De Keizer Karelschouw van het Brugse Vrije

Filip en Mathilde hangen er niet, maar wie vandaag het Brugse Vrije binnenstapt, treft er wel heel wat heersers van weleer aan. Het meest indrukwekkend is wel de monumentale schouw van  Keizer Karel uit 1530.

Karel, heerser over een rijk waar de zon nooit ondergaat (en vandaag jarig!), staat centraal afgebeeld op de schouw. Aan weerszijden staan zijn grootouders: links van hem keizer Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië, rechts Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië. Karels ouders, Filips de Schone en Johanna van Castilië (de latere Johanna de Waanzinnige), staan in medaillons afgebeeld. Rondom de figuren hangen de wapenschilden van al de gebieden die onder Karels heerschappij vallen.

schouw Brugse Vrije
De Keizer Karelschouw in het Brugse Vrije, (c) Sarah Bauwens

De schouw heeft enkele eeuwen onverstoord gefunctioneerd als machtssymbool van de Habsburgse dynastie. Het iconografisch programma van de schouw is elders in de zaal nog aangevuld met portretten van latere heersers zoals Filips II, de aartshertogen Albrecht en Isabella en keizerin Maria-Theresia. De uitbreiding van dit programma is al te zien op een schilderij van Gilles van Tilborgh uit 1659, gemaakt ruim 100 jaar na het opleveren van de schouw.

De heerser

Waarom kreeg Karel als eerbetoon dit prachtige kunstwerk? De directe aanleiding is eigenlijk niet bekend. Vaak wordt verwezen naar het Verdrag van Madrid van 14 januari 1526. Dit verdrag beëindigt een reeks zware conflicten tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk met Italië als inzet. Belangrijker in dit verdrag, voor Vlaanderen en Brugge althans, is dat de Franse koning François I afziet van zijn leenrechten in Vlaanderen. De Franse koning zou voortaan geen aanspraak meer kunnen maken op Vlaanderen voor de erfopvolging, iets wat na de dood van Maria van Bourgondië wel gebeurde en pas in 1477 opgelost werd door haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk. Tijdens de Damesvrede van Kamerijk in 1529 wordt het Verdrag van Madrid  bevestigd. Het jaartal 1529 prijkt op de schouw.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De schouw staat in de schepenkamer waar ook recht gesproken wordt. Op 21 februari 1525 bekijkt en aanvaardt het college van burgemeester en schepenen een ontwerp om de zaal een prachtige aankleding te geven. Dan komt er echter ruis op de lijn en uiteindelijk zal pas in het najaar van 1528 de definitieve beslissing vallen over ontwerp en uitvoerder. Kunstenaar Lanceloot Blondeel krijgt de opdracht. Hij was eerder al betrokken bij gesprekken over de decoratie van de zaal, onder andere over de wandtapijten. Die werden uitgevoerd door Antoon Segon. Enkele fragmenten zijn bewaard in de Gruuthusecollectie.

xvii-o-0001-medium
Fragment van een verdure uit het Brugse Vrije, coll. Gruuthusemuseum, XVII.O.0001, (c) Dominique Provost

De kunstenaar

Lanceloot Blondeel neemt zijn opdracht niet licht op. Hij vraagt ondermeer advies aan een beeldhouwer-bouwmeester die actief is aan het hof van Margaretha van Oostenrijk. In totaal werken zeven beeldhouwers mee aan de uitvoering van de schouw. Guy de Beaugrant maakt de houten beelden van de vorsten naar het ontwerp van Blondeel en hij kapt ook de marmeren putti en de albasten fries met het verhaal van de kuise Suzanne. Op 15 februari 1530 wordt de schouw opgeleverd.

8201741589_f2b1c9b2c5_o_sarah-medium
Marmeren putti, detail van de Keizer Karelschouw, (c) Sarah Bauwens

De schouw is uitgevoerd in een voor die tijd moderne renaissancestijl. Wat er wordt afgebeeld is waarschijnlijk uitgedacht door rederijkers en schrijvers. De rederijkers werkten eerder al mee aan de toneelstukken en tableaux vivants die werden opgevoerd bij de blijde intredes van aartshertog/keizer Karel in 1515 en 1520. Aan die laatste intrede werkte ook Lanceloot Blondeel mee. Het is met deze intredes dat de renaissancestijl echt ingang vindt. Via de drukkunst, de samenwerking tussen Vlaamse en Italiaanse ateliers en reizen naar Italië raakt deze nieuwe stijl meer en meer verspreid. En laten we niet vergeten dat zich in Brugge al twee renaissancewerken bevinden die inspiratie kunnen bieden: de Madonna van Michelangelo en de tondo van della Robbia.

8201741361_76ec290e40_o_sarah-medium
Houten putti, detail van de Keizer Karelschouw, (c) Sarah Bauwens

De rechter

De directe aanleiding voor het maken van de schouw is misschien niet helemaal duidelijk, wel is zeker dat wat is afgebeeld honderd procent thuishoort in een rechtszaal.  De rechters die in deze zaal oordelen, doen dat in naam van Keizer Karel, de vorst die de belangrijkste rechter op aarde is. Tegelijkertijd bevat de schouw ook een waarschuwing voor de rechters: ze mogen hun macht niet misbruiken. Op de schouw staat namelijk ook het bijbelse verhaal van de kuise Suzanne en de ouderlingen afgebeeld.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Twee oude rechters willen de mooie Suzanne tot seks dwingen. Zij weigert echter, waarop de oude mannen het verhaal verspreiden dat zij een minnaar heeft. Suzanne verschijnt voor de rechtbank en wordt ter dood veroordeeld. Maar op het laatste nippertje komen de leugens van de oude rechters aan het licht en worden ze zelf veroordeeld en gestenigd. Een gewaarschuwd rechter is er twee waard…

De kunstkenner

Eeuwenlang functioneert de schouw als machtssymbool van de Habsburgers en waarschuwing voor de rechters. Met de Franse bezetting verandert dat. De wet van 24 oktober 1793 (3 brumaire III), die een verbod stelt op symbolen van koningschap en feodaliteit, bedreigt het monumentale kunstwerk. Eerder dat jaar, in februari 1793, zijn er al vier portretten van vorsten uit de schepenkamer verbrand. Gelukkig stelt de administratie van het Leie-departement P. Goddyn en F. Clement aan om het kunstwerk te beoordelen. Zij moeten bepalen welke delen van de schouw men moet behouden. Beiden zijn formeel: het gaat om een uitzonderlijk kunstwerk dat een grote waarde heeft en dat zeker niet mag vernield worden; alleen de wapenschilden met de feodale gebieden kan men wel weghalen.

In het midden van de 19de eeuw, als de Fransen al enkele decennia vertrokken zijn, krijgt de schouw een restauratie onder leiding van Charles Geerts. Ook de rest van de zaal wordt opnieuw gedecoreerd, geïnspireerd op de vroegere situatie. Tegen 1859 is de schouw terug zoals voorheen. En zo is ze nog steeds.

Gaan kijken?

De schouw kan je dagelijks bekijken in het Brugse Vrije.

Terracottategels van het Concertgebouw

‘Het is slechts weinig gebouwen gegeven uitgevoerd te worden zoals ze in de eerste schetsen van de architect verschijnen.’

Architectuurhistorici zullen er… geen kluif aan hebben. Wie de ontwerptekeningen van Robbrecht en  Daem architecten naast foto’s van het Brugse Concertgebouw legt, zal weinig verschillen kunnen aanduiden. Het gebouw ziet er op enkele details na precies uit als op het ingediende ontwerp, wat zeer uitzonderlijk is. In 1997 wordt een internationale architectuurwedstrijd uitgeschreven. In januari 1998 komt Robbrecht en Daem architecten als winnaar uit de bus. Negen maanden later moet de werf al van start gaan om op tijd klaar te zijn voor Brugge 2002, Culturele Hoofdstad van Europa. Veel tijd voor fundamentele wijzigingen is er dus niet, maar het wedstrijddossier is dan ook bijzonder nauwkeurig voorbereid.

Concertgebouw by night
Concertgebouw vanop ’t Zand, (c) Toerisme Brugge Jan Darthet

Dialoog met stadslandschap

De droom om Brugge een grote concertzaal te geven, leeft al langer. Eric Van Hove pleit er in 1992 al voor in zijn pamflet ‘Brugge, word wakker!’. Met Brugge 2002 komt alles in een stroomversnelling.

110915_filip-dujardin015a
De historische torens vanuit de Lantaarntoren, (c) Filip Dujardin

Voor de hand liggend is de bouw niet. Het Concertgebouw zal immers ingeplant worden op ‘t Zand, aan de rand van de historische stadskern. Hoe gaat de hedendaagse architectuur zich verhouden tot die oude gebouwen? Met zijn keuze voor Robbrecht en Daem houdt het stadsbestuur zich uiteindelijk ver van spectaculaire architectuur.  Men kiest voor een ‘pastoraal ontwerp’, zoals de architecten het zelf omschrijven: een ontwerp dat op verschillende vlakken de dialoog met het Brugse stadslandschap aangaat. De rode terracottategels die het gebouw bekleden, sluiten perfect aan bij het kleurenpalet van de rode daken van de Brugse binnenstad. De historische torens van de stad, het Belfort, de Sint-Salvatorskathedraal en de Onze-Lieve-Vrouwekerk, krijgen er met de Lantaarntoren en de toneeltoren twee broertjes bij.  ‘t Zand wordt sindsdien door het Concertgebouw afgesloten en krijgt een nevenplein in de oksel van het gebouw.

20170201_153430-small
Terracottategels van het Concertgebouw

De reacties op het ontwerp zijn verdeeld. In de pers woedt een hevig debat tussen voor- en tegenstanders. Te veel of te weinig hedendaags? Te aanwezig of net te banaal? Het debat breekt los, maar de werken vangen aan. Op 4 oktober 1999 starten de graafwerken. Op 13 juni 2000 wordt de eerste steen gelegd. Op 20 februari 2002 om 20.02u opent het Concertgebouw de deuren op de klanken van Die Schöpfung (De schepping) van Haydn, gespeeld door Anima Eterna.

Een streling voor het oor

Sindsdien weerklinken in de Concertzaal en in de Kamermuziekzaal veel muziekjes. In de grote concertzaal kunnen 1300 mensen zich in vervoering laten brengen door zowel concerten als opera’s. Net het feit dat beide moeten kunnen opgevoerd worden in de concertzaal, betekende een hele uitdaging voor de architecten. Maar hun uitgekiend ontwerp heeft al vele uitvoerders tevreden gesteld.

In de kleinere Kamermuziekzaal kunnen 320 luisteraars terecht. De zaal is ondergebracht in de Lantaarntoren. De zitplaatsen slingeren zich naar boven. Wie wil, kan zijn blik laten afglijden naar de huizen en torens buiten. Een magisch zicht, zeker als de avond valt.

Gelukkige verjaardag!

Over enkele dagen viert het Concertgebouw zijn vijftiende verjaardag. En daarbij staan enkele nieuwigheden voor de deur. Recent is de heraanleg van ‘t Zand gestart. Het Koning Albert I-park zal men doortrekken tot voorbij het Concertgebouw, zodat dat als het ware omarmd wordt door het park. Verder komt er een meer open blik op het water van de Kapucijnenrei ter hoogte van de Westmeers.

110915_filip-dujardin024-small
Concertzaal, (c) Filip Dujardin

Vanaf september 2017 zet het Concertgebouw ook overdag de deuren open. Een parcours langs de kunstcollectie en architectuur, een glimp van een repetitie meepikken of gewoon een koffie in het vernieuwde Concertgebouwcafé? Wie het gebouw nog niet ontdekt heeft, heeft dan geen excuus meer.

Meer weten?

Op de site van het Concertgebouw kan je een film over het tienjarig bestaan bekijken.

Mia Verstraete (red.), X. 10 jaar Concertgebouw Brugge 2002-2012, Tielt, 2012.

Zilveren koffiekan

Vandaag is koffie wereldwijd een van de meest gedronken dranken. Koffie is de laatste jaren ook erg hip. Koffiebars schieten als paddenstoelen uit de grond, je kan je omscholen tot barista en in elke toeristische gids vind je wel een lijstje met niet te missen koffiestops. Vier eeuwen geleden was koffie ook in, maar dan als nieuwigheid op de Europese tafel.

Van geiten en bessen

Het koffieverhaal begint echter veel vroeger en wel met springende geiten. In 300 na Christus ziet ene Kaldi of Chalid, een Ethiopische geitenhoeder, zijn geiten heel energiek rondspringen nadat ze bessen van een struik hebben gegeten. Kaldi proeft de besjes ook eens en krijgt op slag een energieboost…

De Arabieren zijn de eerste koffiedrinkers. Hun qahwa, wat ‘opwindend’ betekent, is een brouwsel van de bessen en bladeren van de koffieplant. In de 15de eeuw drinkt iedereen in het Midden-Oosten het koffiebrouwsel. Er ontstaan koffiehuizen die ook bij Europese reizigers in het oog springen. Koffie wordt ook verhandeld. De stad Mokka in Jemen groeit vanaf de 15de eeuw uit tot hét handelscentrum voor koffie.

turkse_koffie_ibrik
Turkse koffie

Sultan Selim I verovert Jemen aan het begin van de 16de eeuw en zo krijgen de Ottomanen het alleenrecht op de koffiehandel. Vanaf 1615 wordt koffie naar Venetië geëxporteerd. Daar ontstaan de eerste koffiehuizen in Europa. Ze kennen een groot succes. Maar er zijn kapers op de kust. De Nederlandse handelaars van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) willen ook een koffieboontje meepikken. In 1660 slaan ze hun slag. Ze openen een handelshuis in Mokka en groeien algauw uit tot de belangrijkste leverancier van koffie in Europa.

Maar de V.O.C. wil meer. Ze stelen koffieplanten, nemen deze mee naar de overzeese gebieden en planten ze daar. Zo komt koffie terecht in Java, Sumatra, Timor, Indië, Bali en Ceylon. Het is het begin van de koffiecultuur in Azië en tevens het einde van de gloriedagen van Mokka. Amsterdam groeit in de 17de eeuw uit tot het absolute wereldcentrum voor de koffiehandel.

koffiekan_schuinexxi-o-1659-small
Porseleinen koffiekan met famille rose-decor, daterend van voor de ‘Eisch’ van de V.O.C., 18de eeuw, coll. Gruuthusemuseum (XXI.O.1659), (c) Nadia Vangampelaere

 

Kan beter

Nu de koffie zijn weg heeft gevonden naar de Europese tafels, heeft men uiteraard ook behoefte aan de juiste kan om koffie te zetten en te schenken. De Ottomaanse koffie, die wij nu nog kennen als ‘Turkse’ koffie, wordt op vrij eenvoudige wijze gezet. De Ottomanen gebruiken in de 17de eeuw al koperen kannen om koffie te maken. Door hun manier van schenken blijft er wel bezinksel in het kopje liggen. In de 17de eeuw geven ze deze kannen voor het eerst de naam ‘koffiekan’.

De eerste Europese koffiekannen zijn van metaal. Ze zijn vermoedelijk gebaseerd op de Arabische koffiepotjes, maar mogelijk ook op porseleinen wijnkannen die door de V.O.C. uit China geïmporteerd worden. Er ontstaat een echte strijd tussen porselein of metaal voor een koffiekan. Metaal en vooral edelmetaal zoals zilver is fel gegeerd aan de hoven en bij de gegoede klasse. Maar: een koffiekan in metaal wordt heet, erg heet. Een handvat in ebbenhout lost dit op.

x-o-0153-small
Ferdinand du Baele, Zilveren koffiekan, 1761, coll. Gruuthusemuseum (X.O.0153), (c) Dominique Provost

Porselein heeft, bovenop het feit dat het een isolator en geleider is, nóg een groot voordeel ten opzichte van metaal: porselein is geur- en smaakloos. De eerste koffiekannen in Chinees porselein hebben vaak toevoegingen in tin, zilver of koper, zoals een schenktuit of een dekselscharnier. Aanvankelijk staat het handvat niet tegenover de schenktuit, maar aan de zijkant van de kan. De ‘Eisch’ van de V.O.C. uit 1766 verordonneert echter dat het handvat altijd aan de achterkant van de koffiekan moet staan.

De V.O.C. speelt een erg belangrijke rol in de ontwikkeling van nieuwe vormen, versieringen en typologieën. De V.O.C. neemt nieuw ontwikkelde Europese modellen en ontwerptekeningen mee naar de Chinese porseleinmakers. Een boeiende wisselwerking ontstaat tussen het Chinese chine de commande, bedoeld voor de export naar Europa, en de lokale Europese faience- en porseleinproductie. Deze wisselwerking zorgt tegelijk voor een bittere concurrentiestrijd en is een constante uitdaging voor de ontwerpers. Ontwerpers van koffiekannen komen telkens met nieuwe vormen, typologieën en decoraties: met of zonder voeten, met een bekje als schenktuit of met een langgerekte tuit zoals bij een theekan, met een ronde of achthoekige buik, van metaal of porselein… En dan hebben we het nog niet over de vormentaal die varieert naargelang de smaak en de mode.

Stijl en klasse

Een zeer mooi voorbeeld van een zilveren koffiekan in Franse stijl is deze van de Brugse edelsmid Ferdinand du Baele uit 1761.

Ferdinand wordt vrijmeester op 2 maart 1752. Hij werkt zoals de meeste zilversmeden zowel voor religieuze als burgerlijke opdrachtgevers. Pittig detail is dat Du Baele is gehuwd met Rosalie Goddyn, wiens vader Albert een belangrijke suikerfabrikant is.

Du Baeles koffiekan is vrij typerend voor zijn tijd. Ze is uitgewerkt in een flamboyante rococovormgeving. De vormentaal die varieert volgens smaak en mode, wordt anno 1761 bepaald door het Franse hof van Louis XV. Het peervormige lichaam van de kan is geschikt om de koffie wat langer warm te houden. Ook het deksel zorgt ervoor dat de warmte niet te snel ontsnapt. Het ebbenhouten handvat zorgt ervoor dat de schenker zich niet brandt aan de hete kan. Een koffiekan zoals deze is bestemd voor gegoede lieden. Ze is naast een schenkkan ook een statussymbool.

x-o-0153-det5-small
Detail zilveren koffiekan, (c) Dominique Provost

In dergelijke kan wordt koffie gezet. Eerst doet men gemalen koffie in de kan. Daarop giet men water dat net aan de kook is gebracht. Vervolgens roert men de koffie en is hij klaar. Bij het schenken gebruikt men een zeefje zodat het koffiebezinksel niet in het kopje terecht komt.

De Ovide moralisé van Colard Mansion

In de late middeleeuwen wordt in Brugge allerlei verhandeld. Ook boeken, in Brugge gemaakt, vertrekken naar alle windstreken. Middenin dit boekenbedrijf staat Colard Mansion. Waar hij vandaan komt in 1457, weten we niet. Waar hij naartoe gaat in 1484 evenmin. In dat jaar verdwijnt de belangrijkste boekenondernemer in Brugge zonder een spoor achter te laten…

Mansion richt zich als librariër of boekondernemer aanvankelijk op de productie van handgeschreven boeken of manuscripten. De afzet ervan is verzekerd: in de entourage van het Bourgondisch hof bewegen zich grote verzamelaars en ook de hertogen zelf bouwen een indrukwekkende bibliotheek uit. Een van de edellieden die bestellingen plaatst bij Mansion, is Lodewijk van Gruuthuse. Om zijn klanten een topproduct te kunnen leveren, doet Mansion een beroep op een netwerk van kopiisten, verluchters en boekbinders. Maar Mansion is meer dan een ondernemer. Hij neemt ook zelf de pen ter hand en maakt vertalingen of stelt zelf uitgaven samen.

de-roof-van-proserpina-b_ob_inc3877_141r-small
De roof van Proserpina, uit: Ovide moralisé, 1484, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (3877)

Nieuw in het aanbod (with a little help from my friends)

In Mansions tijd is de boekenwereld volop in beweging. Het gedrukte boek begint aan zijn opmars. Mansion ruikt zijn kans en zet bewust de stap van het handgeschreven naar het gedrukte boek.

impressum-b_ob_inc3886_029r_detail-small
Colofon uit Le jardin de dévotion, ca. 1475-1476, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (3886)

De manier waarop dit is gebeurd, is nog steeds onduidelijk. De vroegste boekenproductie van Mansion is nauw verweven met deze van  William Caxton, een Engelse diplomaat die de handelsbelangen van zijn land in Brugge en Vlaanderen opvolgt. Lange tijd nam men aan dat Mansion de pionier was die Caxton in de drukkerswereld introduceerde. Vandaag kijkt men hier anders tegen aan. Caxton maakt in 1471-72 kennis met drukkerswerkplaatsen in Keulen en zet vanaf 1473 in Vlaanderen een eigen productie op, in Gent of in Brugge. Wellicht produceert Mansion zijn eerste boeken in samenwerking met Caxton. Wanneer de Engelsman in 1476 uit Brugge vertrekt, gaat Mansion alleen verder. Het colofon ‘Primum opus impressum per Colard Manison’  waarmee Mansion rond 1475-1476 zijn ‘Le jardin de dévotion’ afsluit, betekent waarschijnlijk: het eerste boek gedrukt in de eigen werkplaats van Colard Mansion. Waar dit atelier met ruimte voor meerdere boekdrukpersen, zetters en drukker zich bevindt, weten we niet. Wel weten we dat Mansion aanvullend een kleine winkel op de Burg huurt.

gevelde-eik-b_ob_inc3877_043r-small
De legende van de gevelde eik, uit: Ovide moralisé, 1484, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (3877)

Tussen circa 1476 en 1484 rollen er bij Mansion tientalllen titels van de persen. Vandaag zijn er nog zo’n 25 edities bekend, waarvan de exemplaren wereldwijd verspreid zijn. De grootste collecties zitten in de Bibliothèque nationale de France in Parijs en in de Brugse Openbare Bibliotheek. Het best bewaard zijn de ‘Ovide moralisé’ en drie andere luxeboeken in groot formaat. Ze zijn gedrukt in een bijzonder fraai lettertype dat zo weggeplukt is uit de Bourgondische luxehandschriften. Deze boeken worden algemeen erkend als de meest weelderige incunabelen (dit zijn vroege drukken, gemaakt tussen 1450-1501) van de Nederlanden.

Vrij naar Ovidius

De ‘Ovide moralisé’, de laatst gedrukte van de vier luxeboeken, is met recht het meest bekende boek van Mansion.  Aan de basis ligt het boek ‘Metamorphosen’ van de Romeinse auteur Ovidius (43 voor Christus – 17 na Christus). De ‘Metamorphosen bestaat uit 15 boeken met fabels en historische verhalen vanaf de oertijd tot Ovidius’ tijd.  Ovidius brengt de verhalen vanuit het perspectief van gedaanteverwisselingen en bouwt zo een rijke encyclopedie aan antieke thema’s en figuren op zoals de onmogelijke liefde tussen Pyramus en Thisbe of de moord op Julius Caesar.

pyralus-en-thisbe-b_ob_inc3877_113r-small
Pyramus en Thisbe, uit: Ovide moralisé, 1484, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (3877)

De tekst die Mansion op zijn drukpers legt, staat ver af van de oorspronkelijke versie. Hij gebruikt een Franse vertaling, waarin de verhalen met een christelijke moraliserende saus overgoten zijn. Mansion voegt zelfs zaken toe, zoals de galerij van goden uit de mythologie en de zogenaamde ‘Legende van de gevelde eik’. In deze laatste tekst verhaalt Mansion hoe verscheiden de gebruikers van de eik zijn: van de timmerman over de varkenshoedster (eikels) tot de schrijver die de galnoten gebruikt voor het maken van inkt. Misschien staat deze legende ook voor de wijze waarop Mansion zijn tekst ziet: rijke verhalen zonder een duidelijk doelpubliek, maar waar verschillende soorten lezers hun voordeel mee kunnen doen. Een heel moderne (en economische) manier om met literaire teksten om te gaan.

Rijkelijk geïllustreerd

Bij de ‘Legende van de gevelde eik’ staat een grote houtsnede, waarop mogelijks Mansion zichzelf als schrijver-kopiist heeft laten afbeelden. Het is één van de 17 grote houtsneden die, naast 17 kleinere, het boek illustreren. De openingshoutsnede met de ontmanning van Saturnus introduceert de rijkdom van het boek: verschillende thema’s en figuren zijn in één afbeelding geïntegreerd.

ovide-moralise-titelpagina-ontmanningt-van-saturnus-b_ob_inc3877_001r-small
De ontmanning van Saturnus, uit: Ovide moralisé, 1484, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (3877)

We weten niet wie de maker is van de houtsneden. Opvallend is wel dat deze houtsneden vaak aanleunen bij de miniaturen uit de handschriftversies van de ‘Metamorphosen: ze lijken erop geïnspireerd te zijn. In de bibliotheek van Lodewijk van Gruuthuse vinden we zo’n handschrift terug: er staan gelijkaardige figuren in afgebeeld. Met een handschrift dat zich nu in Kopenhagen bevindt, zijn nog grotere gelijkenissen aan te wijzen. Hier zijn de miniaturen en de houtsneden duidelijk op elkaar gemodelleerd. In Mansions tijd is de houtsnede de traditionele techniek voor het vervaardigen van boekillustraties. Maar in vroegere uitgaven experimenteert hij ook al met burijngravures, waarbij de afbeelding in een metalen plaat wordt gegraveerd. Deze nieuwe techniek zou pas later volop doorbreken.

Met de productie van de ‘Ovide moralisé’ neemt Mansion risico’s in tijden van crisis en burgeroorlog. Al tijdens het drukken moet hij bijsturen: hij verlaagt de oplage. In hetzelfde jaar 1484 verdwijnt hij plots uit Brugge. Zijn boekenstal aan de zuidgevel van de Sint-Donaaskerk laat hij onbeheerd achter: ‘profugit’ (gevlucht) staat er in de rekeningen van de kerk. Waar hij heen trekt, is onbekend. Dat levert stof voor de meest wilde veronderstellingen. Sommigen gaan  zo ver om Antoine Vérard, een drukker die vanaf circa 1485 in Parijs werkt en er de tekst van  Mansions ‘Ovide moralisé’ op de  drukpers legt, te identificeren met Colard Mansion.

minerva-en-arachne-b_ob_inc3877_157r_detail-small
Minerva en Arachne, detail uit: Ovide moralisé, 1484, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (3877)

Van één ding zijn we wel zeker. Mansions ‘Ovide moralisé’ is een hoogtepunt én eindpunt van het Bourgondische gedrukte luxeboek in Brugge.

Meer weten?

De ‘Ovide moralisé’ en de 15 andere exemplaren van Mansion uit de collectie van de Openbare Bibliotheek zijn als Vlaamse topcollectie erkend. De ‘Ovide moralisé’ kan je doorbladeren via de site Historische Bronnen Brugge. Daar vind je ook verdere lectuur. Op de Flandrica-site kan je naast de ‘Ovide moralisé’ ook twee andere drukken van Mansion doorbladeren.

In 2018 vindt in het Groeningemuseum een tentoonstelling rond het oeuvre van Mansion plaats.

Draagstoelen uit het Sint-Janshospitaal

Wie vandaag het AZ Sint-Jan wil bereiken, kan kiezen uit verschillende mogelijkheden om comfortabel ter plekke te geraken. In de 18de eeuw zijn de mogelijkheden beperkt en vooral minder gerieflijk: of je gaat te voet of je wordt in een draagstoel naar het hospitaal gebracht. Twee zulke draagstoelen kan je vandaag nog bekijken in het Sint-Janshospitaal. Ze zijn de voorloper van de huidige ambulance.

 

Bel de mandecoetse!

Een draagstoel wordt ook ‘mandecoetse’, ‘troghe’ of gewoonweg ziekenstoel genoemd. Ze dienen niet alleen als transportmiddel tussen de woonplaats van de zieke of de plek van het ongeval en het hospitaal. Ook voor het transport tussen hospitalen onderling zet men draagstoelen in, bijvoorbeeld tussen het Sint-Janshospitaal en het nu verdwenen Sint-Juliaanshospitaal in de Boeveriestraat, waar psychiatrische patiënten verzorgd worden.

De draagstoelen in het Sint-Janshospitaal zijn gemaakt uit hout en hebben een klein raampje dat open kan. De zieke moet plaatsnemen op een smal bankje. Op de ene draagstoel staat het opschrift ‘St-Janshospitaal Brugge’. Hij is 1,60m hoog. De andere stoel draagt het opschrift ‘PAROCHIE ST GILLIS’ en is een tiental centimeter hoger. Vandaag zouden veel mensen met hun hoofd tegen het plafond van de draagstoel bonken maar in die tijd zijn mensen heel wat kleiner dan nu, door de minder gunstige levensomstandigheden.

 

Vergeet de drager niet!

De oudste vermelding van het gebruik van de ‘troghe’ staat in een rekening van de hand van Joos Hugheman, meester-bursier van het Sint-Janshospitaal. We schrijven 1541.

Ook in de 17de eeuw vinden we berichten terug over het gebruik van de ziekenstoel, maar dan in minder positieve zin. De dragers zijn knechten, veelal in dienst van een pastoor. Het ziekentransport is een kosteloze service, maar toch proberen sommige dragers op een sluikse manier een extra stuiver te verdienen en een fooi af te troggelen. Een document uit 1665 maakt hier melding van. Wanneer de dismeesters van de Onze-Lieve-Vrouweparochie dit vernemen, dienen zij bij de schepen een verzoek in om paal en perk te stellen aan dit misbruik. Het schepencollege bevestigt dit prompt. Voortaan moet een opnamebriefje, geschreven door een dismeester, volstaan.

688208a_detail-man-met-briefje
Man met een opnamebriefje (?), detail uit: Jan Beerblock, Gezicht in de oude ziekenzalen, 1778, coll. Sint-Janshospitaal (0.SJ0160.I)

Draagstoelen zijn immers niet altijd eigendom van een hospitaal, ze behoren vaak ook toe aan een armendis. De armendis is een liefdadigheidsinstelling die thuiswonende armen ondersteunt – meer hierover op de blogpost over de dispenningen. Sommige, zoals de armendis van de parochies Sint-Gillis en Sint-Anna, beschikken klaarblijkelijk ook over eigen ziekenvervoer.

De auteur van de ‘Merckenweerdigste voorvallen en daegelijcksche gevallen. Brugge’ spreekt in zijn notities uit het jaar 1790 ook over de draagstoel. Hij vertelt over het ongeluk van een metselaar in de Vlamingstraat en hoe de gewonde met ‘eene mande coets’ met maar liefst vier (!) dragers naar het Sint-Janshospitaal wordt vervoerd.

Op den 19 oktober gebuerde een groot ongeluk aen eenen bouw die men in de Vlamingstraet is opmaekende, want eenen der matsenaersknaepen aldaer met een swaer gewichte naer boven de stelling opgaende, viel ongeluckig van boven neder, zoodaenig gewont zijnde dat men weijnige teekens van leven aen den zelven bespuerde. Zijne wonden wierden seffens zooveele mogelijk gecureert, waernaer hij in eene mande coets door vier mannen naer het St.-Janshospitael gedraegen wiert, weijnige hope overig zijnde dat hij door den swaeren val van zijne wonden volkomen zal konnen genesen worden. Uit: Merckenweerdigste voorvallen en daegelijcksche gevallen. Brugge 1790

Bestemming bereikt

De ‘mandecoetse’ staat niet alleen in woord maar ook in beeld beschreven. Jan Beerblock (1739-1806), schilder en een meester in de weergave van de dagelijkse realiteit van Brugge in de 18de eeuw, beeldt de draagstoel enkele keren af. Al neemt hij soms een loopje met de werkelijkheid.

688208a
Jan Beerblock, Gezicht in de oude ziekenzalen, 1778, coll. Sint-Janshospitaal (0.SJ0160.I)

Zijn schilderij ‘Gezicht in de oude ziekenzalen’, voltooid in 1778 en te zien in het Sint-Janshospitaal, stelt de grote ziekenzaal voor zoals die er dan uitziet. Daardoor is dit schilderij één van de sleutelwerken voor het beter begrijpen van het hospitaalleven ruim 300 jaar geleden. Een aantal gebruiksvoorwerpen die op dit werk voorkomen, worden ook daadwerkelijk in het museum bewaard. Onder andere de draagstoel die in de rechter benendenhoek te zien is, met dien verstande dat de draagstoel die Beerblock weergeeft een opschrift heeft dat verwijst naar de huidige Sint-Annawijk. De vandaag tentoongestelde draagstoelen zijn afkomstig van het Sint-Janshospitaal en Sint-Gillis, een andere Brugse wijk.

0-sj0160-i_38
Twee knechten met draagstoel, detail uit: Jan Beerblock, Gezicht op de oude ziekenzalen, 1778, coll. Sint-Janshospitaal (0.SJ0160.I)

Op dit schilderij van Beerblock hebben de dragers net een zieke afgezet en nemen ze even een pauze. Een van de knechten heeft zijn voet op een draagstok gezet en trekt nonchalant zijn kous op. Let ook op de man links beneden met het hondje. Waarschijnlijk heeft hij een opnamebriefje van een dismeester of pastoor vast.

Ook op de prent ‘Heilig Bloedkapel en Het Steen te Brugge’, bewaard in het Prentenkabinet van het Groeningemuseum, tekent Beerblock een draagstoel van de armendis van Sint-Anna.  De Heilig Bloedkapel en het nu verdwenen Steen op de Burg vormen het decor voor twee knechten met tussen hen in de draagstoel. Op dit werk worden ze in volle actie afgebeeld, lopend over de Burg, terwijl er eentje achterom kijkt naar de mensen die hen volgen. Familie van de zieke?

0000_gro0692_ii_uitgeknipt-small
Jan Beerblock, Heilig Bloedkapel en Het Steen te Brugge, coll. Prentenkabinet Musea Brugge (0000.GRO0692.II)

Het opschrijft op de draagstoelen op deze twee werken is lichtjes verschillend. Op de draagstoel die in de ziekenzaal wordt afgebeeld staat ‘armen S. Anne 1770’. De draagstoel die over de Burg gedragen wordt, heeft als opschrift ‘Arm St Anne’. Beide opschriften verwijzen wel naar dezelfde armendis.

Eenvoudige gebruiksvoorwerpen uit simpele materialen zoals deze draagstoelen vertellen ons meer over het leven van de gewone mens en de armen. Een wereld die zich afspeelt ver van de rijke bewoners van stadspaleizen en koninklijke hoven, maar die daarom niet minder boeiend is.

Gaan kijken?

De draagstoelen (inv. nrs. 0.SJ0820 en 0.SJ0773) kan je gaan bekijken in het Sint-Janshospitaal.

Alle foto’s: (c) Dominique Provost

De De Damhoudertriptiek van Pieter Pourbus

In de Onze-Lieve-Vrouwekerk hangt achteraan in de kooromgang een triptiek of drieluik. Op het centrale paneel staat de Aanbidding van de herders afgebeeld. Op de zijpanelen zien we een man en een vrouw samen met hun kinderen neerknielen. Het gaat om Joost De Damhouder en zijn gezin. De Damhouder is in zijn tijd een bekend rechtsgeleerde. Hij schenkt het schilderij aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

20120120_113-small
Pieter Pourbus, De Damhoudertriptiek, 1574, Brugge O.L.V.-kerk

Joost en zijn vrouw zijn hier afgebeeld als de stichters of opdrachtgevers van het schilderij. Schilder van dienst is Pieter Pourbus (1523-1584), op het ogenblik dat de triptiek tot stand komt een gerenommeerd kunstenaar. Hij signeert het werk op de achterkant van het linkerzijluik. Een goed gekozen plek want dergelijke drieluiken houdt men meestal gesloten (en zo is de naam van de schilder dus vaak te lezen). Enkel op bepaalde religieuze feestdagen vouwt men de luiken open.

uitsnede-handtekening
De handtekening van Pieter Pourbus op de De Damhoudertriptiek

De bezoekers van de kerk krijgen dus meestal de achterkant van de zijluiken te zien. Daarop zijn in grijstinten de Besnijdenis van Jezus (linkerluik) en de Aanbidding der wijzen (rechterluik) afgebeeld. Dergelijke schilderingen noemt men grisailles of grauwschilderingen. De uitwerking van deze taferelen en de prachtige detaillering getuigen van Pourbus’ meesterschap.

20120120_114-small
Pieter Pourbus, De Damhoudertriptiek (gesloten), 1574, Brugge O.L.V.-kerk

Een jurist kruipt in zijn pen

Joost de Damhouder (1507-1581) stamt uit een belangrijke Brugse familie van juristen en stadsmagistraten. Zijn vader Simon is schatbewaarder van Brugge, zijn moeder Marie de Roodes komt ook uit de gegoede Brugse burgerij.

Zoon Joost studeert in Leuven van 1524 tot 1528. Hij maakt zijn studies verder af in Orléans. Vanaf 1532 is hij advocaat, maar de rechtspraktijk gaat hem niet al te goed af. Hij hekelt in een geschrift over rechtspraak de hebzucht van zijn collega’s die leidt tot kunstgrepen om onnodig te procederen.  In 1535 wordt hij benoemd tot één van de zes hoofdmannen van de stad.

uitsnede_grafplaat_boven-small
Detail uit de grafplaat van Joost De Damhouder

Vanaf 1537 stopt hij met de advocatuur en is hij raadspensionaris van Brugge, een functie vergelijkbaar met deze van de stadssecretaris nu. Hij staat ook vermeld als ‘doctor in de rechten’. In 1550 wordt hij griffier-crimineel. In deze functie houdt hij niet alleen de strafrechtelijke verslagen van de stad bij, maar is hij ook dagelijks actief met het ondervragen van verdachten, het verhoren van getuigen en het uitspreken van vonnissen. Hij geeft advies aan de Brugse burgemeester en schepenen in alle strafzaken die voor hem komen. Vanuit zijn functie begint hij zich te verdiepen in de traktaten over het strafrecht. Hij schrijft zelf een verhandeling, die naar verluidt wel zou gekopieerd zijn van de Gentenaar Filips Wielant (1441-1520).

In 1554 verschijnt zijn ‘Praxis rerum criminalium elegantissimis iconibus ad materiam accomadatis illustrata’ (De praktijk van het strafrecht versierd met ter zake dienende mooie prenten). Het groeit uit tot een belangrijk handboek voor de rechtspraak in verband met hekserij, zoals eerder al op deze blog te lezen was.

Multitasken

Vanaf januari 1551 benoemt Maria van Hongarije Joost De Damhouder tot commissaris van de Raad van Financiën en tot tresaurier-generaal van de troepen van Keizer Karel. Hij woont dan in Brussel. In 1565 wordt hij als opperforestier belast met de veiligheid van de kust en de duinen. Ondanks deze drukke ambten blijft Joost schrijven en traktaten publiceren.

dsc_0536-small
Grafplaat van Joost De Damhouder en zijn echtgenote, Brugge O.L.V.-kerk

Tijdens de godsdiensttroebelen kiest hij samen met zijn schoonbroer Juan Perez de Malvenda resoluut de kant van de katholieken en de Spanjaarden. Tijdens de laatste periode van zijn leven woont De Damhouder beurtelings in Antwerpen en Brugge. Als zijn echtgenote Louise sterft in 1575, legt hij zijn ambten neer. Joost overlijdt in Brugge in 1581. Zijn grafplaat is eveneens in de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge te vinden en is mogelijk ook door Pieter Pourbus ontworpen. Ze hangt in de buurt van de Madonna met Kind van Michelangelo.

grafplaat_onderkant-small
Detail uit de grafplaat van Joost De Damhouder

Familie

Wat zijn privéleven betreft weten we dat Joost De Damhouder in 1533 huwt met Louise de Chaintraines dit de Broucqsaulx. Ze krijgen samen tien kinderen. Het hele gezin staat afgebeeld op de zijluiken van de De Damhoudertriptiek.

20120120_095_detail-louise
Louise de Chaintraines en haar dochters, detail uit: Pieter Pourbus, De Damhoudertriptiek, 1574, Brugge O.L.V.-kerk

Op het linkerluik knielen Joost De Damhouder en de vier zonen uit het gezin. Achter Joost staat Judocus, zijn naamheilige . Op het rechterluik knielen echtgenote Louise de Chantraines en de zes dochters. Ook zij heeft haar naamheilige bij zich, de heilige Lodewijk.

De rode kruisjes op de hoofden van de kinderen zijn stille getuigen van een harde realiteit in die dagen. Slechts één zoon, Lodewijk, leeft nog wanneer het schilderij in 1574 tot stand komt. Lodewijk volgt zijn vader op in een deel van diens functies. Bij de meisjes blijven drie dochters in leven. Zij huwen met vooraanstaande Brugse burgers: Anna met burgemeester Joost van Braeckel, Catherina met raadsheer, schepen en schatbewaarder Jan de Schietere en Françoise met Jacques de Facuwez, secretaris bij de Raad van Brabant.

Meer weten?

De De Damhoudertriptiek kan je gaan bekijken in de O.L.V.-kerk.

Joost De Damhouder en zijn werk komen aan bod op de tentoonstelling ‘De Kunst van het Recht’, nog tot 5 februari in het Groeningemuseum.

Vanessa Paumen, Tine Van Poucke, Stefan Huygebaert, Georges Martyn, De kunst van het recht, drie eeuwen gerechtigheid in beeld, Tielt, 2016 (catalogus bij de tentoonstelling)

Dries Vanysacker, Renilde Vervoort, De heksen van Bruegel, hekserijvoorstellingen in de Lage Landen tussen 1450 en 1700, Brugge, 2015 (catalogus bij de tentoonstelling)

Paul Huvenne, Pieter Pourbus 1524-1584, Brugge, 1984

Foto’s van de triptiek: (c) Lukas Art in Flanders vzw foto Hugo Maertens

Foto’s van de grafplaat: (c) Kristel Van Audenaeren

Les Vrais Principes de l’Architecture Ogivale ou Chrétienne

Vandaag presenteren we u in deze reeks, na de gele, een tweede bijbel: de bijbel van de Belgische neogotiek. Zo wordt het boek ‘Les Vrais Principes de l’Architecture Ogivale ou Chrétienne’ (‘De Ware Principes van de Gotische of Christelijke Architectuur’) wel eens genoemd. Auteur ervan is de Engelse architect Thomas Harper King. Het boek rolt in 1850 van de persen bij Daveluy in Brugge. Het plaatst Brugge definitief op de neogotische kaart en inspireert tal van architecten en kunstenaars.

1_vraisprincipes-8-small
Titelpagina van T.H. King, Les Vrais Principes de l’Architecture Ogivale ou Chrétienne, Brugge, 1850, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek

Een Engelse architect in het 19de-eeuwse Brugge

In 1849 vestigt Thomas Harper King (1822-1892) zich in Brugge. Hij is afkomstig uit Londen en heeft zich tot het katholicisme bekeerd. King is vertrouwd met de architectuur en de toegepaste kunsten uit de middeleeuwen. Tijdens zijn korte verblijf in Brugge, van 1849 tot 1858, ontpopt hij zich tot een vurig verdediger van het gedachtegoed van Augustus Pugin, de voorman van de Engelse katholieke neogotiek. King noemt zichzelf ook bij voorkeur un élève de M. Pugin, een leerling van mijnheer Pugin.

Vrij snel al na zijn aankomst in Brugge laat King van zich horen. In een open brief aan het West-Vlaamse provinciebestuur bekritiseert hij de neogotische plannen van Pierre Buyck voor de nieuwe Heilige Magdalenakerk. Volgens King getuigen de plannen nergens van een degelijke kennis van de principes van de christelijke architectuur. De brief is het begin van een hevige pennentwist en resulteert in een polemiek tussen katholieken over een katholiek onderwerp. Buyck stuurt zijn plannen uiteindelijk maar lichtjes bij. De kerk wordt niet het ‘manifest’ van de katholieke neogotiek dat King in gedachten heeft. De Engelsman kan wel mee zijn stempel drukken op het interieur.

De neogotische principes te boek gesteld

Kings open brief is echter meer dan een kritiek op de plannen die voorliggen. De tekst laat zich ook lezen als een pleidooi voor een exclusief gebruik van de neogotiek, als de uitdrukking bij uitstek van de christelijke samenleving. King volgt hierin duidelijk de opvatting van Augustus Welby Pugin. In de loop van 1849-1850 schrijft King een persoonlijke adaptatie van de geschriften van Pugin, waarin hij zowel elementen uit diens ‘The True Principles of Pointed or Christian Architecture’ (1841) en ‘Contrasts’ (1836) verwerkt. Die adaptatie krijgt de titel ‘Les Vrais Principes de l’Architecture Ogivale ou Chrétienne’.

2_vraisprincipes-6-small
Eglises anciennes et modernes mises en contraste‘, uit: T.H. King, Les Vrais Principes (…), Brugge 1850, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek

‘…Faisant ressortir le contraste entre les chefs-d’oeuvre de l’art chrétien au moyen-âge et les ouvrages exécutés de nos jours et constatant le mauvais goût de notre époque…’ Citaat uit een publiciteitsfolder voor ‘Les Vrais principes (…), coll. Westflandrica

Het boek is een pleidooi voor een rationeel, historisch gefundeerde en aan de behoeften van de tijd aangepaste toepassing van de technische principes van de gotische architectuur. De onderliggende idee is dat een exclusief gebruik van de neogotiek moet bijdragen aan het laten herleven van de ideale (middeleeuwse) christelijke samenleving. De sleutel tot succes is een correct gebruik van de principes van de middeleeuwse bouwkunst. Of anders gezegd: elke architect of kunstenaar moet vanuit een christelijke overtuiging en inspiratie werken. King en Pugin willen die gotische principes toegepast zien op álle gebouwen, op de volledige inrichting én op kunstwerken. Kortom: zij willen neogotische totaalkunstwerken zien verrijzen.

2_vraisprincipes-7-small
‘Exemples d’architecture pour les chemins de fer selon les anciens principes‘ versus ‘Architecture moderne pour les chemins de fer‘, uit: T.H. King, Les Vrais Principes (…), Brugge, 1850, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek

‘Nous avons rencontré dans une église de la Belgique un ciborie qui ressemble beaucoup à une grande boîte à tabac (…)’ Citaat uit ‘Les Vrais Principes (…)’, blz. 211

De neogotische principes in beeld

De afbeeldingen vormen een belangrijk onderdeel van het boek. De jonge tekenaar Antoine Verbeke, in dienst bij Daveluy, heeft een belangrijk aandeel in de illustraties en maakt ook de kaftillustratie. Daarop zien we een vijftal taferelen waarin kunstenaars en ambachtslieden (neo)gotische objecten maken volgens de middeleeuwse technieken en principes. De omlijsting, met in de hoeken de emblemen van de vier evangelisten, is geïnspireerd op middeleeuwse grafplaten. Naast de titelpagina staat de illustratie die op de omslag van Pugins ‘True Principles’ prijkte.

Het boek bevat heel wat illustraties die speciaal voor Kings boek worden gemaakt. Zo is er een afbeelding van een ontwerp voor een doopvont voor de Brugse Onze-Lieve-Vrouwekerk. Ook de neogotische kloosterkapel van de zuster redemptoristinnen in de Katelijnestraat figureert in het boek… als een slecht voorbeeld van neogotiek.

2_vraisprincipes-1-small
Ontwerp van een doopvont voor de O.L.V.-kerk, uit: T.H. King, Les Vrais Principes (…), Brugge, 1850, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek

 

Een rijke erfenis

Het boek van King wordt niet alleen voor Brugge, maar voor heel België de artistieke bijbel van de katholieke neogotische beweging. De publicatie ervan betekent ook de definitieve doorbraak van de katholieke neogotiek. Dat Brugge een belangrijk centrum van neogotiek wordt, is in belangrijke mate te danken aan Thomas Harper King. Maar ook de Brugse bisschop Jean-Baptiste Malou speelt een cruciale rol. Hij haalt bijvoorbeeld Edward Pugin naar België voor het ontwerp van de basiliek van Dadizele. Bij dat project treedt King dan weer als tussenpersoon op.

178AD_4 (Small)
Torenconstructie van de basiliek van Dadizele, gemaakt in de Brugeoise, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek

King zelf blijft tot 1858 in Brugge actief. In die jaren publiceert hij nog enkele platenalbums, waaronder het monumentale ‘Orfèvrerie et ouvrages en métal du moyen-âge’ (1852-1854). Met dergelijke publicaties wil hij kunstenaars en ambachtslieden goede middeleeuwse voorbeelden aanreiken. Hij ontwerpt ook een interieurpolychromie voor de Heilige Bloedbasiliek (nu verdwenen) en een grafmonument op het kerkhof van Sint-Kruis.

5_p1010135-small
T.H. King, Orfèverie et ouvrages en métal du moyen-âge, 1852-1854, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek

Antoine Verbeke neemt hij in dienst als tekenaar. Na het vertrek van King begint Verbeke een eigen architectenbureau. Hij voltooit de interieurafwerking van de Magdalenakerk en ontwerpt ook verschillende neogotische parochiekerken, waaronder deze van Jabbeke, Kerkhove en Leffinge.

Provinciale Bibliotheek, TolhuisVoor Provincie West-Vlaanderen
Neogotisch drukwerk van de firma Desclée-Debrouwer, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek, (c) Stefan Dewickere

Ook heel wat andere kunstenaars werken in de geest van Pugin en King. Samuel Coucke ontwerpt glasramen in neogotische stijl. Louis Grossé brengt stoffen naar ontwerp van Pugin op de markt. Brugge groeit uit tot een belangrijk centrum van neogotische boekdrukkunst,  met onder andere de drukkerij van Jacques Petyt en de uitgeverij Desclée-De Brouwer, zowat de huisuitgeverij van de Belgische neogotische beweging. De belangrijkste Brugse neogoticus uit de slipstream van King is ongetwijfeld Jean-Baptiste Bethune, die de bijnaam ‘Belgische Pugin’ krijgt. Hij start in Brugge een glazeniersatelier dat in 1858 naar Gent verhuist.

6_108_ad_3-small
Jean-Baptiste Bethune, Ontwerp voor een glasraam, 1857, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek

Meer weten?

Thomas Harper King, ‘Les Vrais Principes de l’Architecture Ogivale ou Chrétienne’, Brugge, 1850. Zowel Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek, de Openbare Bibliotheek Brugge als de bibliotheek van Musea Brugge bezitten een exemplaar van dit werk.

Jan De Maeyer (red.), De Sint-Lucasscholen en de neogotiek. 1862-1914, Leuven, 1988.

Jeroen Cornilly, Architect en ambtenaar. De West-Vlaamse provinciaal architecten en de 19de-eeuwse architectuurpraktijk, Leuven, 2016, p. 222-241.

Lori Van Biervliet, Over neogotiek en in het bijzonder in het Brugse, in: Biekorf, 1994, p. 56-73.