De harturne van Filips de Schone

Het lijkt een banaal loden kistje, niet groter dan 9,6 x 9 x 5,4 cm. Maar als je de tekst op de bovenzijde leest, wordt het een object dat je raakt. In dit loden kistje zat het hart van Filips de Schone, die op 25 september 1506 overleed. Het werd begraven in het graf van zijn moeder, Maria van Bourgondië.

Grafschennis

Filips is het oudste kind van Maria van Bourgondië (1457-1482) en Maximiliaan van Oostenrijk (1459-1519). Aan het huwelijk van Maria en Maximiliaan komt bruusk een einde wanneer Maria sterft na een val van haar paard. Ze is pas 25 jaar.

Maria van Bourgondië krijgt een schitterend praalgraf in het hoogkoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge. Later krijgt ook haar vader Karel de Stoute (1433-1477) er een praalgraf, naast zijn dochter. Maria’s lichaam ligt in een kist onder het praalgraf. Of althans toch gedurende circa vijfhonderd jaar…

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Rond 1800 breekt men Maria’s graf open en wordt het geschonden. Vaak is gezegd dat dit gebeurt in de jaren 1790 door Franse revolutionairen. In die dagen worden immers heel wat kerkelijke bezittingen bedreigd, zoals ook blijkt uit verhaal van het Heilig Bloed. Ondertussen is echter een tekst opgedoken, waarin beschreven staat dat de toegang tot het graf op 25 juni 1803 ‘per ongeluk’ opengebroken wordt. Men maakt van de gelegenheid gebruik om Maria’s kist in stukken te breken om het lood te kunnen verkopen. Haar beenderen gooit men door elkaar in de grafkelder. Op dat ogenblik vindt men ook de loden harturne van Filips de Schone. Ze wordt opengebroken en in de grafkelder gesmeten.

Maar wat doet de harturne daar eigenlijk?

Waanzinnig verliefd

Filips wordt op 22 juni 1478 geboren in het Prinsenhof te Brugge. Als oudste zoon (na Filips volgt nog een dochter, Margaretha) is hij de troonopvolger van hertogin Maria van Bourgondië én van keizer Maximiliaan van Oostenrijk. Als Maria overlijdt in 1482 wordt de vierjarige Filips heerser van de Bourgondische Nederlanden. Zijn vader Maximiliaan neemt het regentschap voor hem waar.

Johanna en Filips
Meester van het leven van Jozef, Het laatste oordeel (Triptiek van Zierikzee) met op de zijluiken Filips de Schone en Johanna de Waanzinnige, 1495-1506, collectie KMSKB Brussel

In 1496 huwt Filips met Johanna van Castilië, later bekend (of berucht) als Johanna de Waanzinnige. Ze ontmoeten elkaar in Lier. Volgens de overlevering is het liefde op het eerste gezicht. Ze krijgen zes kinderen, van wie de bekendste zonder twijfel de latere Keizer Karel is. Filips wordt door zijn huwelijk ook koning van Castilië nadat zijn schoonmoeder in 1504 overlijdt. Zijn lijstje met gebieden en titels tikt dus aardig aan. Uit geschriften weten we dat Filips een aantrekkelijk, charmant en goedgemutst heerschap is. Vandaar zijn bijnaam ‘de Schone’. Aan vrouwelijke aandacht heeft hij geen gebrek. Niet makkelijk voor zijn echtgenote Johanna, die volgens de legende ziekelijk jaloers is.

In 1506 sterft Filips na een korte ziekte in Spanje. Een longontsteking? Vergiftiging? Vele verhalen doen de ronde… Johanna wordt waanzinnig van verdriet.  Het lichaam van Filips wordt gebalsemd en in een loden kist gelegd. Gedurende jaren zal Johanna niet van de lijkkist wijken. Regelmatig laat zij de kist openen zodat men kan bevestigen dat het lichaam van haar man erin ligt.  Sommigen zeggen dat ze de kist op haar slaapkamer bewaart en deze opent in de hoop dat Filips weer tot leven komt. Ze neemt het lichaam mee op een reis van meer dan een jaar langs verschillende kerken. Uiteindelijk eindigt de reis voorlopig in 1509 in de kerk van het Clarissenklooster  van Tordesillas. De kist wordt bij het hoogaltaar geplaatst en Johanna verblijft in het paleis in de stad. De facto sluit men haar er na verloop van tijd op – men noemt haar krankzinnig…Pas in 1525 krijgt Filips zijn definitieve rustplaats in  Granada. Daarmee voert Keizer Karel de wil van zijn vader uit.

Granada-Capilla_Real-8-Sepulcro_de_Felipe_I_y_de_Juana_la_La_Loca_(Bartolomé_Ordóñez)
Graf van Filips de Schone en Johanna de Waanzinnige, Capilla Real, Granada

Rond het overlijden van Filips en de reactie van Johanna zijn vele verhalen en versies ontstaan. Hoeveel daarvan waar is en hoeveel daarvan gefabriceerde geschiedenis is door de machtige mannen in de buurt van Johanna: dat is niet altijd even duidelijk…

Mijn hart behoort mama toe

Terug naar het moment van overlijden. Bij Filips’ dood, haalt men zijn hart uit zijn lichaam. Het wordt gebalsemd en in een loden kistje geplaatst. Het is immers een oude vorstelijke traditie bij de Bourgondiërs om het hart van de kinderen in het graf van hun moeder te plaatsen.

Jan_II_Borman_en_Reinier_van_Thienen_-_Isabella_van_Bourbon_(1436-1465)_-_M_-_Museum_Leuven_23-11-2013_15-32-16
Jan II Borman en Renier van Thienen, Grafbeeld van Isabella van Bourbon, 1436-1465, collectie M Museum Leuven

Het hart van Maria van Bourgondië lag in de Sint-Michielsabdij te Antwerpen begraven in de grafkelder van haar moeder, Isabella van Bourbon. Dit graf wordt geschonden tijdens de beeldenstorm van 1566. Op zijn beurt laat Filips de Schone testamentair bepalen dat zijn eigen hart bij zijn moeder in de Brugse Onze-Lieve-Vrouwekerk moet worden geplaatst. Zijn zus, Margaretha van Oostenrijk, laat zijn wens uitvoeren. Dit gebeurt op 31 juli 1507. Op de bovenkant van de harturne staat een Latijnse tekst die vermeldt wat de inhoud van het kistje is. De harturne blijft in Maria’s graf tot de grafschennis.

1979_harturne_3_Dominique Provost_A4 72

Het hart van de grootmoedigste en onoverwinnelijkste prins Filips, koning van Castilië, Léon en Granada, prins van Aragon en van de beide Siciliën en Jeruzalem, aartshertog van Oostenrijk, hertog van Bourgondië en Brabant, graaf van Vlaanderen, enzovoort, die stierf in Burgos in Spanje, in het jaar des Heren 1506 op de vijfentwintigste dag van september. Bidt voor hem. Vertaling van de tekst op de harturne

Tijdens de archeologische opgraving in 1979 waarbij de resten van Maria van Bourgondië worden gevonden, vindt men ook de loden harturne terug. De stoffelijke resten van Maria legt men in een nieuwe kist, gemaakt naar een tekening van Pieter Ledoulx uit 1803. Van de harturne maakt men een kopie die op de kist van Maria van Bourgondië wordt gezet. De originele urne behoort tot de collectie van Raakvlak, de archeologische dienst van Brugge en Ommeland.

Meer lezen?

Hubert De Witte e.a., Maria van Bourgondië, Brugge. Een archeologisch-historisch onderzoek in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, Brugge, 1982.

Paul Vandenbroeck en Miguel Ángel Zalama, Filips de Schone. De schoonheid en de waanzin, Brugge, 2006, blz. 195-210.

Het fotoalbum van de Brugeoise

In de 19de en vroege 20ste eeuw is Brugge niet bepaald een industriestad. Toch zijn er enkele bedrijven gevestigd die een meer dan lokaal of regionaal belang hebben. Vooral een ervan groeit uit tot een heuse wereldspeler: het metaalverwerkend bedrijf La Brugeoise.

Groei

De geschiedenis van de firma begint in 1854, wanneer de Brugse ijzerhandelaar Jozef De Jaegher een ijzergieterij opstart, eerst in de Ezelstraat en later in de Raamstraat. De onderneming groeit snel en specialiseert zich in de bouw van spoorwegmaterieel en metalen gebinten. Tegen het einde van de 19de eeuw werken er meer dan vijfhonderd arbeiders.

178AD_1 (Small)
Album La Brugeoise, collectie Westflandrica

In 1902 gaat het even mis. Een tegenvallende conjunctuur en iets te gewaagde buitenlandse investeringen brengen het bedrijf op de rand van de afgrond. Maar vers kapitaal en een nieuwe directie zorgen voor een geslaagde doorstart onder de naam Société anonyme La Brugeoise. Ten zuiden van de stad, op het grondgebied van Sint-Michiels, bouwt men tussen het kanaal en de spoorweg naar Gent een nieuwe fabriek. In 1905 wordt ze in gebruik genomen. Weldra is er 1500 man aan de slag. In de loop van de 20ste eeuw groeit het bedrijf verder, mede dankzij een aantal fusies. In 1986 gaat La Brugeoise op in de Canadese groep Bombardier.

Wijf, wilt ge  nu wat weten? ’t Is uitgesproken en beslist: de brug komt er! Maar dàt is ’t ergste niet, – weet ge wàt?… Ons huis vliegt weg!

Heden in de aanbieding

De specialisatie blijft lange tijd dezelfde: rollend spoorwegmaterieel (ook trams) en ijzeren

178AD_4 (Small)
Album La Brugeoise, Gebinte (systeem Vierendeel) voor de kerk in Dadizele, collectie Westflandrica

of stalen gebinten, waaronder bruggen. Bij deze bruggen zijn er ook zogenaamde Vierendeelbruggen, een speciaal type vakwerkbrug dat ontwikkeld is door de Belgische ingenieur Arthur Vierendeel (1852-1940), een grote naam in zijn vak. De voormalige Scheepsdalebrug in Brugge, die in 2009 gesloopt werd, was van dit type en werd gebouwd door de Brugeoise.

Om het bedrijf meer bekend te maken en aan te prijzen bij potentiële klanten, laat de directie van La Brugeoise foto’s maken van de verschillende producten. Die worden gebruikt in gedrukte catalogi. In 1908 — drie jaar na het in gebruik nemen van de nieuwe fabrieksgebouwen — stelt men zelfs een album samen met originele foto’s.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Op hoeveel exemplaren dit album verscheen, is niet bekend. Het exemplaar dat bewaard wordt in Westflandrica, de Provinciale Erfgoedbibliotheek telt niet minder dan 77 zwart-wit

FO-B00280_17091908_Stadsarchief Beeldbank
Prentkaart van de eerste foto uit het Album La Brugeoise, Beeldbank Brugge, collectie Stadsarchief Brugge

foto’s op groot formaat, van hoge professionele kwaliteit en op stevig karton gekleefd. Alles is ingebonden in een mooi album van oblongformaat (25,5 x 34 cm). De titel luidt: La Brugeoise. Usines métallurgiques. Société anonyme. Saint-Michel-lez-Bruges (Belgique). Het album is niet gedateerd, maar bij de eerste foto luidt het bijschrift, dat in een zorgvuldig handschrift is toegevoegd: ‘Sortie du personnel, vue prise le 17 septembre 1908’ (het personeel verlaat de fabriek, foto genomen op 17 september 1908).

Middelerwijl was het werk aan de brug in volle bedrijf; den dag lang klopten en hamerden de arbeiders het ijzer; zware stukken werden met klinknagels en bouten samengevoegd, en het metalen geraamte groeide tot een schoon geordend geheel.

Amerika – Azië – Avelgem

Voor de foto’s van het bedrijf zelf, de eerste negen foto’s in het album, maken de samenstellers een selectie uit een fotoreportage van de Brugse fotograaf Alfons Watteyne sr. Een van deze foto’s verschijnt later ook als prentkaart.

Na de voorstelling van de fabriek volgt een foto van de stand op de wereldtentoonstelling van Milaan in 1906. Deze vindt plaats naar aanleiding van de opening van de Simplontunnel, waarmee een spoorverbinding tussen Parijs en Milaan voltooid wordt.

Daarna volgt een ruime staalkaart van de productie van de fabriek. Het hoofdaccent ligt op het spoorwegmaterieel: goederen- en personenrijtuigen voor zowel Belgische als buitenlandse maatschappijen (in Italië, Argentinië, Brazilië, India, China, Spanje…) en trams. De rijtuigen zijn vermoedelijk allemaal op de terreinen van de fabriek gefotografeerd. In een aantal foto’s zijn de fabrieksgebouwen nog zichtbaar. In andere retoucheert men de achtergrond bij de afdruk weg om een neutraler beeld te krijgen.

178AD_3
Album La Brugeoise, Belgische spoorwegen – wagon 2de klasse, collectie Westflandrica

Daarna volgen foto’s van een aantal andere metaalconstructies, hoofdzakelijk ontworpen door Vierendeel. Metalen (spoorweg)bruggen volgens het Vierendeelprincipe vinden hun weg naar Charleroi, Marchienne-au-Pont, Dendermonde, Brazilië en China. De bekendste brug uit de reeks is ongetwijfeld de brug over de Schelde in Avelgem, een belangrijke inspiratiebron voor Stijn Streuvels’ roman De Teleurgang van de Waterhoek (1927). Ten slotte bevat het album ook foto’s van andere metalen constructies: een schachtbok voor een kolenmijn en een metalen koepel voor een gebouw in Brazilië, de spits van de nieuwe kerk in Dadizele en een gasometer in Brugge.

De bedoeling van de samenstellers van het album is duidelijk: een zo ruim en gevarieerd mogelijk beeld geven van het bedrijf, zijn productie en de realisaties in binnen- en buitenland.

De brug lag er nu – prachtige prestatie – horizontaal vlakke lijn, over de ruimte gestrekt, de twee uiteinden alleen op de pinnen der voetstukken gesteund, – in vorm en bouw tot het uiterst noodzakelijke herbracht, streng en adequaat als de uitkomst eener stelkundige berekening (…). De Schelde bleef gedoezig, haar water dreef er kalm onder door, als voorheen, kronkelend in de wijde uitgestrektheid der groene meerschen, onder ’t hoog gewelf van den blauwen hemel.

Het fotoalbum raadplegen?

Neem contact op met Westflandrica, de Provinciale Erfgoedbibliotheek.

Meer lezen?

Jan D’hondt, Industrialisatie: het voorbeeld van La Brugeoise, in: Marc Ryckaert en André Vandewalle (red.), Brugge. De geschiedenis van een Europese stad, Tielt, 1999, blz. 197.

Citaten uit: Stijn Streuvels, tekstkritische editie door Marcel De Smedt en Edward Vanhoutte, De teleurgang van den Waterhoek, Antwerpen, 1999, blz. 80, 226, 268-269.

Een ontwerp voor de Ezelpoort

Een stadspoort met spitse torentjes, kantelen én een ophaalbrug. Charles De Wulf ziet het helemaal voor zich rond 1900. De Wulf is op dat ogenblik stadsarchitect van Brugge en heeft zijn oog laten vallen op de Ezelpoort. Tussen 1897 en 1902 stelt hij een ambitieus plan op om de poort te herstellen in haar oorspronkelijke vorm.

Een plan voor de Ezelpoort

Net zoals zijn leermeester en voorganger Louis Delancenserie, grijpt De Wulf terug naar oude afbeeldingen en archiefstukken om zijn plan te onderbouwen. Voor de Ezelpoort baseert hij zich qua uiterlijke vormgeving in hoofdzaak op het plan van Marcus Gerards uit 1562. Daarmee keert hij erg ver terug in de tijd. Eigenlijk is de poort al sinds de vroege 17de eeuw verlaagd en sterk gewijzigd. Welke situatie kan men dan de oorspronkelijke noemen? Maar de Wulf maakt dus een duidelijke keuze. Hij aarzelt niet om in zijn ontwerp het monument opnieuw te vervolledigen en te idealiseren, geïnspireerd op andere gekende militaire bouwwerken.

Zowel de lokale pers als vaak gerenommeerde Brusselse tijdschriften nemen De Wulfs project fel op de korrel. Er wordt hevig gediscussieerd. De Wulf verdedigt zijn project met verve in drie publicaties. Maar toch keurt men het ontwerp uiteindelijk definitief af in 1902.

Voor de Ezelpoort is dit geen goed nieuws. De poort verkommert en pas een kleine honderd jaar later, in 1991, volgt de restauratie. Daarbij behoudt men het 17de-eeuwse uitzicht van de poort (‘consoliderende restauratie naar vorm’). Maar omdat de muren en het metselwerk in veel slechtere staat blijken dan gedacht, is men wel gedwongen deels met nieuwe materialen te werken (‘harde restauratie’). Binnen heeft men zoveel mogelijk bewaard en hersteld. En zo kan Jos van Immerseels Anima Eterna nu vanonder een prachtig 17de eeuws eikenhouten gebinte zijn muzikanten de wereld rond sturen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De restauratievisie van de Brugse stadsarchitecten

Het project rond de Ezelpoort mag dan wel afgewezen zijn, toch hebben Charles De Wulf (1862-1904) en zijn voorganger, Louis Delacenserie (1838-1909) hun stempel gedrukt op het Brugse straatbeeld. Zowel met hun restauratie- als met hun nieuwbouwprojecten dragen deze stadsarchitecten een duidelijke visie uit.

Die visie is geïnspireerd op de geschriften en de praktijk van de Franse architect Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879). Hij is de grondlegger van een restauratiemethode die op zuiver wetenschappelijke kennis is gebaseerd. Viollet-le-Duc kiest voor een integrale restauratie van het monument in zijn originele stijl. Zijn Dictionnaire raisonné de l’architecture (1854-1868) heeft grote invloed uitgeoefend op zowel Delacenserie als De Wulf. Vooral de theorieën over authenticiteit en historicisme vinden hier in Brugge, net als in vele andere Europese steden, definitief ingang. Beide stadsarchitecten zouden trouwens Europa doorkruisen om inspiratie op te doen voor de verfraaiing van ‘hun’ stad.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Politieke steun

Wat Delacenserie en De Wulf extra de wind in de zeilen geeft, is het feit dat zij volop kunnen rekenen op de steun van het stadsbestuur. Dat bestuur mikt er immers op dat het herstellen van het middeleeuwse karakter van Brugge het toerisme zal stimuleren. En dat zal dan weer zorgen voor een economische heropleving van de stad. Toerisme en de ontwikkeling van een nieuwe haven moeten Brugge terug op de kaart zetten.

De Brugse situatie onderbouwt ook die plannen. In de nasleep van de Franse revolutie is in de stad wel waardevol bouwkundig erfgoed afgebroken maar de industriële revolutie heeft de stad nagenoeg ongemoeid gelaten. De middeleeuwse gebouwen en het stratenpatroon zijn niet verstoord door fabriekscomplexen en arbeidersbuurten. De stad ligt er ongeschonden ‘middeleeuws’ bij en wordt al sinds de vroege 19de eeuw door erfgoedliefhebbers de hemel ingeprezen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De stadsarchitecten geven met hun restauratie- en nieuwbouwprojecten letterlijk vorm aan de plannen van het bestuur. Delancenserie zet enkele beeldbepalende gebouwen neer in de stad, zoals de Rijksnormaalschool, de Minnewaterkliniek en het Provinciaal Hof. Hij restaureert ook heel wat gebouwen, waaronder het Gruuthusepaleis. Zijn leerling De Wulf volgt een ietwat andere lijn. Hij heeft een voorkeur voor de Vlaamse renaissance-stijl en is meer een verfraaier. Hij smukt gerestaureerde en nieuwe gevels op met sluitstenen, ankers en windwijzers. De gevel van zijn eigen woning in de Academiestraat is daarvan een mooi voorbeeld. Net als zijn ontwerp voor de Ezelpoort…

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Meer zien?

Op 10 en 11 september is het Open Monumentendag in Brugge en kan je een aantal realisaties van Delacenserie bezoeken. De Wulf was volop bezig met de restauratie van de O.L.V.-kerk toen hij stierf; Delacenserie nam de werf over. Ook deze kerk is te bezoeken op OMD.

Meer weten?

De tekeningen van de Ezelpoort en andere tekeningen De Wulf en zijn voorganger Delacenserie maken deel uit van het Fonds Technische Dienst van Stad Brugge. Dit najaar worden ze overgedragen aan het Stadsarchief.

De geschriften van De Wulf over zijn visie en over de Ezelpoort (porte des Baudets):

  • De Wulf, Charles, A propos d’ esthétiques des villes, 1902-1903
  • De Wulf, Charles, Notice sur le projet de restauration de la porte des Baudets à Bruges, Brugge, 1899
  • De Wulf, Charles, Restauration de la Porte des Baudets, Brugge, 1902

Literatuur:

Decq, Martine, De stadspoorten van Brugge. Een voorbeeld van middeleeuwse militaire architectuur, Rijksuniversiteit Gent- HIKO, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, 1974, pp. 80-95, 158-159

Beernaert, Brigitte en Esther, Jean-Pierre, Stad Brugge. Ezelstraatkwartier, brochure Open Monumentendag, 10 september 1989,nr. 30

Beernaert, Brigitte, Stad Brugge.  Het beste van 25 jaar, brochure van Open Monumentendag, 7 en 8 september 2013, pp. 41-44

Gordelgarnituur en scramasax

Het is niet al goud wat blinkt. Of toch…? In 2008 graaft Raakvlak, de archeologische dienst van Brugge en Ommeland, een vroegmiddeleeuwse, Merovingische nederzetting op achter het Woonzorgcentrum Fabiola (nu WZC Hallenhuis) in Sint-Andries. Naast sporen van huizen treffen de archeologen in een kuil ook een aantal metalen voorwerpen aan. De bewaringsomstandigheden in de bodem bleken ongunstig voor metalen (aanwezigheid van zuurstof, water en zouten): de ijzeren voorwerpen zijn gecorrodeerd en vervormd tot corrosieklompen. Je kan er nauwelijks nog een voorwerp in herkennen.

Maar de archeologen zijn alert! De algemene contouren van de klompen doen vermoeden dat het om een scramasax (een eensnedig zwaard) en minstens twee onderdelen van een gordelgarnituur gaat. Raakvlak en de Archeologische Dienst Waasland slaan de handen in elkaar en starten een onderzoek.

gordelgarnituur voor
Handle with care
Het onderzoek bestaat uit verschillende stappen. In een eerste fase zoekt men naar organische resten (hout, textiel, leder, dierenresten…) waarmee het voorwerp in contact is gekomen tijdens het corrosieproces. Op de onderdelen van de gordelgarnituur vinden de onderzoekers talrijke gemineraliseerde larvenresten terug en zelfs een vlieg. Hieruit concluderen de archeologen dat de gordelgarnituur oorspronkelijk uit een grafcontext komt en op of dichtbij de dode lag. Wanneer een lijk ontbindt, zijn er immers larven en vliegen aanwezig. In de Merovingische tijd was het de gewoonte om allerlei voorwerpen mee te geven met de dode in het graf. Een gebruik dat in de 9de eeuw verdwijnt onder invloed van de rooms-katholieke kerk.

vliegresten in de klomp
Een tweede stap is het maken van röntgenopnamen. Hiermee kunnen de onderzoekers door de corrosielaag heen kijken en (meestal) het voorwerp identificeren. De opnamen geven ook meer duidelijkheid over de bewaringstoestand van het voorwerp en kunnen later helpen bij het vrijleggen van het object.

gordelgarnituur doogelicht
In een derde fase worden objecten, die nog metallisch of roestgevoelig ijzer bevatten, ontzout. Men legt de voorwerpen ongeveer negen maanden in een bad en laat er producten op inwerken die de zouten aan het voorwerp onttrekken. Zouten versnellen immers het corrosieproces. Na ontzouting blijven de objecten stabiel mits ze bewaard worden onder een stabiele relatieve vochtigheidsgraad van maximum 10% (beperkte luchtvochtigheid en constante temperatuur) en in een afgesloten zuiver en zuurvrij milieu. Anders start het corrosieproces opnieuw en zal het voorwerp volledig vervallen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.


De laatste fase is het ‘moment suprême’: men legt het voorwerp vrij tot op het oorspronkelijke oppervlak. Dit is een precisiewerkje! Met een scalpel en microzandstraalapparatuur wordt het oppervlak millimeter voor millimeter ontdaan van zijn corrosielaag. Daarbij kijkt men door een microscoop om geen krassen op het oppervlak te maken. Tenslotte geeft men het voorwerp een laagje beschermingslak.

SA08K_III_238
De opgegraven Scramasax, (c) Dominique Provost

Een staaltje vakmanschap
En zo kwam uit de corrosieklompen inderdaad een scramasax en een mooie ijzeren gordelgarnituur tevoorschijn, voorzien van inlegwerk uit zilver en goud. Het inleggen met goud en zilver noemt men damasceren. In een hard, donkerkleurig metaal (hier: ijzer), wordt een zachter, lichter gekleurd metaal (hier: goud of zilver) geplaatst. In het metaaloppervlak maakt de ambachtsman een groef waarin hij het zachte metaal hamert. Het is een typisch Merovingische techniek die getuigt van vakmanschap en talent in de edelsmeedkunst. De vorm en de versieringstechniek van de gordelgarnituur wijzen op een datering in de eerste helft van de 7de eeuw na Christus.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.


Waarom de scramasax en de gordelgarnituur nu net op die plek lagen, blijft een raadsel. De vondsten van larven– en vliegensporen wijzen er zoals gezegd op dat de gordelgarnituur een tijdlang op een lichaam in ontbinding heeft gelegen. Bij de opgraving in Sint –Andries vonden de archeologen echter geen sporen van een begraving. Hoe moet deze vondst dan geïnterpreteerd worden? Het zou kunnen dat de stukken elders uit een graf zijn opgegraven en later in een kuil op de bewoningssite zijn bijgezet. Het is niet ondenkbaar dat er aan deze bijzetting een rituele betekenis gekoppeld is.

Op bezoek bij de Merovingers
De scramasax en de gordelgarnituur worden bewaard bij Raakvlak, maar als je je eens een echte Merovinger wilt wanen, kun je het Hallenhuis bezoeken. Op de site in Sint-Andries is op basis van één van de aangetroffen huisplattegronden een Merovingisch huis nagebouwd met traditionele technieken en materialen. De bewoners van de aanpalende serviceflats Meulewech en het WZC Hallenhuis doen er vrijetijdsactiviteiten, maar het Hallenhuis wordt ook ingeschakeld in educatie en cultureel toerisme. In 2011 kreeg het project de Erfgoedprijs van de provincie West-Vlaanderen .

 

 

Het Stoetenboek van Adolf Duclos

Op 15 augustus 1887 maakt koning Leopold II zijn opwachting  in Brugge. Hij komt er op de Markt het standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninc onthullen. Dat gaat met veel feestgedruis gepaard. Het ‘Stoetenboek’, dat bewaard wordt in Westflandrica, de Provinciale Erfgoedbibliotheek, geeft een inkijkje in de voorbereiding van de festiviteiten.

Al in 1867 richt men in Brugge een Breydelcommissie op, die fondsen voor het standbeeld inzamelt. In 1882 schrijft het Brugse stadsbestuur een ontwerpwedstrijd uit. De Brusselse beeldhouwer Paul De Vigne komt als winnaar uit de bus. Het monument wordt in 1887 onder ruime belangstelling op zijn voetstuk geplaatst en het wordt maar liefst twee keer onthuld! De reden daarvoor is een dispuut tussen de liberale Breydelcommissie en het katholieke stadsbestuur.

Opzij opzij, opzij de Guldensporenstoet gaat voorbij

Een eerste officieuze onthulling van het monument, georganiseerd door de Breydelcommissie, vindt plaats op 11 juli 1887. Het stadsbestuur, dat in 1886 een eigen stedelijke Breydelcommissie in het leven had geroepen, organiseert grote feestelijkheden van 14 tot 22 augustus 1887. De eigenlijke onthulling in aanwezigheid van de vorst is uiteraard een hoogtepunt. Maar ook de  rondgang van de ‘Guldensporenstoet’ kan op massale belangstelling rekenen.

De stuwende kracht achter deze historische optocht is kanunnik Adolf Duclos. Die is daarmee niet aan zijn proefstuk toe. In 1875 had hij ook al de Blindekensprocessie vernieuwd en in 1884 gaf hij een Karel de Goedestoet vorm. Ter gelegenheid van de onthulling van het standbeeld werkt Duclos een stoet uit met twaalf taferelen, waaronder ‘Pieter de Coninc verlost uit het gevang’, ‘de Brugsche Metten’, ‘het leger trekt op naar Kortrijk’, ‘de zegevierende terugkomst van het leger’ en een afsluitende ‘zegewagen’.

Het moet correct zijn

Duclos spendeert weken aan de minutieuze voorbereiding van de stoet: de uitwerking van de taferelen, het ontwerp van de kostuums en rekwisieten, de praalwagens,… Hij hecht daarbij veel belang aan historische correctheid. Een belangrijk deel van zijn voorbereidingen bundelt hij in wat bekend staat als het ‘Stoetenboek van Adolf Duclos’, een in leer ingebonden bundel van bijna 9 centimeter dik. Vooraan prijkt het opschrift ‘Historische Stoet Breidel & De Coninc’. Het album geeft ons een — wellicht onvolledig — beeld van Duclos’ inspiratiebronnen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De bundel begint met een aantal losse knipsels in verband met de organisatie van de stoet. Daarna volgt de eigenlijke documentatie, geordend met tussentitels zoals ‘heren, klederdracht’, ‘wapenmannen’, ‘ridders’ en ‘wagen Groeninghe’. Het gaat vooral om tekeningen die Duclos heeft overgenomen uit verluchte handschriften uit de nationale bibliotheken van Brussel en Parijs, en uit publicaties van Viollet-Le-Duc. Maar er zijn bijvoorbeeld ook ingekleurde versies van wapenschilden. Uit de vele voorbeelden selecteert hij de relevante schetsen. Daarmee gaan de kleermakers op hun beurt aan de slag.

Het Stoetenboek is het meest spectaculaire, maar niet het enige deel van Duclos’ voorbereiding die bewaard bleef. Er zijn ook nog fraaie ontwerptekeningen voor de praalwagens en een register waarin Duclos noteert wie mee opstapt in de stoet, welk kostuum hij/zij draagt en welke rekwisieten nodig zijn.

Souvenirs

Wie de stoet komt bekijken, kan kiezen uit een gamma aan programmabrochures, al dan niet fraai geïllustreerd. Daarin staan alle groepen vermeld en wordt historische duiding gegeven. P. Raoux geeft een ‘gedenkboek’ uit: een meer dan vijf meter (!) lange litho van alle taferelen, gebaseerd op een tekening van de Brugse schilder Eugène Legendre. Er zijn ook tientallen foto’s van de stoet genomen. Daarop zien we de figuranten en de praalwagens voor het vertrek en de stoet in de Brugse straten.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Ook dat materiaal verzamelt Duclos. Foto’s, brochures, folders, krantenknipsels tot zelfs een chocoladewikkel met een afbeelding van het standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck: het belandt allemaal in zijn archief, netjes geordend in mappen. Deze mapjes zijn op hun beurt, samen met het Stoetenboek, in 1966 in de Provinciale Erfgoedbibliotheek terechtgekomen.

2674 (Small)
Fragment uit het gedenkboek van de Guldensporenstoet met tekeningen van Eugène Legendre, collectie Westflandrica

Het Stoetenboek raadplegen?

Neem contact op met Westflandrica, de Provinciale Erfgoedbibliotheek.

Meer lezen?

Gaby Gyselen, ‘Een stoetenboek van kanunnik Adolf Duclos 1887’, in: Album Antoon Viaene, Brugge, 1970, blz. 221-228.

André Vanhoutryve, Jan Breydel en Pieter de Coninc, Brugge, 1987.

Jeroen Cornilly (red.), Westflandrica. Over de collectie van de Provinciale Bibliotheek West-Vlaanderen, Brugge, 2015.

Het zelfportret van Joseph Benoît Suvée

Niet ver van de Vismarkt in Brugge ligt de Jozef Suvéestraat. Suvée is de eerste kunstenaar die al kort na zijn overlijden in 1807 een straatnaam krijgt in zijn geboortestad. Niet verwonderlijk: hij heeft de Brugse kunst voor het eerst sinds eeuwen opnieuw op een hoog internationaal niveau gebracht en blijft tot het midden van de 19de eeuw hét na te volgen voorbeeld.

Een leugentje om bestwil

Suvée, geboren in 1743 in de Korte Vuldersstraat naast Sint-Salvator, start zijn kunstenaarsopleiding aan de Brugse academie. In 1763 trekt hij naar Parijs om zijn opleiding te vervolmaken. In 1771 neemt hij als leerling van de ‘Académie royale de Peinture et de Sculpture’ deel aan de schiftingsproeven voor de ‘Prix de Rome’. De winnaar

0000.GRO2453.II_A4-72dpi
F.A. Vincent, Portret van Suvée, 1774, Brugge Groeningemuseum, (c) Lucas Art in Flanders vzw foto H. Maertens

van deze prijs mag een studiereis naar Rome maken, het summum in die tijd. En jawel: op 31 augustus 1771 roept men Suvée uit tot winnaar. Zijn inzending, ‘De strijd tussen Mars en Minerva’ (een opgelegd thema), hangt vandaag in het ‘Palais des Beaux-Arts’ in Rijsel.

De Brugse kunstenaar verslaat daarbij niemand minder dan Jacques-Louis David, die zou uitgroeien tot hét boegbeeld van het Franse neoclassicisme. Tussen David en Suvée komt het nooit meer goed, te meer daar Suvée als buitenlander eigenlijk niet had mogen deelnemen aan de ‘Prix de Rome’. Enkel Franse onderdanen mochten zich inschrijven voor deze wedstrijd maar de sluwe Suvée had als geboorteplaats het Noord-Franse Armentières opgegeven in plaats van Brugge…!

Hulde!

Dit betekent echter niet dat Suvée zijn geboortestad niet erkentelijk is. Zo fier als een pauw meldt hij zijn overwinning onmiddellijk aan de Brugse academie en hij uit daarbij zijn grote dankbaarheid: ‘Parmi les témoignages que j’en offre à mes maîtres, c’est à vous, messieurs, à qui j’en dois les premières marques.’ Anderhalve maand later, op 16 oktober 1771, wordt Suvée met veel luister in zijn geboortestad ontvangen. Ondanks een zware storm en regen zijn de straten van Brugge versierd en stroomt het volk toe om het wonderkind te feliciteren. Suvée wordt aan de ingang van de stad afgehaald en in een plechtige stoet met niet minder dan 35 koetsen naar de academie gevoerd die zich toen nog in de Poortersloge bevond.

Na deze rijkelijke ontvangst zou het niet meer stuk gaan tussen Suvée en zijn geboortestad. De kunstenaar zou regelmatig naar Brugge terugkeren en uit dankbaarheid verschillende kunstwerken aan de academie geven. Al in 1772 schenkt hij dit zelfportret waarop hij zichzelf als een trotse kunstenaar afbeeldt tijdens het ontwerpen van, jawel, ‘De strijd tussen Mars en Minerva’. Vandaag behoort het zelfportret tot de collectie van het Groeningemuseum.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Een Bruggeling in Parijs

Na zes jaar Italië, vestigt Suvée zich in 1778 definitief in Parijs, klaar om de kunstwereld te veroveren. En het gaat snel. Twee jaar later al wordt hij volwaardig lid van de ‘Académie royale de Peinture et de Sculpture’. Daarmee behoort hij tot de absolute elite van de kunstenaars. Ook nu weer informeert hij meteen de Brugse academie. En ook nu weer trekt een feestelijke optocht door de Brugse straten.

© Cedric Verhelst Ð 2011
Feestschrift voor Suvée ter gelegenheid van zijn lidmaatschap van de Académie royale de Peinture et de Sculpture, 1780, Stadsarchief Brugge (c) Cedric Verhelst

 

Terug in Parijs werkt Suvée gestaag verder. Als ‘Peintre du Roi’ heeft hij een appartement met atelier in het Louvre. Hij krijgt zowel officiële als privé-opdrachten voor het schilderen van portretten en historiestukken en stelt die regelmatig tentoon op de Parijse salons.

Poets wederom poets wederom poets

Een volgend hoogtepunt gloort in 1792: Suvée, een buitenlander (!), wordt aangesteld als directeur van de ‘Académie de France’ in Rome. Jacques-Louis David (weer hij) is woest: ‘Ma prédiction s’accomplit. Qui nommèrent-ils? Qui, Devinez… Suvée, l’horrible aristocrate Suvée, l’ignare Suvée’. Ondertussen is David wel erg invloedrijk geworden en slaagt hij erin Suvées aanstelling te laten annuleren.

0000_GRO0132_I_A4-72dpi_detail
Detail uit J.B. Suvée, De uitvinding van de tekenkunst, 1791, Brugge Groeningemuseum (c) Lucas Arts in Flanders vzw foto H. Maertens

Uiteindelijk trekt Suvée toch aan het langste eind: men herbevestigt zijn benoeming. Door oorlogen duurt het echter nog tot 1801 vooraleer Suvée naar Rome vertrekt. Daar overlijdt hij plots in 1807.

In zes jaar tijd is Suvée erin geslaagd de ‘Académie de France’ weer op de kaart te zetten en tot een kweekplaats voor de belangrijkste Franse kunstenaars te maken. Bij zijn overlijden verklaart Ingres: ‘Wij verliezen een goed directeur en de samenleving een deugdzaam man’. Kunstenaars uit zijn vaderland, onder wie Ducq, Odevaere en Calloigne, richten uit erkentelijkheid in het Pantheon in Rome een gedenkbuste voor hem op. Zij zullen samen met Jean-Bernard Duvivier en François Joseph Kinsoen in de voetsporen treden van Suvée. Samen vormen zij een bloeiende Brugse neoclassicistische schilderschool die zich internationaal op de kaart zet.

Meer lezen?
Dominiek Dendooven, De Brugse academie in de achttiende eeuw, Brussel, onuitgegeven licentiaatsverhandeling V.U.B., 1994, 444 p.

Dominique Marechal, De Brugse schilderkunst en Europa van maniërisme tot symbolisme, in: Brugge en Europa, Antwerpen, 1992, p. 358-383.

Dominiek Dendooven, Joseph Benoît Suvée, toonbeeld van een academische modelcarrière, in: Brugge, Parijs, Rome: Joseph Benoît Suvée en het neoclassicisme, Gent, 2007, p. 8-17.

Dominique Marechal, Joseph Benoît Suvée en zijn Brugse leerlingen, in: Brugge, Parijs, Rome: Joseph Benoît Suvée en het neoclassicisme, Gent, 2007, p. 30-47.

Jan D’Hondt, Het geboortehuis van kunstschilder Joseph Benoît Suvée, 1743-1807, in: Brugs Ommeland, 56 (2016), nr. 1, p. 31-39.

 

 

De gele bijbel

In 1972 schrijft het stadsbestuur van Brugge een basisboekwerk: de ‘gele bijbel’. Daarmee verricht het bestuur baanbrekend werk: het is immers het allereerste document in België waarin op stedelijk niveau aan stadsplanning wordt gedaan. De uitdaging is dan ook niet gering: men wil in de toekomst een evenwicht vinden tussen erfgoedwaarden en stedelijke ontwikkelingen. Klinkt actueel?

DSC_0032 (Small)

Het probleem

Met het Structuurplan Brugge 1972, dat bij de uitgave in 1976 de roepnaam ‘gele bijbel’ krijgt, zet het bestuur de krijtlijnen uit voor het stedelijk beleid in Brugge voor de komende vier decennia. Een belangrijke aanleiding voor het schrijven van het plan is de gemeentefusie van 1971. Brugge fusioneert dan met zeven omliggende gemeenten en groeit uit tot de vijfde grootste stad van België (en zelfs de tweede in oppervlakte). Door deze groei moeten functies als wonen, werken, winkelen, mobiliteit… opnieuw op elkaar worden afgestemd.

ALB_08_043
Prins Albert op bezoek in Brugge n.a.v. de internationale persdag over het Structuurplan, 1973 (c) Stadsarchief Brugge / Beeldbank Brugge

‘Het is thans voor iedereen duidelijk dat het behoud en de herwaardering van historische steden evenals de harmonische ontplooiing van hun suburbia niet kan gebeuren zonder duidelijke richtlijnen en zonder klare strategie: het structuurplan is hiertoe het geëigend instrument.’ Citaat uit het Structuurplan Brugge, uitgave 1976

Men start met het opstellen van een gedetailleerde inventaris van de stedelijke functies en het erfgoed. De focus ligt daarbij op de binnenstad. Na analyse van alle gegevens komt  men uit bij vier problematieken.

Het wegtrekken van de woonfunctie uit de stadskern naar de deelgemeenten staat met stip op één. Dit brengt immers leegstand en verval van gebouwen met zich mee en het tast ook het sociale netwerk aan. Aan de grond van dit eerste probleem ligt probleem twee: het is de concentratie van de dienstensector en de toeristische functies in het stadscentrum die bewoners wegduwt. Een derde pijnpunt is de ongeremde groei van het autoverkeer in de binnenstad. En ten slotte constateert men een continue sloop van het historisch patrimonium.

De oplossing

In de gele bijbel formuleert het stadsbestuur antwoorden op deze problemen. De focus ligt op de woonfunctie in de binnenstad en het herstellen van de harmonie tussen de verschillende stedelijke functies. Men formuleert zeven pijlers ten gunste van een leefbare binnenstad.

FOA19314
Het Zand. Deze foto werd gemaakt door architect René Vandenheede in functie van de opstelling van het Structuurplan (c) Stadsarchief Brugge, verz. J.A. Rau

De belangrijkste is de verbetering van de woningkwaliteit. De in 1979 ingevoerde functionele verbeteringspremie moet dit ondersteunen. Het opstarten van sociale woningbouw en de restauratie van de godshuizen sluit hierbij aan. De opmaak van een erfgoedwaarderingskaart, bijkomende beschermingen en de herziening van de premie voor niet-beschermd, waardevol erfgoed (de zogenaamde ‘Kunstige Herstelling’) komt dan weer het behoud van het patrimonium ten goede. Daarnaast zet het bestuur in op het versterken van het verblijfstoerisme en de aanpak van de mobiliteit in de binnenstad. Het zuiveren van de reien en een actief groenbeheer moeten bijdragen tot het verhogen van de kwaliteit van de stedelijke omgeving.

Deze pijlers dienen tijdens de volgende twintig jaar als toetsstenen bij het ontwikkelen van nieuwe plannen voor de Brugse binnenstad.

De actie

En dan is het tijd voor actie. Heel wat verworvenheden die wij vandaag als vanzelfsprekend beschouwen, vloeien voort uit de lijnen die in de gele bijbel zijn uitgezet.

Zo springt het licht voor koning auto op rood. Stadspleinen krijgen de functie van publieke (voetgangers)ruimte en auto’s worden óf naar een randparking óf naar ondergrondse parkeerplaatsen afgeleid. Al duurt het wel zijn tijd… Voor de Markt is het pas in 1996-97 zover, nadat het stadsbestuur de laatste 63 parkeerplaatsen heeft geschrapt en de heraanleg van het plein is afgerond.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

‘Een grote hindernis voor de heropleving van de Brugse binnenstad is het verkeer. (…) Het stadsweefsel van oude steden kan niet aan het verkeer aangepast worden. Oude steden (zoals oude mensen) sterven gewoonlijk in de loop van dergelijke heelkundige ingrepen. De oorzaken van het verkeer moeten gewijzigd en beperkt blijven.’ Citaat uit het Structuurplan Brugge, 1976

Een ander actiepunt is het gecontroleerd laten groeien van toerisme in de binnenstad, complementair met het kust- en poldertoerisme. Het klinkt vandaag nog steeds herkenbaar: men concentreert het toeristisch circuit in de verkeersvrije/-arme ‘gouden driehoek’. Toeristische informatiepunten, het water en een aantrekkelijk stadsbeeld worden als troeven uitgespeeld. In de decennia die volgen, wordt deze basisvisie steeds verder toegepast en verfijnd, denken we maar aan de hotelstop (1996), de vakantiewoningstop (2002) of de realisatie van het kanaaleiland (2002).

Het vervolg

Na de gele bijbel volgen nog (ruimtelijke) plannen. Daarin krijgen de deelgemeenten de plaats die hen toekomt. Want hoewel mede gegroeid uit de gemeentefusie, was er in de gele bijbel weinig aandacht voor  de wisselwerking tussen de binnenstad en de deelgemeenten en de Zeehaven.

In 2000 dient een nieuwe situatie zich aan: de volledige Brugse binnenstad wordt door UNESCO erkend als werelderfgoed. Naar aanleiding van de UNESCO-aanbevelingen schrijft men in 2012 een Managementplan. De gele bijbel is daarbij het uitgangspunt en een periode van 40 jaar stadsvernieuwing en erfgoedbeleid wordt geëvalueerd.

De toekomstvisie geformuleerd in het Managementplan uit 2012 giet men drie jaar later in een thematisch ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) Stadslandschap. Met dit vernieuwend juridisch instrument wil Brugge een kader scheppen om naast het erfgoed ook de leefbaarheid van de stad te behouden. Aspecten als ‘behoud’, ‘groei’, ‘conservatie’ en ‘vernieuwing’, basisbegrippen uit de Brugse gele bijbel uit 1972, blijken ook vandaag nog verrassend actueel.

Documenten

Structuurplan Brugge, uitgave Groep Planning, 1976

Managementplan UNESCOwerelderfgoed Brugge, 2012 (www.brugge.be)

Perstekst Thematisch Ruimtelijk Uitvoeringsplan Stadslandschap (mei 2015)