Marcus Gerards (1562), met links ervan (vermoedelijk) de huizen die eigendom zijn van het visverkopersambacht, waaronder het ambachtshuis

Vismarkt

De oudste vermelding van het Brugse ambacht van de visverkopers dateert uit de 13de eeuw. Maar het is in de 14de eeuw dat de Brugse ambachten als georganiseerde groep van vak- of beroepsverenigingen echt belangrijk worden. Van dan af domineren zij niet alleen de economische bedrijvigheid maar spelen zij ook een rol van betekenis in het politieke leven van de stad.

CMYK workspace ISO 12647-v2
In 1576 bestellen de visverkopers bij Pieter Pourbus het drieluik ‘De wonderbare visvangst’ om hun kapel in de Sint-Christoffelkerk te decoreren (hier: detail linker zijluik), Brussel coll. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België

De visverkopers verkopen hun waar op de huidige Markt. Daar staat ook hun ambachtshuis. En vlakbij, waar nu de Eiermarkt is, ligt de Sint-Christoffelkerk waar de visverkopers hun kapel hebben. De ambachten zorgen immers niet alleen voor de economische, maar ook voor de geestelijke en morele belangen van hun leden.

Rond het midden van de 18de eeuw verhuizen de verkopers naar de huidige Vismarkt waar enkele decennia later de constructie verrijst die we vandaag nog kennen. Het ambacht van de visverkopers heeft dan al opgehouden te bestaan.

Vismarkt_Porseleinkaart_1844 (Small)
Porseleinkaart uit 1844 met centraal een zicht op de Vismarkt, coll. Stadsarchief Brugge

Visventer

Opvallend is dat zo’n ambacht vaak een besloten clubje is. Het gaat om een beperkt aantal leden die meestal tot enkele families behoren en het beroep van generatie op generatie doorgeven. In het register van aanvaardingen van de Brugse visverkopers komen tussen 1425 en 1795 steeds opnieuw dezelfde familienamen terug. Het gaat zover dat van de 30 families die tussen 1425 en 1791 in het ambacht ingeschreven worden, er in 1791 nog slechts vier families alle 22 leden van het ambacht leveren. Niet minder dan 14 van de 22 leden behoren dan tot de familie Canneel. De acht anderen maken deel uit van de families de Vooght, de Schietere en Nieulant. Inderdaad: er zitten ook adellijke families tussen. Uiteraard knopen zij geen schort voor om achter een kraam te gaan staan. Zij verhuren hun staanplaats of stal aan pachters.

Elke visverkoper huurt namelijk een stal of viskraam van het ambacht. De verhuring gebeurt bij loting, driemaal per jaar. Zo krijgt iedereen een gelijke kans op de best geplaatste kramen. Er zijn twee soorten stallen of banken. Aan de grotere ‘hoogstal’ verkoopt men grotere vissoorten, die gesneden of gekapt worden – denk: kabeljauw, zalm, heilbot, steur. Aan een ‘cleen bancxken’ vindt men de kleinere vissen die ongesneden verkocht worden, zoals roggen, platen, botten, schelvis en wijting.

0000_GRO1484_I 001
Anoniem Brugs, Vis- en groentenmarkt op de Braamberg, Brugge Groeningemuseum (0000.GRO1481.I), foto: Dominique Provost

Om de goedkoopste (en minst lucratieve) zeevruchten en zoetwatervissen te verkopen, moet je geen lid zijn van het visverkopersambacht. Klanten kunnen hiervoor terecht bij de mandendragers, die per marktsessie één mand vis, die ze zelf de stad binnenbrengen, mogen verkopen. En bij de riviervisverkopers en de mossel- en stokvisvrouwen, die haring (veruit het populairst), stokvis, mosselen en garnalen mogen venten. Ze zouden hun ogen niet geloven als ze zouden zien hoe duur de grijze Noordzeegarnaal vandaag geprijsd staat…

Het bestuur van het ambacht ziet er op toe dat de verkopers de versheid van hun waar kunnen garanderen en dat ze alle voorschriften navolgen. De bestuurders stellen ook alles in het werk om ervoor te zorgen dat mensen die niet tot het ambacht behoren hen geen oneerlijke concurrentie aandoen.

Boudewijn op de Vismarkt_1985_Jan Termont
Koning Boudewijn in Brugge, 1985, coll. Stadsarchief Brugge, foto: Cel Fotografie Stad Brugge, Jan Termont

Boekbinders

De registers uit het Rijksarchief vertellen ons dus heel wat over het visverkopersambacht. Ook dat de heren-bestuurders een goede smaak hebben. Twee registers zijn in de 18de eeuw namelijk op een prachtige manier ingebonden, vermoedelijk door de Brugse drukker-boekbinder Cornelis De Moor.

De boekband rond het register van aanvaardingen dateert waarschijnlijk uit het jaar 1777. De band is van rood marokijn, een fijne en kostbare soort leer. Hij is rijkelijk en langs alle kanten voorzien van vergulde stempelversieringen die bloemen, planten en vogeltjes voorstellen. Op het voorplat staat eveneens in goudopdruk: ‘Hanse Boeck van den ambachte van d’heeren vrye visch vercoopers binnen Brugghe beginnende anno 1425’. Ook op de snede zitten nog sporen van vergulding.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Een heel erg gelijkende band uit 1783 zit rond het Privilegeboek van het ambacht van de visverkopers. Daar lezen we op het voorplat: ‘Register genaemt den Rooden-Boek, inhoudende de privilegien en andere acten, raekende den Visschen Ambagte’. Daaronder (en ook op het achterplat) is met blindstempeling, aangevuld met goudopdruk, het zegel van het ambacht ingeprent. Het stelt een visverkoper voor die achter zijn ‘hoogstal’ staat, waarop hij een vis aan het opensnijden is. Hij wordt langs weerskanten geflankeerd door een snoek. Het nog moeilijk te lezen randschrift van het zegel luidt: ‘[S]eghel van den visch copers van brugghe’.

Onderaan op de rug staat in goudopdruk: ‘Relié par C. De Moor 1783’. Het gaat hier naar alle waarschijnlijkheid om drukker Cornelis De Moor, actief in de Philipstockstraat van 1764 tot aan zijn dood in 1799. Zoals veel van zijn collega’s is De Moor niet alleen drukker, maar ook boekbinder, uitgever, boekhandelaar en handelaar in papierwaren en mogelijk ook in kantoorbenodigdheden. Gezien de grote gelijkenis van de twee banden, zowel qua bindtechniek als qua versiering, mogen we aannemen dat Cornelis ook het register van aanvaardingen in het visverkopersambacht inbond.

De indruk van het verleden

Vandaag kan je voor een portie verse vis en garnalen nog steeds terecht op de Vismarkt. En ook de 18de-eeuwse drukker-boekbinders worden niet vergeten. In 2016 werd immers beslist om drie nieuwe straten in de Brugse binnenstad te noemen naar drie 18de-eeuwse Brugse drukkers: Joseph Bogaert, Andreas Wydts, en, jawel, Cornelis De Moor. De straten lopen tussen de Gentpoortvest en de Oude Gentweg, waar vroeger drukkerij-uitgeverij die Keure gevestigd was en nu het woonproject Den Indruk stilaan zijn voltooiing nadert. Met de herbestemming van de die Keure-site wordt herinnerd aan een stukje Brugse geschiedenis. De gloednieuwe straatnaambordjes hangen alvast op hun plaats.

Meer weten?

De registers worden bewaard in het  Rijksarchief Brugge: Archief van de Ambachten en neringen van Brugge, nr. 470. Register van de aanvaardingen in het ambacht van de visverkopers. 1425-1795 en Archief van de ambachten en neringen van Brugge, nr. 467 (Privilegeboek).

André Vanhoutryve. De vishandel en het visambacht te Brugge tot op het einde van het oud regiem. Sint-Andries, 1975.

Paul Huvenne, Pieter Pourbus meester-schilder 1524-1584. [Brugge / Brussel], 1984, p. 58-61.

Christophe Deschaumes, De Vismarkt van Jean-Robert Calloigne, in: Brugge neoklassiek. Open Monumentendag 2017, p. 170-175.

Andries Van den Abeele, Brugse drukkers in de 18de eeuw, in: Vlaanderen, jg. 43, nr. 252, sept.-okt.  1994, vnl. p. 146.

Jacques Mertens, Boekbanden bewaard in het Rijksarchief te Brugge, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge. Tijdschrift voor de studie van de geschiedenis van Vlaanderen, 148 (2011), p. 372-373.

0000_GRO1230_I 003
Detail uit: Alexander Adriaenssen, Stilleven met vis, 1ste helft 17de eeuw, Brugge Groeningemuseum (0000.GRO1230.I), foto: Dominique Provost

Het Johannesretabel van Hans Memling

De broeders en zusters van het Sint-Janshospitaal weten wel bij wie ze moeten aankloppen met de opdracht voor een altaarstuk voor hun kapel. Hans Memling voltooit in 1472 zijn monumentale ‘Laatste Oordeel’ voor de Italiaanse bankier Angelo Tani. Hiermee versterkt hij zijn reputatie als schilder en er vloeien bijkomende opdrachten van internationale handelaars in Brugge uit voort. De religieuzen van het Sint-Janshospitaal volgen het voorbeeld van de handelaars. Wat voor Memling dan weer een hele eer is.

Memling_Annunciatie_MetNYC_DP240360 (Small)
Ferry de Clugny gaf Hans Memling de opdracht deze ‘Annunciatie’ te schilderen, New York Metropolitan Museum of Art (17.190.7), Gift of J. Pierpont Morgan

De prestigieuze opdracht voor het Johannesretabel (O.SJ0175.I) komt er naar aanleiding van de verbouwing van de kapel die start rond 1473. De bisschop van Doornik, de Bourgondiër Ferry de Clugny, die samen met het stadsbestuur toezicht houdt op de hospitaalgemeenschap, was vroeger al als opdrachtgever van Memling opgetreden. Hij wijdt de kapel in 1477 maar de verbouwing is mogelijk pas later afgerond. Memling voltooit zijn retabel in 1479 en zet zijn naam zelfbewust op de lijst: Iohannis H(M)emling.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Traditie

Met het Johannesretabel schrijft Memling zich in de Brugse traditie in maar tegelijkertijd brengt hij ook vernieuwing. Voor de compositie op het middenpaneel van het retabel, laat Memling zich rechtstreeks inspireren door Jan van Eycks ‘Madonna met Kanunnik Joris Van der Paele’. Van Eycks schilderij hangt op dat ogenblik in de Sint-Donaas.

Op beide schilderijen troont centraal Maria met het kindje Jezus onder een prachtige baldakijn. Op het Johannesretabel worden zij geflankeerd door de Heiligen Barbara, Catharina, Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. Memling geeft de proporties tussen figuur en omgeving realistischer weer dan Van Eyck. Hij creëert ook meer transparantie door de zuilen van de kerkelijke ruimte van Van Eyck te behouden, maar de wanden open te gooien. Zo kan de toeschouwer een blik werpen op de buitenomgeving waar zich taferelen afspelen uit het leven van Johannes de Doper en Johannes de Evangelist, de twee patroonheiligen van het hospitaal. Die taferelen krijgen een vervolg op de zijluiken. Op het linkerluik staan episodes uit het leven van Johnnes de Doper, waarbij Memling zich laat inspireren door Rogier van der Weyden en diens Sint-Jansaltaarstuk (Gemäldegalerie, Berlijn). Op het rechterluik beeldt hij Johannes de Evangelist op Patmos af.

Door de heiligenverhalen heen weeft Memling als het ware lokale motieven. Zo staat aan de rechterkant van het middenpaneel naast een zuil een van de broeders van het hospitaal. En de kraan in de achtergrond lijkt op de kraan van Brugge.

O_SJ0175_Ib_kraan en broeder (Small)
Kraan en hospitaalbroeder, detail uit: Hans Memling, Johannesretabel, Brugge Sint-Janshospitaal (O.SJ0175.I)

In geopende toestand is dit retabel zonder meer een bijzonder ambitieus werk waarmee Memling zijn artistiek kunnen demonstratief tentoon spreidt. Hij drijft dit nog verder door: op het rechterluik komt Memling immers bijzonder vernieuwend uit de hoek.

O_SJ0175_Ic_vallendester (Small)

En de sterren van de hemel vielen op aarde als late vijgen, door een stormvlaag van de boom geschud. En het uitspansel kromp ineen als een boekrol die wordt opgerold, en alle bergen en eilanden werden van hun plaats gerukt. En de koningen der aarde en hun edelen en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen, allen, slaven en vrijen, kropen weg in de spelonken en rotsspleten van de bergen. Apocalyps, 6, 13-15 

Vernieuwing

Op dat rechterluik ‘verbeeldt’ Memling de bijbeltekst van de Apocalyps en dit zonder rechtstreekse voorbeelden. Hij zet de woorden uit de bijbel over het einde van de wereld op een heel originele manier bijna letterlijk om in beeld. Pas 20 jaar later – met de in 1498 door Albrecht Dürer uitgegeven reeks houtsneden van de Apocalyps – is er überhaupt sprake van een ’standaard’ beeldtaal voor de Openbaring van Johannes.

O_SJ0175_Ic_wolkengel2 (Small)

Toen zag ik een andere sterke engel neerdalen van de hemel, gehuld in een wolk, de regenboog boven zijn hoofd. Zijn gelaat was als de zon, zijn benen als zuilen van vuur. Hij hield een klein boekje open in zijn hand. Zijn rechtervoet zette hij op de zee en de linker op de aarde. Apocalyps, 10, 1-2

Vliegende en vuurspuwende monsters, rotsen die brandend neerstorten, vallende sterren en een zonsverduistering, een reusachtige engel met een lichaam van wolken, het kindje Jezus dat bedreigd wordt door een zevenkoppige draak, die vervolgens Maria achtervolgt… Ongetwijfeld maakt deze scène een diepe indruk op de 15de-eeuwse toeschouwers in het Sint-Janshospitaal. En zet de scène hen aan zich te bekeren voor hun dood.

O_SJ0175_Ic_Maria draak

En er verscheen een groot teken aan de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Zij was zwanger en kreet in haar weeën en barensnood. Toen verscheen aan de hemel een ander teken: een grote, vuurrode draak. Hij had zeven koppen en tien horens, en op elke kop een diadeem. En zijn staart vaagde een derde deel van de sterren des hemels weg en wierp ze op de aarde. Apocalyps, 12, 1-4

Noodhelpers

Het retabel in gesloten toestand, geeft een rustiger en soberder beeld. Onder een stenen baldakijn en voor een kale muur staan vier heiligen met voor hen, geknield en in gebed, bestuursleden van de hospitaalgemeenschap. Jacob de Ceuninc en Antheunis Seghers zijn samen met de Heiligen Jacobus de Meerdere en Antonius de Eremiet op het linker buitenluik te zien. Op het rechter buitenluik staan Agnes Casembrood en Clara van Hulsen samen met de Heiligen Agnes en Clara geportretteerd. Op een ingenieuze manier beeldt Memling hier de voornaamste personages van de Brugse hospitaalgemeenschap af samen met hun naamheiligen. Het was W.H. James Weale die de geportretteerden identificeerde.

Elk van de afgebeelde heiligen heeft in de historische context van het hospitaal nog een bijkomende functie. Alle vier zijn ze immers noodhelpers: heiligen die door reizigers en zieken in nood aanroepen worden voor hulp. Zij zijn de geknipte figuren om de gasten in het hospitaal – meestal reizigers en zieken uiteraard – tot gebed te inspireren.

Daarbij komt nog dat het Brugse Sint-Janshospitaal een rijke verzameling heiligenrelikwieën bezit die de gebeden van de gasten extra kunnen bekrachtigen. Voor de zieken zijn ze dus in beeld én fysiek aanwezig.

Meer zien?

Het Johannesretabel kan je gaan bekijken in het Sint-Janshospitaal.

 

Alle foto’s van werken uit Brugse collecties: Dominique Provost.

Alle citaten uit de Apocalyps komen uit de Willibrord-vertaling.

De trekring van de Rederijkerskamer van de Heilige Geest

Sinds juli 2017 is de rederijkerscultuur ingeschreven in de Inventaris Vlaanderen voor Immaterieel Erfgoed. De rederijkerskamers die vandaag nog actief zijn in Vlaanderen, kunnen inderdaad buigen op een rijk verleden. De rederijkerscultuur ontwikkelt zich in onze contreien vanaf het begin van de 15de eeuw, geïnspireerd op voorbeelden uit (Frans-)Vlaanderen. De Nederlandse benaming ‘rederijkerskamer’ stamt af van het Franse ‘chambre de rhétorique’.

In de middeleeuwen zijn de rederijkerskamers een soort letterkundige gilden: de leden schrijven poëzie en toneel en brengen dit alles ook op scène. In opdracht van het stadsbestuur werken zij mee aan stoeten, processies, blijde intredes… en dragen zo bij aan de stedelijke feestcultuur. Binnen hun vereniging houden zij wedstrijden en ze nemen ook deel aan wedstrijden waarbij kamers uit verschillende steden zich met elkaar meten.

X.O.0161
Trekring van de Rederijkerskamer van de H. Geest, coll. Gruuthusemuseum Brugge (X.O.0161), foto: Dominique Provost

De Heilige Geest daalt neer

In Brugge worden in de 15de eeuw twee kamers opgericht. Rond 1470 ziet de kamer van De Drie Santinnen het levenslicht. Maar de oudste is de Rederijkerskamer van de Heilige Geest, opgericht in 1428. Ze behoort daarmee ook tot de oudste rederijkerskamers in Vlaanderen.

In ’t jaer duyst vier hondert – by wysen engiene – / ende achtentwyntigh doe waeren versaemdt / te Jan van Hulst in ’t hoveken zy derthiene (…). / Dies zeyde Jan van Hulst met vreughden: / ‘O broeders, den gheest wil hier beeten / dies zullen wy ’s Helichs Gheest broeders heeten.’

Dit stichtingsjaar staat vermeld in een gedicht waarmee het resolutieboek van de H. Geestkamer opent. De tekst dateert uit 1640. De namen van de stichters staan erbij genoteerd. Een aantal van hen zijn inderdaad terug te vinden in archiefstukken uit de eerste decennia van de 15de eeuw. Voor zover te traceren, behoren de stichters allen tot de hogere, kapitaalkrachtige kringen. De vroegste vermelding van de kamer in de stadrekeningen dateert van 1442. Alles bij elkaar genomen lijkt de genoemde stichtingsdatum dus realistisch.

79K10_006v-007r_accrostichon Jan van Hulst
Slotregels van het gebed ‘Sonder smette zaliche rose (Salve Regina)’ in het Gruuthusehandschrift. De naam van de auteur, Jan van Hulst, verschijnt wanneer men, van boven naar onder, telkens de eerste letter van elke regel leest, coll. Koninklijke Bibliotheek Den Haag (79 K 10), foto: KB Den Haag

 

Deze rederijkerskamers komen niet uit de lucht vallen. Rond 1400 (en vroeger) bestaat er binnen de hogere burgerij in Brugge een actieve belangstelling voor poëzie en literatuur. Het stadsbestuur doet bovendien graag beroep op schrijvers en acteurs om de vele festiviteiten in de stad op te luisteren. Er is kortom een gezonde voedingsbodem. Rond het Gruuthusehandschrift bijvoorbeeld, de oudste verzameling liederen in het Middelnederlands die bewaard is gebleven en die rond 1400 is ontstaan, cirkelen een aantal figuren die zeker of met grote waarschijnlijkheid bij de rederijkerij betrokken zijn. Zo is de Jan van Hulst, die in het gedicht wordt genoemd als de ‘aanstichter’ van de oprichting, mogelijk de Jan van Hulst van wie teksten in het Gruuthusehandschrift staan. Als stichtend lid staat ook Gillis Honin (junior) vermeld, zoon van Gillis Honin (senior) die geïdentificeerd is als de Egidius uit het gelijknamige lied in het Gruuthusehandschrift.

20121219_0108_SAB_Jan van Hulst
In de stadsrekeningen van 1394 staat te lezen dat Jan van Hulst en zijn gezelschap de hertog bij een bezoek aan de stad vermaakt hebben door een parodie van een steekspel op te voeren, coll. Stadsarchief Brugge (Oud Archief, reeks 216), foto: Dominique Provost

Voorvaderen en afstammelingen

Een belangrijke figuur in de vroege jaren van de rederijkerij is Anthonis De Roovere, de auteur van de Excellente Cronike van Vlaenderen. Op 17-jarige leeftijd wint hij een dichtwedstrijd van de Rederijkerskamer van de H. Geest met een gedicht dat antwoord geeft op de vraag ‘Kan een moederhart liegen?’. Het is de start van een bloeiende carrière. De Roovere is de eerste rederijker van wie een groot deel van het oeuvre bewaard is gebleven, dankzij de bundeling ervan door die andere belangrijke rederijker in de 16de eeuw: Eduard de Dene.

De Dene, lid van de Rederijkerskamer van De Drie Santinnen, bundelt verder ook zijn eigen werk. Cornelis Everaert, lid van beide rederijkerskamers, doet hetzelfde. Daarmee is voor Brugge een mooi staaltje rederijkersliteratuur, toch ‘maar’ gelegenheidsliteratuur en niet bestemd voor de eeuwigheid, bewaard gebleven.

Over de vroegste activiteiten van de H. Geestkamer is niet zoveel bekend. In 1755 vernielt een brand immers het archief van de kamer. Uit bronnen van buitenaf kunnen we wel afleiden dat de kamer deelneemt aan wedstrijden binnen en buiten Brugge.

0000_GRO0524_I 003
Paul De Cock, De Heilige Drievuldigheid, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO0524.I), foto: Dominique Provost

In de 17de en 18de eeuw blijven de rederijkerskamers bestaan, maar ze boeten aan belang in. Rond de Franse revolutie gaat de kamer van de H. Geest ter ziele. Op het einde van de 19de eeuw wordt ze opnieuw opgericht. De kamer bestaat vandaag nog steeds en is actief als amateurtoneelgezelschap. De Drie Santinnen verdwijnt rond 1830. In de tweede helft van de 20ste eeuw wordt deze kamer weer opgericht in de schoot van de Vriendenkring van de Brugeoise, maar na een tijd begint ze weer een sluimerend bestaan te leiden.

Tastbare relicten

De zilveren trekring is een van de weinige objecten in verband met de rederijkerscultuur in de collectie van Musea Brugge. De mogelijke maker is meester Joannes Hermans, meester vanaf 1726 en gestorven in 1745. De ring dient om een klokje te luiden, dat nu verdwenen is.

0000_GRO1307_I_DP (Small)
Jacques De Rijcke, Wapenbord van de Rederijkerskamer van de H. Geest, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO1307.I), foto: Dominique Provost

Bovenaan de ring is een duif in een stralenkrans afgebeeld. Op de banderol staat de spreuk ‘Myn werc is hemelyck’, het devies van de kamer van de H. Geest. Op de achterzijde staat het wapenschild van de Brugse academie. Dit mag niet verwonderen. De academie neemt immers in de eerste helft van de 18de eeuw ook haar intrek in de Poortersloge, waar de rederijkers minstens sinds 1590 vergaderen. De kamer en de academie onderhouden goede relaties. De rederijkers vragen de academie een aantal keer schilderijen te maken om hun vergaderlokaal op te luisteren. Heel wat leden van de kamer zijn overigens ook lid van de academie en vice versa. Net als in de beginjaren is de rederijkerskamer een plaats waar men relaties kan aanknopen en onderhouden – kan netwerken dus.

Bij de trekring hoort een ketting van meer dan vijf meter lang. Hij bestaat uit 149 schakels, die elk bestaan uit twee naamplaatjes. Op bijna elk plaatje staat een naam en soms een datum. Het oudst gedateerde plaatje is van 1629, de meeste dateren van 1699. Op deze 17de-eeuwse plaatjes staat op de achterkant vaak een tekst in rederijkerstaal die alludeert op de naam van de betrokkene. De schakels zitten niet in chronologische volgorde. Dit doet vermoeden dat de ketting in de 19de eeuw is hersmeed.

0000.GRO1501.I_MUS050307_01_Stadsfotografen
Paul De Cock, Apollo kroont de muziek en de toneelkunst, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO1501.I), foto: Cel Fotografie Stad Brugge

Nog uit de 18de eeuw dateren vier schilderijen die in opdracht van de Rederijkerskamer van de H. Geest zijn gemaakt. Zij moeten het lokaal van de kamer sieren in de heropgebouwde Poortersloge (een brand legt de Poortersloge in 1755 in de as, waarna die in sneltempo wordt heropgebouwd).  Jacques De Rijcke, leerling en later leraar aan de academie, schildert twee wapenborden, waarop centraal het wapenschild van de hoofdman staat met rondom de wapenschilden van de andere rederijkers. De twee andere schilderijen zijn van de hand van Paul De Cock, die het schopt tot directeur van de academie. Hij schildert een Heilige Drievuldigheid en een ‘Apollo kroont de muziek en de toneelkunst’.

Meer zien en lezen?

De trekring en één van de wapenborden zijn nog tot 22 april 2018 te zien op de tentoonstelling ‘Gruuthuse in galant gezelschap’ in het Arentshuis.

De bloeiperiode van de Brugse academie tussen 1750 en 1850 wordt belicht in het Groeningemuseum.

In Brugge is vandaag nog een tweede rederijkerskamer actief: de Kamer van Retorika ‘De Gezellen van de Heilige Michiel’, opgericht in 1956.

Noël Geirnaert, Het Gruuthusehandschrift in de cultureel-maatschappelijke context van Brugge rond 1400, in: Jos Koldeweij, Inge Geysen en Eva Tahon (red.), Liefde & Devotie. Het Gruuthusehandschrift: kunst en cultuur omstreeks 1400, 2013, p. 80-88.

Johan B. Oosterman, Tussen twee wateren zwem ik. Anthonis de Roovere tussen rederijkers en rhétoriqueurs, in: Jaarboek De Fonteine, jg. 1999-2000, p. 11-27.

Selden is volmaect de feeste. Zeshonderd jaar rederijkersleven te Brugge, Brugge, 1995 (catalogus bij een tentoonstelling in het Stadsarchief). De uitgebreide versie van de catalogustekst is te lezen in: Dirk Geirnaert, De kamers van rhetorica te Brugge. Een blik op 400 jaar Brugse rederijkersactiviteit, in: Biekorf, jg. 95 (1995), p. 234-250.

Dominiek Dendooven, Nieuw licht op de 18de-eeuwse Brugse rederijkersschilderijen: werk van Paul De Cock en Jacques De Rijcke, in: Jaarboek 1993-1994 Stedelijke Musea Brugge. Deel 1, p. 189-201.

Laurence Derycke en Anne-Laure Van Bruaene, Sociale en literaire dynamiek in het vroeg vijftiende-eeuwse Brugge: de oprichting van de Rederijkerskamer van de Heilige Geest ca. 1428, in : Johan Oosterman (red.), Stad van koopmanschap en vrede. Literatuur in Brugge tussen Middeleeuwen en Rederijkerstijd, Leuven, 2005, p. 59-96.

Valentin Vermeersch, Zilver en Wandtapijten. Catalogus Gruuthusemuseum Brugge, Brugge, 1980, p. 162-168.

‘De ouderdom’ uit de reeks ‘Gombaut en Macée’

Vanaf de 14de eeuw worden in Brugge zeker wandtapijten geweven. In de 17de eeuw staan de Brugse weefateliers bekend om de prachtige producten die ze afleveren. Zowel artistiek als technisch zijn hun tapijten van een hoog niveau. Een absoluut succesnummer in hun aanbod is de reeks ‘Gombaut en Macée’.

XVII.1974.0001 (Small)
‘De ouderdom’ of ‘De wolf’, wandtapijt van wol en zijde, coll. Gruuthusemuseum Brugge (XVII.1974.0001), foto: Dominique Provost

De reeks vertelt het verhaal van het herderspaar Gombaut en Macée. In (vermoedelijk)  negen tapijten en evenveel taferelen zien we de aanvankelijk jonge herders evolueren door het leven, tot aan de dood van Gombaut. Worden uitgebeeld: ‘Het landelijk maal’ (waarvan twee versies bestaan), ‘De vlinderjacht’, ‘Het bollenspel’, ‘De verloving’, ‘De bruiloft’, ‘De dans’, ‘De ouderdom’ of ‘De wolf’ en ‘De dood van Gombaut’. Het Gruuthusemuseum bezit vier tapijten uit deze reeks, namelijk ‘Het landelijk maal’ (in de versie die ook wel als ‘De soep etende vrouw’ wordt aangeduid), ‘De bruiloft’, ‘De dans’ en ‘De ouderdom’. Opvallend zijn de teksten die in de tapijten verwerkt zijn, waarmee ze een beetje stripallures krijgen.

XVII.1974.0001.det02 (Small)
Detail uit ‘De ouderdom’ of ‘De wolf’, coll. Gruuthusemuseum Brugge, foto: Dominique Provost

De valstrik van het huwelijk

‘De ouderdom’ stelt de voorlaatste episode uit het leven van Gombaut en Macée voor. Gombaut is gehuwd met Macée en slijt zijn oude dag; de dood lonkt. Op het tapijt zien we hoe hij in een valkuil sukkelt die opgezet is voor een wolf (vandaar ook de alternatieve benaming ‘De wolf’ voor dit wandtapijt).

De valkuil staat (uiteraard) symbool voor het huwelijk. Een van de teksten op het tapijt is niet mis te verstaan. Macée tracht Gombaut te redden en zegt:

HELAS IL ESTOIT TANT HVPPE
MAIS MARIAGE LHA HAPPE
TELLEMENT QVIL EST PRINS EST (L)AZ

Helaas, hij was zo monter
Maar het huwelijk heeft hem gevat
Zodanig dat hij in de netten is gevangen

XVII.1974.0001.det01 (Small)
Macée snelt Gombaut ter hulp, detail uit: ‘De ouderdom’ of ‘De wolf’, coll. Gruuthusemuseum Brugge, foto: Dominique Provost

De moraal van het verhaal komt boven in de laatste passage, boven de oudere herder die naar het tafereel wijst:

VOYLA COMMENT EN FAISANT
AINSI TOYT PLAISIR FINIRA
LHOMME DEVIENT BIEN VITE VIEVX

MAIS SIL PEVLT MOVRIR HEVREVX
APRES LA MORT LORS AVRVIVRA

Ziedaar, door zo te handelen
Zal alle plezier een einde hebben
De mens wordt zeer snel oud

Maar als hij gelukkig kan sterven
Dan zal hij na de dood verder leven

 

XVII.1974.0001.det06_1
Commentaar van de oude herder, detail uit: ‘De ouderdom’, coll. Gruuthusemuseum Brugge, foto: Dominique Provost

Een andere verwijzing naar de dood die volgt op de ouderdom is te vinden bij de dieren die het tapijt bevolken: op de voorgrond wandelt een steltloper die een paling heeft gevangen.

Pastorale romances

De inspiratie voor deze wandtapijtenreeks ligt ongetwijfeld in de pastorale literatuur, maar de exacte bron is nog niet gevonden. Het herdersleven is een nieuw thema dat opkomt op het einde van de 15de eeuw. Het liefelijke en eenvoudige leven van de herders uit de bucolische poëzie staat in schril contrast met de intriges aan en de ingehouden stijl van het hof. De herders leven onbevangen en dichtbij de natuur. De rijke adel en burgerij daarentegen zijn welgemanierd en in principe altijd met hun status bezig.

Het thema van het herdersleven komt vanaf het einde van de 15de eeuw voor op schilderijen, gravures en uiteraard op wandtapijten. Eerst zijn het vooral verhalen over ridders die op hun tocht een herderinnetje redden, later vertelt men over de herders zelf. De verhalen zitten boordevol erotische toespelingen en dubbelzinnigheden. Ook in de tapijtenreeks ‘Gombaut en Macée’ zijn die terug te vinden.

XVII.1974.0001.det04 (Small)
Een steltloper heeft een paling gevangen, detail uit: ‘De ouderdom’, coll. Gruuthusemuseum Brugge, foto: Dominique Provost

Van cartons en boorden

Om een wandtapijt te maken, heeft een wever een ontwerp nodig. Het carton, het ontwerp op papier op schaal van een wandtapijt, gaat meestal terug op een gravure of tekening. De cartons voor de reeks ‘Gombaut en Macée’ zijn mogelijk gebaseerd op prenten van de Franse graveur Jean Le Clerc (actief tussen 1585-1633). Dit zou verklaren waarom de teksten op de tapijten in het Frans zijn. Zeker is dit echter niet. Jean Le Clerc gaf in Parijs een reeks houtgravures uit met als titel Histoire fort plaisante de la vie pastorale et la fin d’icelle ou les amours de Gombaut et Macée. Een datering geeft de maker niet. Vaak wordt aangenomen dat deze prenten stammen uit 1585-1587. In de collectie van de Bibliothèque nationale de France (BNF) is een exemplaar te vinden met als voorstelling de bruiloft. De gelijkenis met het wandtapijt uit de reeks is treffend.

BNF_debruiloft_JeanLClerc

Wél zit er een groot verschil in de boord. De boord van het wandtapijt heeft millefleurs en wapenschilden in de rand. Maar: de boord van het wandtapijt ‘De ouderdom’ komt wel zeer duidelijk overeen met de prent. In de boord zou dus een bijkomend bewijs kunnen zitten dat Jean Le Clerc als ontwerper van deze reeks aanduidt.

XVII.O.0013
‘De bruiloft’, wandtapijt uit wol en zijde, coll. Gruuthusemuseum Brugge (XVII.O.0013), foto: Dominique Provost

Wat deze boorden nu precies betekenen of voorstellen, daarvoor is nog veel onderzoek nodig. De boorden zijn alleszins een goede indicatie voor de datering van het wandtapijt. De boord van ‘De ouderdom’ heeft duidelijk barokke kenmerken, zoals de saters, de putti en zelfs de vazen.Dit maakt dat het wandtapijt op het einde van de 16de eeuw of aan het begin van de 17de eeuw te dateren is, ook al ziet het centrale tafereel er wat statischer uit.

Zoek de spoel

Nog een element dat helpt bij de datering is het merkteken dat in de rand van het tapijt geweven is. Sinds 2 mei 1547 moeten de wevers hun tapijten merken met het officieel herkenningsteken van de stad, de gotische b. Het is Keizer Karel die hiertoe de aanzet geeft met een edict van 1544. Alle tapijtwevers moeten voortaan in de boord van het wandtapijt hun eigen merkteken én dat van hun stad aanbrengen. Deze keurmerken verzekeren de kwaliteit van de wandtapijten. Zoals steeds gaat het hier over een boeiend verhaal van concurrerende wevers, namaak en schaamteloze kopieën.

XVII.1974.0001 (2)_spoel2
Spoel als merkteken in de boord van ‘De ouderdom’, coll. Gruuthusemuseum Brugge, foto: Dominique Provost

 

Toch verdwijnt de gotische b weer in de late 16de eeuw. Een nieuw merkteken komt in de plaats, de spoel voor hoge schering. Vanaf 1637 komt de gotische b weer terug, samen met de spoel. Ateliermerken zijn zeer zeldzaam en ook stadsmerken komen slechts in een gering aantal gevallen voor. Het edict en de stadsordonnantie worden dus maar sporadisch opgevolgd. Maar wat merken we op in de rechterboord onderaan ‘De ouderdom’? Jawel, een spoel.

Meer weten?

Guy Delmarcel, Het Vlaamse wandtapijt van de 15de tot de 18de eeuw, Brugge, 2000.

Guy Delmarcel en Erik Duverger, Brugge en de tapijtkunst, Brugge, 1987.

Nicole Vanclooster, De wandtapijtreeks Gombaut en Macee: studie van de Brugse uitgaven met verwijzing naar andere centra, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, KULeuven, 1983.