Het beeldje van koning David

Wie de binnenplaats van het Stedelijk Conservatorium opwandelt, komt aan de linkerkant een beeldje tegen van een zittende koning David, compleet met kroon en lier. Het verhaal achter dit beeld voert ons niet terug naar het Heilig Land uit het Oude Testament. We blijven wel degelijk op Brugs grondgebied.

Ryelandt 100b
Joseph Ryelandt, ca. 1905, coll. Stadsarchief Brugge, Fonds Joseph Ryelandt

Dit beeld van koning David heeft immers toebehoord aan Joseph Ryelandt, een van de directeurs van het conservatorium. Ryelandt (1870-1965) mag met recht en rede Brugges belangrijkste romantische componist worden genoemd. Hij is nauw met de stad verbonden: hij wordt er geboren, loopt er school, blijft er levenslang wonen, schrijft er de meeste van zijn werken, voedt er zijn kinderen op, sterft er en ligt er begraven. Kan men meer ‘van Brugge’ zijn?

De lokroep van de muziek

Joseph Ryelandt wordt geboren op 7 april 1870 in een welstellende, zeg maar rijke, familie van Franstalige katholieken. Zijn moedertaal is en blijft het Frans, hoewel hij ook uitstekend Nederlands (of eerder de Brugse variant daarvan) spreekt. Vlaamsvoelendheid is hem ook niet vreemd.

SL771_001_SAB_1885_Ryelandt achterste rij links St Lodewijkscollege (Small)
Klasfoto Sint-Lodewijkscollege, 1885. Ryelandt staat op de achterste rij links. Foto: Beeldbank Brugge/Stadsarchief Brugge

Ryelandt loopt school in het Sint-Lodewijkscollege. Daarna volgen studies filosofie ter voorbereiding op zijn rechtenstudie. Maar de lokroep van de muziek klinkt luider: Joseph wil componist worden. Dit is echter buiten moeder Ryelandt gerekend, die van geen wijken wil weten. Zoon Joseph weet echter handig Edgar Tinel uit te spelen (je zou het bijna een advocatenstreek noemen…) en vraagt deze om zijn muzikaal talent te beoordelen. Tinel heeft als directeur van het Lemmensinstituut (toen nog in Mechelen) in katholieke middens immers enig gezag. Tinel is onder de indruk van Ryelandts talent en wil hem als privéleerling aannemen. Er rest moeder Ryelandt dan ook geen andere keuze: zoonlief wordt componist. Het is Josephs oudere broer, Louis, die rechtenstudies zal volgen en later schepen van de stad Brugge wordt.

De lokroep van de poëzie

De vroegste werken van Ryelandt dateren uit de jaren 1890. Ze zijn geschreven in een laat-romantische stijl naar zijn voorbeelden César Franck en Richard Wagner. Kort na 1900 blijkt Ryelandt in België al enige ontluikende faam te bezitten.

Rond die tijd huwt hij met Marguerite Carton de Wiart, een dame uit een invloedrijke Franstalige familie. Haar zus woont als Mother Philomene in het Engels Klooster, waar ze rond die periode de lessen van Guido Gezelle volgt.

Selectie van foto’s en documenten van Joseph Ryelandt en familie, op het lied “‘k En hoore u nog niet”, muziek van Ryelandt en tekst van Guido Gezelle. Uitvoering door Kristina Meganck. 

Gezelle en Ryelandt kennen elkaar en de componist heeft tientallen van zijn gedichten op muziek gezet. Na de oorlog publiceert Ryelandt zelfs een essay in het Frans over Gezelle: deze dichter verdient meer bekendheid in het zuiden van het land, vindt hij.

GGA_6650v
Brief van Ryelandt aan Gezelle van 26 mei 1894. Hij zegt het gedicht over Sint-Idesbald ontvangen te hebben en vindt het ‘waarlijk heel schoon en goed geschikt om er muziek over te maken’. Hij zal zijn best doen ‘opdat er niet een te groot verschil zou bestaan tusschen muziek en verzen.’ Het werk werd in augustus 1894 uitgevoerd. Coll. Openbare Bibliotheek Brugge – Guido Gezellearchief (GGA6650)

Mag het iets meer zijn?

Naast liederen componeert Ryelandt vijf symfonieën voor groot orkest (waarbij de intrigerende derde symfonie uit 1908 Brahms als referentie heeft), een prachtige verzameling kamermuziek (met een uitmuntend pianokwintet) en een hele reeks pianostukken. De stijl mag meeslepend romantisch genoemd worden.

Foto’s en postkaarten van Brugge ca. 1900, muziek: Joseph Ryelandt – Symphonie No. 3.

Dit geldt ook voor zijn (lange) oratoria met groot orkest, koor en solisten, die hij zelf als zijn belangrijkste werken beschouwt. Titels als ‘Maria’ (1909), ‘Agnus Dei’ (1914) en ‘Christus Rex’ (1921) en de katholieke triomf die erachter schuilgaat, zijn niet meer van deze tijd maar het moet gezegd worden dat deze oratoria hoe dan ook een frisse muzikale complexiteit bezitten, breed-lyrische klinken, en heel natuurlijk van de ene beweging in de andere overvloeien. Het luisteren naar deze werken wordt zo minder inspannend dan gedacht.

D 390_SAB_1914 1918_soepbedeling in school ryelandt links aan tafel_A Brusselle (Small)
Soepbedeling in een school tijdens WOI met Ryelandt links achter de tafel. Foto: A. Brusselle, Beeldbank Brugge/Stadsarchief Brugge

Brood op de plank

Tijdens de Eerste Wereldoorlog zit Ryelandt, zoals de meeste Bruggelingen, in de stad opgesloten. Na de oorlog breken andere tijden aan. Ryelandts kapitaal is aanzienlijk geslonken en in 1924, op zijn 54ste, gaat hij op zoek naar zijn eerste job. Hij wordt directeur van het Stedelijk Conservatorium. Ryelandt woont op dat ogenblik in de Filips de Goedelaan, in een prachtig neogotisch herenhuis van Huib Hoste. Hij doopt het ‘Huize David’ en plaatst op de hoek een beeldje van koning David.

In 1965 sterft de componist, 95 jaar oud. Al in 1966 wordt zijn huis verkocht en afgebroken om er een appartementsgebouw neer te zetten. De familie schenkt het beeldje van koning David aan de stad Brugge. Vandaag prijkt het nog steeds op de gevel van het Conservatorium.

Wie er binnengaat, vindt nog wel andere aandenkens. In het voormalige bureau van de directeur, waar Ryelandt werkte, hangt zijn portret, gepenseeld door Flori Van Acker. Verder staat er nog een neogotische kast die de componist, samen met een groot aantal autografen van zijn werken, aan de stad schonk bij zijn afscheid in 1944. Die werken berusten inmiddels in het ‘Fonds Joseph Ryelandt’ van het Stadsarchief.

In 2020 zal het 150 jaar geleden zijn dat Joseph Ryelandt geboren werd. Heel wat Brugse culturele partners broeden nu al op ideeën om de componist gepast te fêteren.

BRU001007180_SAB_1934_huis David in sneeuw (Small)
Huize David in de sneeuw, 1934. Foto: A. Brusselle, Beeldbank Brugge/Stadsarchief Brugge

Toga en muts van de Confrérie O.L.V.-van-Blindekens

Mensen zijn graag lid van één of andere vereniging: een sportclub, een culturele vereniging, een schuttersgilde… En zo zijn er ook verenigingen met een min of meer religieuze inslag. Zoals de Brugse Confrérie van Onze-Lieve-Vrouw-van-Blindekens.

Blindekensprocessie aankondiging kaars_1959_ALB1028
Brugse belofte 1959, foto: Beeldbank Brugge/Stadsarchief Brugge

Een confrérie of broederschap is een kerkelijk goedgekeurde vereniging met een godvruchtig doel, zoals het beoefenen van bijzondere werken van vroomheid of naastenliefde. De leden zijn leken. De Confrérie van O.L.V.-van-Blindekens heeft als doel het in stand houden van de verering tot Onze-Lieve-Vrouw-van-Blindekens in Brugge. De vereniging telt slechts elf leden maar is in Brugge toch vrij goed gekend omwille van haar activiteiten, zoals de maandelijkse misvieringen in de kapel van Blindekens, de Brugse belofte en de processie van Blindekens naar de Potterie op 15 augustus. Het zijn activiteiten die iets van eenvoud, van stilte en van ingekeerdheid uitstralen. Hun oorsprong voert ons terug naar het begin van de 14de eeuw.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Brugse belofte

Op 18 augustus 1304, twee jaar na de overwinning van de Vlamingen op de Fransen in de Guldensporenslag, staan de Fransen en de Vlamingen opnieuw tegenover elkaar bij Mons-en-Pévèle (Pevelenberg), 20 km ten zuiden van Rijsel. De slag eindigt onbeslist en de jarenlange onderhandelingen zijn uiteindelijk nadelig voor de Vlamingen. Tijdens de veldslag doen de Brugse families van de strijders een belofte, de ‘Brugse belofte’. Elk jaar ‘ten eeuwige dage’ zullen ze een kaars van 36 pond offeren aan Onze-Lieve-Vrouw-van-de-Potterie, als zij behouden uit de strijd mogen komen. En deze belofte houdt men nog steeds: elk jaar op 15 augustus trekt de ‘Brugse belofte’ door de straten van de stad, van Blindekens naar de Potterie. Dit jaar gebeurt dat voor de 713de keer.

BMV.04361a (Small)
Bedevaartvaantje O.L.V.-van-Blindekens, coll. Volkskundemuseum (BMV.04361)

De processie verloopt stil en ingetogen. 175 figuranten maken zich om 8 uur ’s morgens klaar in de omgeving van de kapel van Blindekens. Hun middeleeuws aandoende kledij is sober, de stoffen eenvoudig met eerder vale kleuren, refererend naar de families van de Bruggelingen die strijd voerden in dienst van de heren. Gedempt tromgeroffel ondersteunt de processie. Enkele ruiters te paard, een paar soldaten in de Vlaamse kleuren en één enkele praalwagen brengen de historische evocatie. De toeschouwers langs de weg zijn veelal Bruggelingen die een traditie in ere willen houden en een gevoel van verbondenheid met Brugge en met elkaar willen oproepen.

BMV.04361b (Small)
Bedevaartvaantje O.L.V.-van-Blindekens, coll. Volkskundemuseum (BMV.04361)

Bij de kapel van de Potterie wachten de 22 leden van de Confrérie van Onze-Lieve-Vrouw-van-de-Potterie de processie op, samen met nog enkele zusters van de Potterie. Bij de viering in de overvolle kapel is het de bisschop die iedereen welkom heet en de burgemeester die de ‘Brugse belofte’-kaars aansteekt. Sinds enkele jaren neemt ook de Edele Confrérie van het Heilig Bloed met een afvaardiging deel aan de processie.

Blidekensprocessie kaars_1959_ALB1029 (Medium)
Brugse belofte-kaars 1959, foto: Beeldbank Brugge/Stadsarchief Brugge

Rustpunt

De kapel van O.L.V.-van-Blindekens in de Kreupelenstraat, een smalle zijstraat van de Smedenstraat, is vandaag een oord van stilte vlakbij de drukke winkelstraten. De eerste kapel wordt opgericht in 1305 als aandenken aan de slag bij de Pevelenberg. De huidige kapel, in barokstijl, bouwt men in 1651. De godshuisjes die de kapel omgeven, oorspronkelijk bestemd voor arme blinden, worden beheerd door het OCMW. Ook hier zijn het vooral Bruggelingen die de kapel binnenlopen, voor een moment van rust en om te genieten van de kunstwerken die er hangen.

kapel OLV BLindekens_MBR003001728 (Small)
Kapel O.L.V.-van-Blindekens, foto: Beeldbank Brugge

De maandelijkse misvieringen in de kapel worden mee verzorgd door de leden van de Confrérie. Bij plechtige gelegenheden dragen zijn hun blauwe muts en toga met een geborduurde afbeelding van een zittende Madonna met kind. Op 15 augustus komen deze kledingstukken weer uit de kast voor de processie. Gaat u ook langs het parcours staan?

Blindekens publiek_104 (Small)

Uitgebreid videoverslag?

Bekijk deze link

 

 

‘Pestis Brugana’ van Thomas Montanus

Tussen 1349 en 1669 teistert de zwarte dood (de pest) Brugge met de regelmaat van de klok. De stad is hiermee geen uitzondering. Heel Europa en alle lagen van de bevolking worden regelmatig gegeseld door deze dodelijke ziekte. Oorzaken en oplossingen zoekt men in de meest uiteenlopende richtingen. In Brugge formuleert onder andere Thomas Montanus in 1669 zijn bevindingen in het boek ‘Pestis Brugana’ (‘Over de Brugse pest’).

Devotie

In de 16de eeuw ligt de frequentie van opstoten van de pest in Brugge bijzonder hoog. Voor 29 jaren, verspreid over de hele eeuw, zijn vermeldingen van de pest terug te vinden. De bevolking zoekt heil en genezing van deze ziekte in de godsdienst. Met een devotionele levenshouding, waarbij onder andere specifieke heiligen vereerd worden, probeert men het onheil te bezweren. In de 16de en de 17de eeuw zijn Sebastiaan, Carolus Borromeus, Rochus, Antonius abt, Adrianus en Franciscus-Xaverius populaire pestheiligen. Montanus draagt zijn boek overigens op aan die laatste. De pestepidemieën uit die periode doen ook de verering van de Eucharistie gevoelig toenemen.

Franciscus Xaverius_EHC_011_uitsnit
Franciscus Xaverius uit: Cornelius Hazart, Kerckelycke historie vande gheheele wereldt, 1668, coll. Erfgoedbibliotheek H. Conscience Antwerpen

Drie redenen hebben mij ervan overtuigd dit werk van mijn nachten aan Uwe heilige naam op te dragen. Ten eerste omdat ik gezien heb dat U ons in onze tijd door God aangeboden werd als geestelijke en hemelse geneesheer, nu eens tegen de pest, dan weer tegen andere ziekten. Ten tweede, wat buitengewoon is, omdat ik deze bescherming ervaren heb toen de besmetting in 1666 in onze Brugse stad woedde. Ten derde omdat, waar meerdere andere heiligen als beschermers optraden tegen de epidemische plaag, ik U erkend heb als speciale en uitgelezen Patroon tegen zulke ramp in deze stad. Thomas Montanus, Pestis Brugana, 1669

Geneeskunde

Maar ondertussen wordt ook op andere terreinen initiatief genomen. Vanaf het einde van de 15e eeuw neemt de Brugse stadsmagistraat een toenemend aantal concrete maatregelen tegen de pest. Het zuiveren van grachten en waterputten, het afmaken van zwerfhonden, het merken van besmette huizen en de instelling van quarantaine voor besmette personen en hun verzorgers zijn daar enkele voorbeelden van, net zoals de aanstelling in 1563 van een ambtenaar die de besmette huizen moet registreren.

E1.3.a Stadsordonnantie pest 1625 (Small)
Stadsordonnantie in verband met de pest, 1625

In de 16e eeuw wordt de strijd tegen infectieziekten en vooral epidemieën beter georganiseerd. Als de pest toeslaat, stelt men chirurgijns aan als ‘rode meesters’. Hun taak: preventie en diagnose van de pest, behandeling van pestlijders, maar ook het stellen van de lepradiagnose bij wie van melaatsheid wordt verdacht. De pestchirurgijns krijgen een goed loon met aanvulling in natura: gratis huisvesting, kleding, een paard plus voeder en één man of vrouw als dienstpersoneel. Zij bezoeken de gesignaleerde besmette huizen en stellen de ziekte officieel vast. Zij moeten de pestlijders bewegen tot een verhuis naar de pesthuizen en na het ‘einde’ van de ziekte het betreffende woonhuis zuiver verklaren. In tegenstelling tot de medici doen de chirurgijns/rode meesters dus effectief aan ziektebehandeling (pestbuilen insnijden of openmaken met een gloeiend ijzer of hete was) en verspreiden ze de medicatie.

madonna met peststok sint salvator brugge (Small)
Madonna met peststok, Sint-Salvatorskathedraal Brugge

Geneesheren

Twee Brugse geneesheren, Jan Pelsers (? – 1581), meester-chirurgijn en verschillende keren tot rode meester aangesteld en Thomas Montanus (1617-1685) hebben hun pestervaringen gepubliceerd. Pelsers waarschuwt in zijn boek over de pest tegen ‘quack-zalvers en reeuwers die schrobbers ofte boeven zijn’, die er niets van weten en de ziekte vooral helpen verspreiden. Volgens hem was de oorzaak van de pest een venijnige damp die in de lucht ontstaat door verrotting van vuile grachten en drekputten.

Thomas Montanus, ofte Thomas Vandenberghe, wordt in 1656 benoemd tot geneesheer-pensionaris van de Stad Brugge en het Sint-Janshospitaal en in 1659 van het Brugse Vrije. Hij speelt een voorname rol bij de organisatie van de medische beroepsuitoefening te Brugge en is de drijvende kracht bij de oprichting van de medische sociëteit Sint-Lucas. Volgens Montanus is het plaatsen van de anus van een levende kip op de pestbuil een efficiënte behandelingsmethode. Hij raakt zelf door de pest besmet maar overleeft.

pesthuisje karmelieten brugge (Small)
Het pesthuisje van de karmelieten, Brugge

Overigens verleent ook de religieuze wereld steun op medisch-praktisch vlak. Tijdens de hevige epidemie van 1631 en 1632 bieden de ongeschoeide karmelieten hulp aan de pestlijders. Daarbij laten negen paters het leven. Van 17 april 1666 tot 29 januari 1667 noteert broeder Pieter Van den Driessche, meester van het Sint-Juliaanshospitaal, per dag en per huis het verloop van de besmetting en de daaraan verbonden kosten en inkomsten. Hij is door de stedelijke ‘Camere van Gesontheyt’ aangesteld als administratief hoofd van de pestbestrijding.

Patiënten

De overheid neemt dus heel wat initiatieven om de pest te bestrijden. Hoewel levensnoodzakelijk, trachten heel wat mensen de maatregelen toch te omzeilen. De angst om in huis te worden opgesloten met een stervend of dood familielid, zet velen ertoe aan om de zieke of stervende verborgen te houden. En niemand wil zijn of haar bezittingen vernietigd zien, dus tracht men de schijn van gezondheid op te houden. Zo hebben angst en hebzucht dus een negatieve invloed op de voorzorgs- en bestrijdingsmaatregelen.

MUS100825_01 pestschilderij 1666 (Small)
Anoniem, Heilige Drievuldigheid met heiligen (Pestschilderij), 1666, in 1866 gerestaureerd door Petrus Maes, (c) Lukas Art in Flanders vzw, foto: Hugo Maertens

In de loop van de 17e eeuw slaat de pest minder hevig toe. In Brugge verdwijnt de ziekte kort na de epidemie van 1666 uit het straatbeeld. In het resolutieboek van de Stad Brugge staat op 10 juli 1669  – het jaar waarin de dodelijke ziekte voor de laatste maal opflakkert en het jaar van verschijnen van Montanus’ boek – te lezen dat er nog pestlijders naar de pesthuizen worden gestuurd. In de tijdsspanne van slechts één decennium, tussen 1669 en 1678, verdwijnt de ziekte niet alleen in Brugge maar ook in andere steden van de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden en Engeland. Het waarom van deze gelijktijdige verdwijning van de pest in Noordwest-Europa blijft onopgehelderd. Klimatologische veranderingen, biologische factoren, een verminderde virulentie van de pestbacil of een verbeterde levenshygiëne zijn mogelijke oorzaken.

Meer lezen?

Het citaat van Montanus komt uit de Latijns-Nederlandse uitgave  Thomas Montanus, Pestis Brugana (Montanus tijdingen 2008), Brugge, 2008.

J. Boelaert, Zes eeuwen infectie in Brugge 1200-1800, Leuven, 2011.

J. Boelaert (eindred.), Van chirurgijns tot pestheiligen. Ziek zijn in Brugge in de 16de en 17de eeuw, Museumbulletin 3 (2011), Vrienden van de Stedelijke Musea Brugge, Brugge.

W. Naphy en A. Spicer, De pest. De zwarte dood in Europa, Amsterdam, 2007.

G. Van Reyn (red.), De pest te Leuven. De Kapucijnen en de zorg voor de mens, Leuven, 2016.

Het dagboek van Galbert van Brugge

2 maart 1127. In de Brugse Sint-Donaaskerk wordt op een mistige ochtend Karel de Goede, graaf van Vlaanderen, vermoord. Een schokgolf gaat door de stad, door Vlaanderen en Europa. Een cruciale periode voor Brugge, waar wij dankzij een dagboekschrijver tot in het kleinste detail van op de hoogte zijn. Die schrijver is Galbert van Brugge, klerk in de grafelijke administratie.

Galbert, de vlijtige ambtenaar

De 12de eeuw is de periode waarin de Noord-West Europese steden zich letterlijk en figuurlijk steviger op de kaart zetten. In Vlaanderen vallen ze op door hun aantal, belang en verscheidenheid. Ze eisen stilaan hun plaats op naast het gezag van de graaf.

Die ontwikkeling steunt ook op een administratieve vooruitgang. Het graafschap Vlaanderen is een van de eerste in Europa om een staatsadministratie met competent ambtenarenkader te ontwikkelen. Het dagelijks bestuur ligt in handen van de kanselier van Vlaanderen, de topambtenaar die toezicht houdt op de inkomsten van het graafschap en tevens proost van het Sint-Donaaskapittel is. In 1127 is het Bertulf, zoon van Erembald van Veurne, die dit ambt bekleedt.

foto 8 (Small)
De Sint-Donaaskerk op de kaart van Marcus Gerards, 1562

Hier verschijnt Galbert ten tonele. Hij is een geestelijke, ambtenaar van de grafelijke administratie en Bruggeling. Als secretaris-klerk kent hij de lokale politieke scene door en door. Hij is waarschijnlijk geen priester, maar heeft wel een goede opleiding als geestelijke gekregen. Hij is verbonden aan de Sint-Donaaskerk. Bertulf, de proost van het kapittel van kanunniken, is dus zijn baas.

Galbert van Brugge, de vlijtige klerk, beslist om de dramatische gebeurtenissen tijdens de periode 1127-1128 heel nauwkeurig neer te pennen. Hij doet dat in het Latijn, onder de titel ‘Over de verraderlijke moord op Karel, de roemrijke graaf van Vlaanderen’, in de wandelgangen vandaag het dagboek van Galbert van Brugge genoemd.

foto 9 (Small)
Laatste bladzijde van de 17de-eeuwse kopie van Galberts dagboek, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (hs. 570)

Galbert, de alerte ooggetuige

Wat is nu de aanleiding voor de steekvlam die de stad voor twee jaar in lichterlaaie zet?

Het verhaal start bij Bertulf. Al ruim 36 jaar vervult hij de kanseliersfunctie. Niet zonder slag of stoot. De clan der Erembalden is van zeer bescheiden afkomst. Ze heeft het statuut van horige of onvrije. Toch weet de listige en bekwame Bertulf op te klimmen en zijn zonen aan verschillende hoge posten te helpen. Hij overleeft drie graven en bouwt tegelijk zijn machtspositie verder uit, vaak op een onorthodoxe of ongeoorloofde manier.

foto 6
De 12de-eeuwse funderingen van het koor van de Sint-Donaaskerk, opgegraven in 1986. Vandaag zijn ze geïntegreerd in de kelders van het Crown Plaza Hotel, foto: http://www.erfgoedbrugge.be

Zijn buitensporige macht, invloed en misbruiken werken intimiderend. Jarenlang durft niemand het tegen Bertulf op te nemen. Ook de graaf, Karel, twijfelt lang over de manier waarop hij zijn proost tot de orde wil roepen. Hij besluit het – vrij ongebruikelijk – juridisch aan te pakken. Waar de tendens in Europa is om de onvrijen in de samenleving een plaats te geven, wil Karel dit nu juist tégen de Erembalden gebruiken.

In het nauw gedreven gaat de Erembaldenclan over tot de meest drastische daad. Ze steken de diep in gebed verzonken graaf neer in de Sint-Donaas. De moord op Karel de Goede veroorzaakt een schokgolf in Brugge: de oude en de nieuwe elite botsen frontaal.

foto 1 (Small)
Portret van Karel de Goede, 15de eeuw, Sint-Salvatorskathedraal Brugge, foto: Paul Hermans (publiek domein)

Maar het gaat verder dan dat. Reeds twee dagen later bereikt het bericht Londen en het Franse Laon. In het licht van de strijd tussen Engeland en Frankrijk is het welvarende Vlaanderen belangrijk. Karel sterft zonder rechtstreekse erfgenaam of opvolger. Beide landen proberen een graaf naar voren te schuiven in hun eigen belang. De Franse koning Lodewijk VI trekt aan het langste eind en slaagt erin om Willem Clito aan het hoofd van het graafschap te plaatsen tegen de economische belangen van de op Engelse wol gerichte textielproductie van de steden in. De Engelse koning reageert en steekt middels steekpenningen de lont aan het kruitvat. In 1128 breekt in Gent een opstand tegen de graaf uit die escaleert tot een burgeroorlog. Willem Clito is aan de winnende hand maar sneuvelt dan onverwacht in de strijd. De weg ligt open voor het huis van de Elzassers. Met Diederik en later Filips beginnen Brugge en Vlaanderen aan een nieuwe en dynamische periode.

foto 7
Op de plaats waar (volgens de overlevering) Karel de Goede zou zijn vermoord, stond tot 2002 een maquette van de Sint-Donaas. De maquette maakte plaats voor het paviljoen van Toyo Ito en werd niet teruggeplaatst wegens historisch niet correct, foto: http://www.erfgoedbrugge.be

De gevolgen van de strijd zijn niet gering. Brugge wordt naar uitzicht een échte stad: door de oorlogsdreiging krijgt ze een eerste omwalling, grachten en poorten, waardoor ze zich onderscheidt van het platteland. Ook in de geesten ontstaat een soort van nieuw stedelijk bewustzijn. Men dwingt de graven – zowel Willem Clito, als later Diederik van de Elzas – tot het verlenen van vrijheidscharters of keuren die de vrijheden en voorrechten van de Bruggelingen waarborgen door onder andere de oprichting van een eigen schepenbank.

Galbert, de auteur van een schamel boekske

Het dagboek van Galbert leest vandaag als een heel persoonlijk verslag van een cruciale periode in de Brugse en Vlaamse geschiedenis. Als notarius geeft hij de feiten niet alleen zo exact mogelijk weer, Galbert verwoordt ook – vaak in niet mis te verstane bewoordingen – zijn visie op de verbazingwekkende gebeurtenissen die hij persoonlijk meemaakt.

foto 4 (Small)
In 1882 verklaart de paus Karel de Goede zalig. Twee jaar later plaatst men in de Sint-Salvatorskathedraal dit neogotische reliekschrijn van Karel de Goede.

 

Dat we over de drama’s rond de dood van Karel de Goede goed geïnformeerd zijn door een dagboek van een opmerkzame en scherpzinnige ooggetuige, is uitzonderlijk én uniek in de 12de-eeuwse Europese cultuurgeschiedenis. Galbert van Brugge is een van de zeldzame intellectuelen die hun tijd ver vooruit zijn. Zoals zo vaak komt het belang van zijn werk pas later aan het licht en groeit daarmee ook de appreciatie.

Hij begint te schrijven zodra het drama in maart 1127 losbarst. Hij registreert de momenten zoals hij ze meemaakt of hoort van anderen. Eerst heet van de naald, op wastafeltjes, daarna in een duurzaam perkamenten boek. Zijn oorspronkelijke manuscript is verloren gegaan. Wel zijn er drie kopieën uit de 16de en 17de eeuw bewaard gebleven, waarvan de Brugse Openbare Bibliotheek er één in bezit heeft. Galbert vertelt dat hij soms in moeilijke en angstige omstandigheden zijn aantekeningen maakt. Hij vult zijn tekst nauwelijks aan en herziet hem amper. Zo kunnen we de feiten bijna van dag op dag volgen.

foto 5 (Small)
Onder impuls van Adolf Duclos komt het op het einde van de 19de eeuw tot een korte maar krachtige cultus rond Karel de Goede. In 1884 komt een massa volk naar de Karel de Goede-feesten kijken.

Toch krijgt Galbert in zijn tijd amper waardering voor zijn werk. Hij wordt zelden geciteerd of gekopieerd. Deels komt dit door het besloten karakter van de tekst, letterlijk dan: Galbert heeft niet de bedoeling hem te delen en te verspreiden. Integendeel. Anderzijds speelt ook zijn ‘avantgardistisch’ karakter een rol. Galbert schrijft met zijn dagboek immers iets wat hem tot een buitenbeentje maakt. Zijn schrijfsels eindigen ook, tegen de heersende traditie in, met onzekerheid en vertwijfeling. Zijn lectuur zit boordevol giftige bedenkingen over de personen en gebeurtenissen die hem op dat moment aan zijn wereldbeeld laten twijfelen. In de voorrede klinkt het zo:

’Daarom vraag ik met klem aan wie dit dor geschreven, schamel boekske in handen krijgt, daar niet smalend om te lachen, maar zich te verwonderen, met een ongekende verwondering, over wat geschreven staat en wat zich, door Gods beschikking, slechts in onze tijd heeft voorgedaan.’

Hij beseft dat zijn werk niet voldoet aan de toenmalige literaire eisen en verontschuldigt zich voor de onvolmaaktheid ervan door te wijzen op het belang van de inhoud. Iets wat we eeuwen later alleen maar kunnen beamen want vandaag is het dagboek van Galbert een van de belangrijkste bronnen voor de quasi schriftloze 12de eeuw in Brugge.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Meer weten?

Raoul Van Caenegem en Albert Demyttenaere. De moord op Karel de Goede, Leuven, 1999.

Marc Ryckaert, André Vandewalle e.a., Brugge, de geschiedenis van een Europese stad, Tielt, 1999.

Valentin Vermeersch (red.), Brugge en Europa, Antwerpen, 1992.

Het exemplaar van het dagboek van Galbert uit de 17de eeuw dat in bezit is van de Openbare Bibliotheek van Brugge kan je on-line consulteren via Flandrica.

Zicht op de Handelskom in Brugge van Hendrik van Minderhout

De ligging op het kruispunt van land- en waterwegen brengt Brugge veel welvaart. Als in de late middeleeuwen de verbinding met de zee via het Zwin verzandt, draagt dit dan ook bij aan het verval van de stad. Maar in de daarop volgende eeuwen blijven de Bruggelingen ijveren voor een verbinding met de zee.

Deze verbinding creëren is een ware strijd tegen de natuurelementen. Tot het einde van de 16de eeuw volhardt men in het uitbaggeren maar er worden ook andere initiatieven genomen zoals het graven van de Verse Vaart in het tracé van het Oude Zwin tot net voorbij Damme. Het stadsbestuur wil aan de buitenwereld duidelijk maken dat Brugge nog steeds troeven heeft als handelsstad. Het vraagt aan Marcus Gerards een kaart van de stad en haar omgeving te graveren. Om de goede positie als handelsstad te benadrukken neemt Gerards, in opdracht van het bestuur, een loopje met de waarheid: hij tekent Brugge veel dichter bij de zee dan in werkelijkheid. Van Minderhouts ‘Zicht op de Handelskom’ is waarschijnlijk ook zo’n propagandamiddel.

0000.GRO0176.I
Hendrik van Minderhout, Zicht op de Handelskom in Brugge, circa 1665, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO0176.I), (c) Lukas – Art in Flanders vzw, foto: Hugo Maertens

Graafwerken

De aartshertogen Albrecht en Isabella starten met het herstellen van de Vlaamse havens en het graven van nieuwe verbindingen tussen Gent, Brugge, Oostende, Nieuwpoort en Duinkerke. Zo komt er het kanaal Brugge-Gent dat in 1623 geopend wordt. Ondertussen werkt men ook al aan de verdere verbinding Brugge-Oostende. Dit is geen nieuw kanaal maar een uitdieping en verbreding van de bestaande Ieperleet tot Plassendale. Vandaaruit graaft men een nieuw recht stuk naar Oostende. Zo is Brugge weer een belangrijke schakel in het kanalennetwerk met een verbinding naar de zee, en als doorgangshaven voor goederen die landinwaarts moeten. Dit alles betekent ook nog eens een stevige stimulans voor de verwerkende nijverheden in de stad.

kaartje handelskom
Waterwegen in en om Brugge, kaart: Elien Vernackt

Op het einde van de Oostendse Vaart legt Brugge in 1664 een grote havenkom aan. Brugge ziet het groots en is er zeker van: de middeleeuwse gloriedagen komen er weer aan. De Handelskom wordt uitgebouwd met kades, scheepswerven en opslagruimtes. Ter gelegenheid van de ingebruikname van de Handelskom in 1665 laat het stadsbestuur (opnieuw) een plaat graveren om Brugge als handelsplek te promoten. Bovenaan zien we een zicht op de stad vanuit het noorden met op de voorgrond een met schepen gevulde Handelskom. In het midden is het noorden van de binnenstad getekend met de vestingen tussen de Dampoort en Ezelpoort, de in Vaubanstijl versterkte Handelskom en de Oostendse Vaart. In het onderste deel zien we de Oostendse Vaart tussen Brugge en Oostende. Samen promoten de drie delen de perfecte bereikbaarheid van de stad.

Stedenatlas_London British Library
Cornelis van Caukerke, Bruga Flandrorum Urbs et Emporium Mercatu Celebre, 1665, coll. British Library Londen, bron: Brugge. Historische Stedenatlas van België

 

Schilderwerken

Hendrik van Minderhout schildert een gelijkaardig zicht. Van Minderhout woont in Brugge en als specialist in maritieme taferelen schildert hij ook de Brugse Handelskom. Op de achtergrond zien we het panorama van de stad: het belfort, de O.L.V.-kerk, de torens van Sint-Gillis, Sint-Jakobs en het seminarie zijn duidelijk te herkennen. Op de voorgrond liggen enkele grote zeeschepen die rijkelijk opgetuigd zijn. Op de kade loopt een geitenhoedster en stopt een door paarden getrokken koets. Ook op de schepen is het een drukte van jewelste. Vanop het schip de Viva Vlanderen wordt zelfs een schot gelost.

Helemaal rechts onderaan zien we de Oostendse Vaart waarlangs zeeschepen van wel 400 ton Brugge kunnen bereiken. Net als tijdens de hoogdagen van de 14de en 15de eeuw trekt in het midden via de Lange Rei een stoet aan witte zeilen de stad in om in het centrum goederen te lossen.

loop van de Reie_SAB_detail2
Schepen naderen de Poortersloge, detail uit: De loop van de Reie van de Poortersloge tot de Dampoort, 16de eeuw, coll. Stadsarchief Brugge (Oud Archief, reeksnr. 107, Kaarten en plannen, nr. 88bis), foto: Hugo Maertens

Laden en lossen

De tollijsten van de Oostendse Vaart vertellen ons om welke goederen het gaat: wijn en brandewijn uit Bordeaux, boter uit Dublin, tarwe, haring en kaas uit Rotterdam, rogge en kaas uit Amsterdam, drapperiestof, kalfsvellen, konijnenpels, galnoten, katoen, lijm en boter uit Londen, vijgen en brandewijn uit Duinkerke, wijn uit Calais, lood en tin uit Rouen, oesters uit Engeland, brandewijn en haring uit Oostende, wijn uit Nantes, zout uit Sluis, aardewerk uit Keulen… Ook gezouten zalm en vlees, tabak, granaatappels, kolen en lijm worden telkens in grote hoeveelheden getransporteerd. In omgekeerde richting vertrekken vanuit Brugge vooral producten uit de textielsector zoals saai, lijnwaad, damast, fustein en kant.

0000.GRO0176.I_geiten en koets
Geitenhoedster en koets, detail uit: Hendrik van Minderhout, Zicht op de Handelskom in Brugge

Vandaag staan aan de handelskom nog steeds pakhuizen, maar die zijn pas later gebouwd, wanneer de aanleg van de Coupure en de ringvaart de handelskom nieuw leven inblaast. De oudste pakhuizen worden na WOII gesloopt voor de uitbreiding van de Gistfabriek. Het resterende pakhuis is dan ook een unieke getuige van het economisch verleden van Brugge in de 17de en 18de eeuw. Een stukje erfgoed dat ook erfgoed(behoeders) herbergt: de Erfgoedcel en de archeologische dienst Raakvlak hebben er hun kantoren en de archeologische vondsten en de steencollectie van Musea Brugge vonden er onderdak.

Pakhuizen_SAB_FO A20697_voor 1950
De pakhuizen aan de Handelskom die moesten wijken voor de Gistfabriek en de brandweerkazerne, coll. Stadsarchief Brugge (FO/A20697)

Meer weten?

Hans Vlieghe, Catalogus schilderijen, Stedelijke Musea Brugge, 17-18de eeuw, Brugge, 1994.

http://www.ethesis.net/brugse-haveninfrastructuur/haveninfrastructuur_hfst_1.htm

Jean Luc Meulemeester, Van Brugge naar de zee, wel via Plassendale, in: Vlaanderen, jg. 49 (2000), p. 164-171.

Marc Ryckaert, Brugge. Historische stedenatlas van België, Brussel, 1991.

Huisje in de zon van Joseph Willaert

Een eigen plek, een huisje in de zon, en altijd iemand in de buurt die van me houden kon… Wat heeft deze vrije adaptatie van de hit van René Froger met de geschiedenis van Brugge te maken? Niets, behalve dat we zo een brugje kunnen maken naar de eerder banale titel van een werk van Joseph Willaert: ‘Huisje in de zon’. Soms is het sterker dan onszelf…

Dit toch eerder monumentale werk is een vijf meter lang schilderij dat de voorgevel van een huis weergeeft, een fermetje zeg maar. Maar het is ook een installatie, want voor de geschilderde panelen liggen beschilderde betontegels op de grond. Het werk dateert van 1968 en maakt deel uit van de collectie van het Groeningemuseum (1974.GRO0032.I). Het is een aanwinst na de derde Triënnale voor Plastische Kunst in België in 1974.

Bryggium en Triënnale

De eerste Triënnale wordt georganiseerd in 1968, maar heeft al een voorloper met Bryggium in 1966. De Triënnales voor hedendaagse kunst en architectuur van 2015 en 2018 slaan een brug naar de vroegere Triënnales voor actuele kunst die in 1968, 1971 en 1974 op enige controverse mogen rekenen. In tegenstelling tot de huidige edities die in de openbare ruimte van de Brugse binnenstad plaatsvinden, zijn die vroegere Triënnales binnententoonstellingen waarvoor je moet betalen. De eerste twee vinden plaats in de stadshallen, de derde in de nu net afgebroken Beurshal.

Triënnale 1, Binnenzicht in de stadshallen
Zicht op de tentoonstellingszaal van Triënnale 1, 1968

De appreciatie voor hedendaagse kunst is in de jaren 60-70 in Brugge (en daarbuiten) soms ver te zoeken. En de kunstenaars zelf schuwen bovendien de controverse niet. Toch heeft Brugge, hoe hard het ook blijft vasthouden aan haar middeleeuwse imago, ook altijd een hedendaagse kunstscène gehad, met voortrekkers als Jaak Fontier, Gaby Gyselen en een schepen als Fernand Traen. Zij delen met een handvol anderen de overtuiging dat oude en nieuwe kunst elk een eigen waarde hebben en allebei hun toonplekken moeten krijgen. De Triënnales moeten een hefboom worden voor een museum voor actuele kunst, zoals Karel Geirlandt er toen een in Gent samenstelde. Het resultaat daarvan is het S.M.A.K.. In Brugge is dat museum er nooit gekomen.

TRIE1 met mosselpot van Broodthaers
Zicht op de tentoonstellingszaal van Triënnale 2, 1971 met vooraan de iconische ‘Mosselpot’ van Marcel Broodthaers

Vanaf de eerste Triënnale is Willy Van den Bussche, als conservator bij de provincie West-Vlaanderen, lid van het uitvoerend comité. Dankzij hem en Diensthoofd voor Cultuur Gaby Gyselen komt er wel een provinciale collectie van actuele kunst. Via de driejaarlijkse tentoonstelling wordt die telkens uitgebreid met nieuw werk. De collectie vindt echter geen plaats in Brugge. Na een tussenstop in Ieper komt ze terecht in de voormalige COO-warenhuisgebouwen in de Romestraat in Oostende. De fundamenten voor het P.M.M.K., nu Mu.Zee,  zijn dus eigenlijk voor een groot gedeelte tijdens de Brugse Triënnales gelegd, met een samenwerking tussen de stad Brugge en de provincie West-Vlaanderen. Lezers die de oude catalogi in hun boekenkast hebben staan en af en toe naar Oostende afzakken, herkennen in de permanente opstelling zeker een aantal werken van Raveel, Verduyn en anderen.

 

TRIE3 Mahieu reclamezuil rondpunt BETERE VERSIE.jpg
Informatiezuilen op de rondepunten in Brugge behoorden in 1974 al tot de communicatiemix!

Maar ook de verzameling van het Groeningemuseum maakt een inhaalmanoeuvre richting 20ste eeuw. Ook hier zijn de Triënnales een bron van inspiratie. Met de aanstelling van conservator Dirk De Vos in het Groeningemuseum komt ook expertise over en interesse voor actuele kunst binnen. De Vos maakt deel uit van de selectiecomités van de tweede en derde Triënnale.

Vlaamse pop art

Maar terug naar Joseph Willaert en zijn ‘Huisje in de zon’. Het werk straalt een zekere naïviteit uit, geïnspireerd op de pop art maar dan met een Vlaamse landelijke invalshoek. Voor de catalogus van de derde Triënnale van 1974 worden alle kunstenaars gevraagd een eigen statement te schrijven over hun werk. Willaert schrijft een aandoenlijke brief waarin hij zijn burgerlijke staat beschrijft en zijn jongste ekspositie (sic). Over zijn werk wil hij eigenlijk niets kwijt.

“Men vraagt me wat te schrijven over mijn werk. Maar de mededeling van mijn kunst is een geheimpje en ik zal het ook nooit verklappen. Ten andere het zou u niet helpen. U moet het zelf ontdekken. Het plezier zal ook veel groter zijn wanneer u het zelf zult gevonden hebben.”

Twee jaar later maakt Willaert (1936-2014) deel uit van de Belgische selectie voor de Biënnale van Venetië. Misschien kent u hem ook van de beschilderde muurbogen van het Brusselse metrostation Clemenceau.

Witte zwanen, zwarte zwanen, Brugse zwanen

raveel

Het Groeningemuseum bezit ook een vroeg werk van Roger Raveel, dat tijdens de voorloper van de Triënnales, Bryggium, in 1966 te zien was: ‘Man op de rug gezien’ (1952). De Bryggiumwerken blijven na de tentoonstelling in depot, om uiteindelijk een keuze te maken voor aankoop. Pas twee jaar later beslist het stadsbestuur om tot aankoop over te gaan. Na lang aandringen op enig nieuws van Raveel…

Roger Raveel is trouwens de enige kunstenaar die zowel deelneemt aan de Triënnales als aan Bryggium. Tijdens zijn derde passage, op de tweede Triënnale, is hij de enige die een werk in de openbare ruimte wil zetten. Zijn Brugse Zwanen worden een vaudeville van formaat. De dobberende kunstwerken worden tot driemaal toe geplaatst en verwijderd. Het stadsbestuur is woest: het werk drukt hen met de neus op de sterk vervuilde Reie. En Raveel, die is geamuseerd en ontstemd tegelijk. Hij kan de ingreep in zijn artistieke installatie niet appreciëren en beweert dat hij zich absoluut niet van de vervuiling bewust was. Laat staan dat hij met zijn werk een statement wou maken. Enkele jaren later zijn de Reien wel gesaneerd en mag men tijdelijk zwemmen in de Reie.

Raveel en Willaert zijn niet de enige kunstenaars die na de Triënnales hun weg vinden naar de Groeningecollectie. Ook schilderijen van Gilbert Swimberghe, tekeningen van Dan van Severen, werk van Raoul Dekeyser en Marcel Maeyer krijgen er een plaats.

26135022870_d78abb76d8_o (1) (Small)
‘Huisje in de zon’ in de tentoonstelling ‘Allesbehalve Alledaags’ in het Groeningemuseum (2016)

Liquid City

Morgen gaat de Pre-Triënnale 2017 van start, de aanloop naar de Triënnale van 2018. De kunstenaars van de jaren 60-70 bewogen zich in een wereld in transitie: van de vrijheid blijheid, flower power en de wetenschapsvooruitgang uit de jaren ’60 naar de Vietnam- en oliecrisis van de vroege jaren ’70. De media drukten hen met de neus op de wereld en zijn problemen. De schaalvergroting die de informatiestroom toen te verwerken kreeg, is niet meer gestopt. En ook niet meer bij te houden. Geen wonder dat sommige sociologen, met Zygmunt Bauman als een van de meest toonaangevende, een pessimistische kijk op de samenleving beschrijven. De globalisering is niet alleen liquid boeiend en bruisend, maar vooral ook beangstigend. De cirkel is bijna rond. Van het wegvluchten van onder de kerktoren, de wijde wereld in is de slinger teruggekeerd naar meer lokaal, knus en gezellig met vrienden en familie bij elkaar. En opnieuw een beetje wantrouwig tegenover de onbekende andere. Als thema van Triënnale Brugge 2018 is Liquid City is dan ook helemaal actueel. Het aftellen is begonnen!

Meer weten?

Bryggium, Catalogus, Brugge, 1966.

Eerste Triënnale voor Plastische Kunst in België, Brugge, 1968.

Tweede Triënnale, Brugge, 1971.

Triënnale 3. Informatieve tentoonstelling van hedendaagse kunst in België, Brugge, 1974.

De Pre-Triënnale 2017 gaat van start op 1 juli. Het URB EGG-café is dit jaar te vinden in het park tussen het station en de Boeveriepoort. Er is een uitgebreid cultureel en culinair programma uitgewerkt voor de hele zomer. Bij gunstig weer komt er ook een performance van de visionaire kunstenaar en architect Tomás Saraceno (AR).