De hersenen van Guido Gezelle

Vandaag liggen in het Gezellemuseum nog afgietsels van de hand en het gezicht van Guido Gezelle. Beide zijn gemaakt door Jules Lagae, vlak na het overlijden van de priester-dichter. Hand en dodenmasker liggen al in de beginjaren van het museum, rond 1930, uitgestald. Maar op de kast ligt nog een gipsen afgietsel: dat van Gezelles hersenen.

Een ‘buitengewoon zwaren kop’

Gezelle overlijdt op 27 november 1899 in het Engels Klooster in Brugge. De volgende dag, om 9u ’s ochtends opent professor Gustaaf Verriest de schedel van Gezelle en haalt de hersenen eruit. De familie heeft hiervoor toestemming gegeven. Gustaaf Verriest is dan ook niet de eerste de beste. Hij is hoogleraar inwendige ziekten aan de Leuvense universiteit en oud-leerling van Gezelle. Samen met zijn broer Hugo Verriest blijft hij levenslang met hun vroegere leraar bevriend. In het oeuvre van Gezelle zijn gedichten terug te vinden die opgedragen zijn aan Gustaaf Verriest, zowel uit de periode dat Verriest Gezelles leerling was aan het Klein Seminarie in Roeselare als uit de periode dat hij Gezelles dokter was.

GG sterfbed_OBB001000029 (Small)
Guido Gezelle op zijn sterfbed, 1899, Brugge, coll. Openbare Bibliotheek Brugge – Guido Gezellearchief

Zijn in de hersenen van Gezelle sporen van genialiteit terug te vinden? Die vraag houdt Verriest bezig. Als tienjarige leerling is hij al gebiologeerd door Gezelles ‘buitengewoon zwaren kop en die verbauwelijk groote bulten van zijn voorhoofd’. Tel daarbij de niet aflatende stroom schrijfsels die uit de pen van Gezelle vloeien: gedichten, artikels voor tijdschriften en kranten, gelegenheidsverzen, fiches voor de Woordentas… Dit alles moet Verriest aangezet hebben zijn vraag aan de familie voor te leggen.

Prof. Verriest van Leuven kwam, met andere heelmeesters, het lijk schouwen. Een gietvorm van het gelaat en een van de rechterhand werden afgenomen, en de lichtprenter Triebels nam een photo van den doode op zijn praalbed. Ongelukkig meende men hem te dien einde te moeten ontdoen van den Casuifel, waarmee hij volgens de ritueele voorschriften bekleed lag. Het aangezicht is anders goed geslaagd en werkt treffend van heiligen ernst. Ten laatste namen de heelmeesters de hersenen uit het hoofd weg, tot voorwerp van wetenschappelijke studie. Aloïs Walgrave, Het leven van Guido Gezelle, Vlaamschen priester en dichter, Amsterdam, 1923

Gewikt en gewogen

Verriest spreekt over zijn bevindingen op het Vlaams natuur- en geneeskundig Congres in Brugge  op 29 september 1901, en zijn uiteenzetting wordt ook gepubliceerd. Ook later komt hij op het onderwerp terug. Tijdens zijn uiteenzetting toont hij de aanwezigen een afgietsel van de hersenen. De echte hersenen worden bewaard in een formioloplossing.

Verriest_OBB001000090 (Small)
Gustaaf Verriest, Brugge, coll. Openbare Bibliotheek Brugge – Guido Gezellearchief

Verriest beschrijft de hersenen in detail. Hij besteedt daarbij in het bijzonder aandacht aan het gewicht van Gezelles hersenen: 1674 gram. Dit ligt hoger dan het gemiddeld hersengewicht van de Europese man, dat rond de 1350 à 1360 gram schommelt. Volgens Verriest past Gezelle met zijn hoge hersengewicht perfect in het rijtje van hoogbegaafde mannen als dichter Lord Byron (2238 gram), staatsman Cromwell (2229 gram), dichter Schiller (1785 gram), componist Schubert (1420 gram) en ‘chemiker’ Liebig (1352 gram).

Tot rond zijn tiende jaar is hij ziekelijk gebleven. Vader Gezelle vertelde mij eens als ik hem ondervroeg over aard en karakter, wezen en gezondheid van onzen grooten meester: “De jongen, zeide hij, was altijd aan ’t sukkelen; ik ging er eens meê naar den besten dokter van Brugge; hij onderzocht het kind, bleef een ‘wijle denken en zei: die jongen zijn kop is te dikke, anders en schilt er hem niets”. Gustaaf Verriest, Over Guido Gezelle, Brugge (overdruk uit de Handelingen van het vijfde ‘Vlaamsch Natuur- en Geneeskundig Congres’ gehouden te Brugge op 29 September 1901)

Verriest beschouwt Gezelles ziekelijke jeugd als bron van zijn genialiteit. De kleine Guido werd verteerd door ‘de wreedste en langdurigste hoofdpijnen’. Net als Shakespeare, Wagner en Hayden  leed Gezelle volgens Verriest aan rachitis, een botaandoening door een tekort aan vitamine D en calcium. Dit zou zijn lichamelijke bouw verklaren (lang van lijf met korte benen), maar ook het waterhoofd, de grote herseninhoud en de uitgebreide hersenplooien.

013_005_00977_Tolhuis_detail
Caesar Gezelle (rechts, staand) en Stijn Streuvels (links, zittend), Brugge, coll. Westflandrica – Provinciale Erfgoedbibliotheek

Verder stelt Verriest een bijzonder ontwikkeld spraakcentrum aan de rechterkant van de hersenen vast. Om dit biologisch te verantwoorden, leidt hij hieruit af dat Gezelle linkshandig geboren was. Waarschijnlijk heeft men hem dit afgeleerd. Verwijzend naar schrijver Stijn Streuvels (zoon van Gezelles zus Louise) en Caesar Gezelle (zoon van Gezelles broer Romaan) vermoedt hij dat er een erfelijke aanleg voor taalvaardigheid aanwezig is in de familie.

Volgens mededeeling zijner nog levende zuster, in Avelghem, heeft G. Gezelle rond zijn zesde jaar langen tijd aan wreede hoofdpijn geleden. De dokter trok hem bloed uit de neus, en eindigde met de kwaal ongeneesbaar te verklaren “omdat, zeide hij, de hersens van het kind te groot waren.” Gustaaf Verriest, Over Guido Gezelle, Brugge (overdruk uit de ‘Handelingen van het vijfde Vlaamsch Natuur- en Geneeskundig Congres’ gehouden te Brugge op 29 September 1901)

Hoofdzaak

Het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek bewaart verschillende zaken in verband met Verriests onderzoek: een gipsen afgietsel van Gezelles hersenen (ook het Gezellemuseum bezit een afgietsel) en grote rollen met getekende doorsneden van de hersenen van Gezelle en die van Peter Benoit (voor de volledigheid: 1225 gram). Ook deze tekeningen gebruikt Verriest als illustratiemateriaal tijdens zijn redevoering op het congres. De familie Verriest schenkt Gezelles hersenen na de dood van Gustaaf aan de Leuvense universiteit voor verder onderzoek. Daar zijn ze vermoedelijk verloren gegaan tijdens een brand.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De lezing van Verriest is meer dan een ietwat lugubere voetnoot in de Gezellestudie. Al gebeurde dit niet op grote schaal, hij volgt hiermee de wetenschappelijke theorieën van zijn tijd. Zo ging de fysieke antropologie op zoek naar de meetbare anatomische kenmerken van rassen, klassen en criminele of artistieke aanleg. Ook in de Gezellestudie en de beeldvorming rond Gezelle spelen de merkwaardige vorm van Gezelles hoofd en zijn gezondheid een belangrijke rol. Ze passen in het romantische beeld van het misvormde, miskende genie met een erfelijke aanleg voor somberheid en gevoeligheid. De interpretatie van zijn poëzie vertrok vooral vanuit dit standpunt. De mythe stond zo zeer lang een veelzijdige literaire en maatschappelijke studie van zijn werk in de weg.

Gezellemuseum_OBB001000033 (Small)
Afgietsels van het hoofd, de hand en de hersenen van Gezelle in het Gezellemuseum, Brugge, coll. Openbare Bibliotheek – Guido Gezellearchief

Meer weten?

Dit artikel is een bewerking van een blogbericht van de Openbare Bibliotheek Brugge.

Alle illustraties bij dit bericht zijn afkomstig uit de collectie van het Guido Gezellearchief van de Openbare Bibliotheek Brugge, tenzij anders vermeld. De collectie van het Gezellearchief kan je raadplegen via de site Erfgoed Brugge. Het Gezellemuseum kan je dagelijks bezoeken, behalve op maandag.

Jam hyems transiit

Ach, weêrom groent, alhier aldaar,

te gronden uit, het nieuwe jaar,

zoo lang verwacht en uitgesteld,

door ’s winters onverwacht geweld.

Hoe hard- lag, en hoe diepversteend,

de moederschoot, die ’t aas verleent,

daar man en muis op leven zal:

’t was maanden ons ontgeven – al!  

De wee hergroent, ’t hergroent al, in ‘t

verschiet: waar hier waar daar begint

de naakte grond bekleed te staan

met hope weêr van gras en graan.

Den tragen os zie ‘k werken, op

de velden, zijn’ gekroonden kop

al schudden, na den tragen trant

des arbeids, op het akkerland.

Het schuim beleekt zijn’ kromme knie’n,

terwijl hij, zonder ommezien,

verduldig heen- en wederzwoegt,

en ’s koeiboers loopken lands herploegt.

Het karit en het kurt, nooit moe,

vol vogelvee, heel ’t hof, daartoe;

en telkens hoore ik, hier of daar,

den tegenroep van Canteclaar.

’t Herleeft entwat, onzeglijk bij

der menschen mond, hoe schrander hij

ook wezen moge, en… ’t leven is,

het leven – Gods geheimenis!

Guido Gezelle, Rijmsnoer om en om het jaar, 1897 (uitgave J. Boets); in Dietsche Warande (1895) opgedragen aan ‘dr. Verriest’.

 

Brugs hoogversierd aardewerk

De Brugse Potterierei heeft haar naam niet gestolen. In de middeleeuwen hebben vele pottenbakkers er hun werkplaats. Tijdens opgravingen eind jaren ’70 en ‘80 vindt men resten van het 13de-eeuwse pottenbakkerscentrum terug.

Naast massa’s misbaksels treffen de archeologen ook resten van de pottenbakkersovens zelf aan. Tussen het gewone rode en grijze middeleeuws aardewerk vallen kleurrijke, rijkversierde scherven op. Het zijn resten van het zogenaamd Brugs hoogversierd aardewerk, genoemd naar het Engelse highly decorated pottery.

Potterierei_grijs (Small)
De Potterierei op de kaart van Marcus Gerards, 1562

Tweemaal gebakken

Technisch gezien is dit aardewerk vervaardigd uit dezelfde grondstoffen als het gewone rode aardewerk. Het verschil is dat het hoogversierd aardewerk tweemaal gebakken wordt. Nadat de pottenbakker een witte sliblaag en/of de kenmerkende versiering heeft aangebracht, gaat het aardewerk een eerste keer de oven in. Vervolgens brengt hij een laag gekleurd loodglazuur aan en gaat het aardewerk opnieuw de oven in. Het glazuur kan verschillende kleuren hebben. Groene glazuur bekomt men door koperoxyde toe te voegen, gele of bruinige door gebruik te maken van ijzeroxide. Door de onderliggende witte sliblaag krijgt het glazuur een fellere kleur. Dankzij deze techniek kan men het kleurenpalet uitbreiden met tinten die men voorheen niet had.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Om het aardewerk te versieren, gebruikt de pottenbakker fijn uitgewerkte en verzorgde radstempeldecors waarbij hij een cilindertje, waarin het motief is uitgesneden, over de nog niet droge kan rolt. Zo kan hij op een gelijkmatige manier versieringen aanbrengen. Maar er wordt ook vrijer gewerkt met bijvoorbeeld  bloem- en bladmotieven, schubbendecors, gezichten (meestal met baard)…

Royal Doulton

Omdat het aardewerk tweemaal gebakken wordt, is het duurder in werkuren en brandstof. Ook het risico op misbaksels is groter. Het is dus evident dat dit aardewerk, ook door de mooie versieringen, als een luxueuzere en duurdere soort vaatwerk in de markt wordt gezet. Deze duurdere huisraad is ideaal om te etaleren in het zicht van vrienden en bezoek. Een beetje zoals de Royal Doulton van Hyacinth Bucket (spreek uit: Bouquet).

Dit soort aardewerk is geen Brugse exclusiviteit. Het wordt ook elders in Vlaanderen geproduceerd. Ook in de rest van West-Europa komen vergelijkbare aardewerksoorten voor. Maar het Brugse aardewerk heeft specifieke kenmerken. Luxueuze schenkkannen met specifieke vormen, voorzien van wit slib en het typisch groene loodglazuur maken ongeveer 90% van de ons bekende productie uit. Sporadisch komen ook vetvangers, stolpen, deksels en spaarpotjes voor.

Een bijzondere subcategorie van het hoogversierd aardewerk zijn de nokversieringen of gevelbekroningen. Die plaatst men op straatgevels van publieke of private gebouwen om deze extra cachet te geven.  Ook aan deze voorwerpen is dus een statusconnotatie verbonden.

Gedegradeerd

Het hoogversierd  aardewerk is ontstaan uit een samenspel van factoren. De concurrentie met de luxegoederen die van elders geïmporteerd worden en de rol van het rijke Brugge als markt voor het betere tafelgerei spelen zeker mee. Internationale handelaars nemen de Brugse kannen mee als handelsgeschenk of rariteit. En zo zijn voorbeelden van Brugs hoogversierd aardewerk terug te vinden in Portugal, Nederland, Engeland, Schotland en de Scandinavische landen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Het hoogversierd aardewerk verschijnt in het begin van de 13de eeuw in Vlaanderen. Het kent zeker een groot succes vanaf het tweede kwart van de 13de eeuw. Aan de Potterierei zou het tot in het begin van de 14de eeuw gemaakt worden. Rond 1325 verliest dit aardewerk echter zijn aantrekkingskracht. Er komt immers iets nieuws op de markt: geïmporteerd steengoed neemt vanaf dan de plaats in als het betere schenk- en drinkgerei. Het hoogversierd aardewerk verliest figuurlijk zijn glans en krijgt het label ‘gewoontjes’, wat zich vertaalt in een meer eenvoudige versiering. Het wordt doorsnee keukengoed.

Maar de decoratietechnieken gaan niet helemaal verloren. Rond 1400 past men ze opnieuw toe in de concurrentie met alweer een nieuw product, namelijk de geïmporteerde majolica. Er ontstaan dan bijvoorbeeld borden met slibversiering en drinkschaaltjes. Tot een volgende must have zich aandient…

De tondo van della Robbia

De Sint-Jakobskerk herbergt een hele resem kunstwerken: meubilair, schilderijen, grafplaten, beelden, wapenkabinetten… Vrome en welgestelde parochianen, ambachten en broederschappen hebben de kerk met dit patrimonium verrijkt. Vaak zijn deze kunstwerken door Brugse meesters gemaakt.

Tussen dit vooral gotische, barokke en neogotische erfgoed van eigen bodem valt één kunstwerk echter op. Niet zozeer door het onderwerp, maar wel door het gebruikte materiaal, de kleuren, de vormentaal en de herkomst.

p1060617-medium
Tondo van della Robbia, Brugge, Sint-Jakobskerk, foto: Benoit Kervyn

Het is rond

In de grafkapel van Ferry de Gros, boven het altaar, prijkt een Italiaanse tondo (of medaillon) uit de vroege renaissance waarop de Madonna met Kind staat afgebeeld. Het geheel is uitgevoerd in gebakken en geëmailleerd aardewerk. In het midden zien we Maria die de borst geeft aan haar zoon. De witte figuren, die in reliëf zijn uitgewerkt, steken schril af tegen de azuurblauwe achtergrond. Achter de personages komen enkele gele stralen tevoorschijn.

p1060626-medium
Madonna met Kind, detail uit de tondo van della Robbia, Brugge, Sint-Jakobskerk, foto: Benoit Kervyn

Een smalle eierlijst omringt de afbeelding en zit op zijn beurt gevat in een brede boord versierd met een kleurrijke vruchten- en bloemenkrans. Tussen het loof kan je duidelijk druiventrossen, appels, kweeperen, granaatappels en korenaren herkennen. Wit, groen, geel, paars en blauw zijn de gebruikte kleuren. Deze vruchten- en bloemenkrans is een typische uiting van de Italiaanse renaissance. Schilders als Hans Memling en Gerard David gebruiken dergelijke kransen als vernieuwend element in hun werken.

Het is Italiaans

Deze voorstelling is een typisch product van het Florentijns geslacht della Robbia. De meeste auteurs die de tondo van de Sint-Jakobskerk bestudeerden, schrijven hem toe aan Luca della Robbia, maar ook zijn neef en leerling Andrea zou de maker kunnen zijn. Luca en Andrea zijn de meest gekende telgen van de roemrijke familie, maar ook anderen zoals Giovanni, Paolo, Mario, Girolamo en Mattia della Robbia werken de volgende decennia in de voetsporen van Luca. In Firenze zien we gelijkaardige afbeeldingen ook op gevels aangebracht, vandaar de (niet zo eenvoudige) techniek van ondoorzichtige en tinhoudende emaillaag: die moet het boetseerwerk tegen weersomstandigheden beschermen.

Dat een Italiaans renaissancewerk in de tweede helft van de 15de eeuw in Brugge belandt, is niet verbazingwekkend. De economische en culturele banden tussen Brugge en de Italiaanse stadsstaten zijn dan zeer intens. De Sint-Jakobskerk fungeert als parochiekerk voor de kooplieden en bankiers uit Luca, Venetië, Genua en Firenze.

Het is kwaliteit

Een van de belangrijkste Florentijnen op dat moment in Brugge is Tommaso Portinari. Tussen 1465 en 1480 is hij directeur van het Brugse filiaal van de Medici-bank, gelegen in de Naaldenstraat (gekend onder de naam ‘Hof Bladelin’), niet ver van de Sint-Jakobskerk dus. Wanneer in die periode de kerk wordt uitgebreid, weet Portinari het koor van ‘d’oude kercke’ om te bouwen tot zijn privékapel (het betreft de huidige sacramentskapel, links van het hoofdkoor). Al staat de tondo in de inventaris niet specifiek vermeld, hij maakt oorspronkelijk deel uit van de in de Sint-Jakobskerk gestichte fundatie van Tommaso Portinari in 1474.

memling_portinari-portret_metropolitan_ep14-40-62627-r
Hans Memling, Portret van Tommaso Portinari, ca. 1470, New York, Metropolitan Museum of Art, Bequest of Benjamin Altman, 1913

Het is geweten dat Portinari zich graag laat omringen door luxe. Hij geeft schilders uit onze contreien, zoals Hans Memling en Hugo van der Goes, de opdracht om schilderijen te maken die vervolgens in Firenze een plaats krijgen. Het is dus best mogelijk dat hij hetzelfde doet in omgekeerde richting en een Florentijnse kunstenaar vraagt om een werk te maken voor zijn Brugse privékapel.

grondplan-st-jacob3
Grondplan Sint-Jakobskerk met in het groen de vroegere kapel van Portinari

Wellicht naar aanleiding van de neogotische aankleding van de sacramentskapel, plaatst men de tondo in een laatgotische omlijsting en wordt hij verhuisd naar het in 1876 gerestaureerde altaar in de De Groskapel. Deze kapel ondergaat in 2007-2008 een restauratiebeurt. De tondo wordt op dat moment ontstoft en licht gereinigd.

De tondo uit de Sint-Jakobskerk behoort samen met de medaillons met de portretten van Lorenzo de Medici en zijn echtgenote Clarice Orsini (1469?) op de binnenkoer van de Medici-bank in de Naaldenstraat tot de eerste uitingen van de renaissance in Brugge. Het zijn ook de vroegste voorbeelden van import van kunstwerken uit Italië naar Vlaanderen. Om al die redenen staat de tondo sinds 2011 op de lijst van de Vlaamse topstukken.

Meer weten?

Van 5 april tot 30 juni 2017 kan je in de Sint-Jakobskerk de tentoonstelling ‘Zorg om religieus erfgoed’ bezoeken (gratis; dagelijks van 10 tot 13u en van 14 tot 18u, gesloten op zondagmorgen). Onder andere de restauratie van de De Groskapel wordt belicht.

De porseleinkaarten van Daveluy

Stadsgezichten, stadsgidsjes, boeken, kranten, speelkaarten… De persen van de familie Daveluy draaien in de 19de eeuw op volle toeren. Ook porseleinkaarten zitten in hun aanbod – glanzende kleinoden met een ongezond randje.

Familiebedrijf

De stichter van het familiebedrijf Daveluy is Edouard-Alexis Daveluy (1812-1894). Hij richt in 1834-1835 een steendrukkerij op in Brugge, hierin gesteund door zijn vader die in Gent een prentenhandel uitbaat. De Daveluys verhuizen enkele keren. Vanaf 1838 zitten ze in de Hoogstraat en in 1847 is zowel de steendrukkerij als de winkel terug te vinden in de Groenerei 6-7.

mus050316_70
Visitekaartje van drukkerij Daveluy, porseleinkaart, 1842-1860, coll. Stadsarchief Brugge

Edouard Daveluy en zijn echtgenote Anne d’Elhougne krijgen acht kinderen. Zoon Victor Daveluy wordt klaargestoomd om in Brugge de activiteiten van zijn vader verder te zetten. Hij sterft echter op jonge leeftijd in 1886, wat de ontwikkeling van het bedrijf niet ten goede komt. Zijn weduwe zet de zaak verder, maar wanneer in 1894 zowel Edouard Daveluy, zoon Jules als kleinzoon Amedée sterven, komt het bedrijf dit niet te boven. In 1909 neemt Brugeoise d’Imprimerie et de Publicité de zaak over. Het einde van het familiebedrijf Daveluy.

2_doodsbriefeddaveluy
Overlijdensbericht van Edouard-Alexis Daveluy, coll. Stadsarchief Brugge

Een huis van vertrouwen

Dat er interesse is om de firma over te nemen, mag niet verbazen. Daveluy staat bekend om zijn hoge kwaliteit van steendruk. Deze vlakdruktechniek wordt vanaf 1800 toegepast en maakt het mogelijk om illustraties goedkoop te reproduceren. Het vakmanschap van Edouard Daveluy springt in het oog en hij verkrijgt in 1842 van koning Leopold I de titel ‘Lithograaf des konings’. Hij legt zich dan ook gedreven toe op het verbeteren van het drukprocédé.

Tegelijkertijd kan Daveluy zijn karretje aanhaken bij de Brugse politiek om de stad als toeristische bestemming in de markt te zetten. Brugse stadsgezichten, al dan niet in kleur en al dan niet in albums gebundeld, rollen van de persen en bepalen mee de beeldvorming rond de stad. Voor wie een kleinere beurs heeft, biedt men toeristische gidsen aan.

3_lithoburg
Litho met de Heilig Bloedkapel op de Burg, coll. Stadsarchief Brugge

Een huis van verfijning

De firma Daveluy produceert ook nog een ander soort drukwerk waarop de stad, al dan niet rechtstreeks, figureert: de zogenaamde porseleinkaarten. Halfweg de 19de eeuw zijn deze porseleinkaarten erg populair als gelegenheidsdrukwerk. Zo verschijnen er geïllustreerde reclamekaartjes voor handelszaken en hotels, naamkaartjes voor gegoede burgers, menukaarten voor diners, uitnodigingen… Deze porseleinkaarten zijn niet alleen interessant voor de afbeeldingen van bijvoorbeeld een specifiek bedrijfs- of handelspand. Ze bevatten ook een schat aan informatie over bedrijven, handelaars, horecazaken of exclusieve festiviteiten.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Porseleinkaarten zijn meestal klein van formaat en gedrukt op wit en glanzend karton. Ze zijn vaak kleurrijk en met een sierlijke grafiek en de nodige zorg vormgegeven. Ze danken hun naam aan het gebruik van een verf die men ook voor het vervaardigen van porselein gebruikt. Een samenstelling uit kaolien en loodwit zorgt voor de aantrekkelijke glans. De firma Daveluy bedient zijn ruime cliënteel én zichzelf gedurende een tiental jaar met dit bijzondere drukwerk. Na 1860 dooft de productie uit, waarschijnlijk omdat de samenstelling van de verf de productie tot een ongezonde arbeid maakt.

mbu001000454_detail
Detail uit het visitekaartje van zadelmaker J. Stubbe, porseleinkaart, 1842-1860, coll. Stadsarchief Brugge

Een huis van vernieuwing

De firma Daveluy heeft echter nog genoeg andere producten om zichzelf mee op de markt te zetten. Speelkaarten bijvoorbeeld, in de meest uiteenlopende vormen: speelkaarten voor dagelijks gebruik, luxe-uitgaven, een dierentarot, waarzegkaarten, gezelschapsspellen, reclamekaarten… Al dit drukwerk van Daveluy is gekend en geroemd omwille van zijn kwaliteit en creativiteit. Geen wonder dus dat de firma zijn producten wil beschermen. Het oudste depot van Daveluy wordt aangevraagd in Brugge op 15 februari 1847 voor de ‘cartes nationales’.

foa20747
Portret van een vrouw, foto, 1875, coll. Stadsarchief Brugge

Daveluy springt ook op de kar van de fotografie. Aanvankelijk gebeurt dit in functie van het voorbereidend werk voor het maken van lithografische stadsgezichten. Maar vanaf 1860 wordt Daveluy toonaangevend op het vlak van fotografie. In de gebouwen van de drukkerij aan de Groenerei richt men in 1861 zelfs een volledige studio in want de portretfotografie komt sterk opzetten. Vader Edouard Daveluy neemt het initiatief, maar het is de oudste zoon Victor die zich op jonge leeftijd op de fotografie gooit en deze bedrijfstak doet bloeien. En zo komt ook de Bruggeling zelf in beeld, vastgelegd op de fotografische glasplaat.

mbu001000296_detail
Detail uit een huwelijksgedicht, porseleinkaart, 1844, coll. Stadsarchief Brugge

Maar ook de stad zelf komt weer in beeld. In 1866 schenkt Victor Daveluy het album ‘Bruges et ses monuments’ met 15 – dit keer fotografische – zichten op Brugge aan koning Leopold II, naar aanleiding van diens blijde intrede. Door het overlijden van Victor Daveluy op 40-jarige leeftijd begint de machine echter te sputteren. Maar dan heeft de druk- en fotografiekunst van deze ondernemende en getalenteerde familie ons al een schat aan bronnen bezorgd.

Meer weten?

Het Brugse stadsarchief bezit een uitgebreide collectie porseleinkaarten. Je kan ze bekijken via de site Erfgoed Brugge.

Jan D’Hondt e.a., Daveluy. Woord en beeld in Brugge – 19de eeuw, Brugge, 2005.

Luc Biebouw e.a., Daveluy: de Brugse drukkersfamilie – Brugge’s trots en koninklijke troef, Brussel, 2004.

De Keizer Karelschouw van het Brugse Vrije

Filip en Mathilde hangen er niet, maar wie vandaag het Brugse Vrije binnenstapt, treft er wel heel wat heersers van weleer aan. Het meest indrukwekkend is wel de monumentale schouw van  Keizer Karel uit 1530.

Karel, heerser over een rijk waar de zon nooit ondergaat (en vandaag jarig!), staat centraal afgebeeld op de schouw. Aan weerszijden staan zijn grootouders: links van hem keizer Maximiliaan van Oostenrijk en Maria van Bourgondië, rechts Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië. Karels ouders, Filips de Schone en Johanna van Castilië (de latere Johanna de Waanzinnige), staan in medaillons afgebeeld. Rondom de figuren hangen de wapenschilden van al de gebieden die onder Karels heerschappij vallen.

schouw Brugse Vrije
De Keizer Karelschouw in het Brugse Vrije, (c) Sarah Bauwens

De schouw heeft enkele eeuwen onverstoord gefunctioneerd als machtssymbool van de Habsburgse dynastie. Het iconografisch programma van de schouw is elders in de zaal nog aangevuld met portretten van latere heersers zoals Filips II, de aartshertogen Albrecht en Isabella en keizerin Maria-Theresia. De uitbreiding van dit programma is al te zien op een schilderij van Gilles van Tilborgh uit 1659, gemaakt ruim 100 jaar na het opleveren van de schouw.

De heerser

Waarom kreeg Karel als eerbetoon dit prachtige kunstwerk? De directe aanleiding is eigenlijk niet bekend. Vaak wordt verwezen naar het Verdrag van Madrid van 14 januari 1526. Dit verdrag beëindigt een reeks zware conflicten tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk met Italië als inzet. Belangrijker in dit verdrag, voor Vlaanderen en Brugge althans, is dat de Franse koning François I afziet van zijn leenrechten in Vlaanderen. De Franse koning zou voortaan geen aanspraak meer kunnen maken op Vlaanderen voor de erfopvolging, iets wat na de dood van Maria van Bourgondië wel gebeurde en pas in 1477 opgelost werd door haar huwelijk met Maximiliaan van Oostenrijk. Tijdens de Damesvrede van Kamerijk in 1529 wordt het Verdrag van Madrid  bevestigd. Het jaartal 1529 prijkt op de schouw.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De schouw staat in de schepenkamer waar ook recht gesproken wordt. Op 21 februari 1525 bekijkt en aanvaardt het college van burgemeester en schepenen een ontwerp om de zaal een prachtige aankleding te geven. Dan komt er echter ruis op de lijn en uiteindelijk zal pas in het najaar van 1528 de definitieve beslissing vallen over ontwerp en uitvoerder. Kunstenaar Lanceloot Blondeel krijgt de opdracht. Hij was eerder al betrokken bij gesprekken over de decoratie van de zaal, onder andere over de wandtapijten. Die werden uitgevoerd door Antoon Segon. Enkele fragmenten zijn bewaard in de Gruuthusecollectie.

xvii-o-0001-medium
Fragment van een verdure uit het Brugse Vrije, coll. Gruuthusemuseum, XVII.O.0001, (c) Dominique Provost

De kunstenaar

Lanceloot Blondeel neemt zijn opdracht niet licht op. Hij vraagt ondermeer advies aan een beeldhouwer-bouwmeester die actief is aan het hof van Margaretha van Oostenrijk. In totaal werken zeven beeldhouwers mee aan de uitvoering van de schouw. Guy de Beaugrant maakt de houten beelden van de vorsten naar het ontwerp van Blondeel en hij kapt ook de marmeren putti en de albasten fries met het verhaal van de kuise Suzanne. Op 15 februari 1530 wordt de schouw opgeleverd.

8201741589_f2b1c9b2c5_o_sarah-medium
Marmeren putti, detail van de Keizer Karelschouw, (c) Sarah Bauwens

De schouw is uitgevoerd in een voor die tijd moderne renaissancestijl. Wat er wordt afgebeeld is waarschijnlijk uitgedacht door rederijkers en schrijvers. De rederijkers werkten eerder al mee aan de toneelstukken en tableaux vivants die werden opgevoerd bij de blijde intredes van aartshertog/keizer Karel in 1515 en 1520. Aan die laatste intrede werkte ook Lanceloot Blondeel mee. Het is met deze intredes dat de renaissancestijl echt ingang vindt. Via de drukkunst, de samenwerking tussen Vlaamse en Italiaanse ateliers en reizen naar Italië raakt deze nieuwe stijl meer en meer verspreid. En laten we niet vergeten dat zich in Brugge al twee renaissancewerken bevinden die inspiratie kunnen bieden: de Madonna van Michelangelo en de tondo van della Robbia.

8201741361_76ec290e40_o_sarah-medium
Houten putti, detail van de Keizer Karelschouw, (c) Sarah Bauwens

De rechter

De directe aanleiding voor het maken van de schouw is misschien niet helemaal duidelijk, wel is zeker dat wat is afgebeeld honderd procent thuishoort in een rechtszaal.  De rechters die in deze zaal oordelen, doen dat in naam van Keizer Karel, de vorst die de belangrijkste rechter op aarde is. Tegelijkertijd bevat de schouw ook een waarschuwing voor de rechters: ze mogen hun macht niet misbruiken. Op de schouw staat namelijk ook het bijbelse verhaal van de kuise Suzanne en de ouderlingen afgebeeld.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Twee oude rechters willen de mooie Suzanne tot seks dwingen. Zij weigert echter, waarop de oude mannen het verhaal verspreiden dat zij een minnaar heeft. Suzanne verschijnt voor de rechtbank en wordt ter dood veroordeeld. Maar op het laatste nippertje komen de leugens van de oude rechters aan het licht en worden ze zelf veroordeeld en gestenigd. Een gewaarschuwd rechter is er twee waard…

De kunstkenner

Eeuwenlang functioneert de schouw als machtssymbool van de Habsburgers en waarschuwing voor de rechters. Met de Franse bezetting verandert dat. De wet van 24 oktober 1793 (3 brumaire III), die een verbod stelt op symbolen van koningschap en feodaliteit, bedreigt het monumentale kunstwerk. Eerder dat jaar, in februari 1793, zijn er al vier portretten van vorsten uit de schepenkamer verbrand. Gelukkig stelt de administratie van het Leie-departement P. Goddyn en F. Clement aan om het kunstwerk te beoordelen. Zij moeten bepalen welke delen van de schouw men moet behouden. Beiden zijn formeel: het gaat om een uitzonderlijk kunstwerk dat een grote waarde heeft en dat zeker niet mag vernield worden; alleen de wapenschilden met de feodale gebieden kan men wel weghalen.

In het midden van de 19de eeuw, als de Fransen al enkele decennia vertrokken zijn, krijgt de schouw een restauratie onder leiding van Charles Geerts. Ook de rest van de zaal wordt opnieuw gedecoreerd, geïnspireerd op de vroegere situatie. Tegen 1859 is de schouw terug zoals voorheen. En zo is ze nog steeds.

Gaan kijken?

De schouw kan je dagelijks bekijken in het Brugse Vrije.

Terracottategels van het Concertgebouw

‘Het is slechts weinig gebouwen gegeven uitgevoerd te worden zoals ze in de eerste schetsen van de architect verschijnen.’

Architectuurhistorici zullen er… geen kluif aan hebben. Wie de ontwerptekeningen van Robbrecht en  Daem architecten naast foto’s van het Brugse Concertgebouw legt, zal weinig verschillen kunnen aanduiden. Het gebouw ziet er op enkele details na precies uit als op het ingediende ontwerp, wat zeer uitzonderlijk is. In 1997 wordt een internationale architectuurwedstrijd uitgeschreven. In januari 1998 komt Robbrecht en Daem architecten als winnaar uit de bus. Negen maanden later moet de werf al van start gaan om op tijd klaar te zijn voor Brugge 2002, Culturele Hoofdstad van Europa. Veel tijd voor fundamentele wijzigingen is er dus niet, maar het wedstrijddossier is dan ook bijzonder nauwkeurig voorbereid.

Concertgebouw by night
Concertgebouw vanop ’t Zand, (c) Toerisme Brugge Jan Darthet

Dialoog met stadslandschap

De droom om Brugge een grote concertzaal te geven, leeft al langer. Eric Van Hove pleit er in 1992 al voor in zijn pamflet ‘Brugge, word wakker!’. Met Brugge 2002 komt alles in een stroomversnelling.

110915_filip-dujardin015a
De historische torens vanuit de Lantaarntoren, (c) Filip Dujardin

Voor de hand liggend is de bouw niet. Het Concertgebouw zal immers ingeplant worden op ‘t Zand, aan de rand van de historische stadskern. Hoe gaat de hedendaagse architectuur zich verhouden tot die oude gebouwen? Met zijn keuze voor Robbrecht en Daem houdt het stadsbestuur zich uiteindelijk ver van spectaculaire architectuur.  Men kiest voor een ‘pastoraal ontwerp’, zoals de architecten het zelf omschrijven: een ontwerp dat op verschillende vlakken de dialoog met het Brugse stadslandschap aangaat. De rode terracottategels die het gebouw bekleden, sluiten perfect aan bij het kleurenpalet van de rode daken van de Brugse binnenstad. De historische torens van de stad, het Belfort, de Sint-Salvatorskathedraal en de Onze-Lieve-Vrouwekerk, krijgen er met de Lantaarntoren en de toneeltoren twee broertjes bij.  ‘t Zand wordt sindsdien door het Concertgebouw afgesloten en krijgt een nevenplein in de oksel van het gebouw.

20170201_153430-small
Terracottategels van het Concertgebouw

De reacties op het ontwerp zijn verdeeld. In de pers woedt een hevig debat tussen voor- en tegenstanders. Te veel of te weinig hedendaags? Te aanwezig of net te banaal? Het debat breekt los, maar de werken vangen aan. Op 4 oktober 1999 starten de graafwerken. Op 13 juni 2000 wordt de eerste steen gelegd. Op 20 februari 2002 om 20.02u opent het Concertgebouw de deuren op de klanken van Die Schöpfung (De schepping) van Haydn, gespeeld door Anima Eterna.

Een streling voor het oor

Sindsdien weerklinken in de Concertzaal en in de Kamermuziekzaal veel muziekjes. In de grote concertzaal kunnen 1300 mensen zich in vervoering laten brengen door zowel concerten als opera’s. Net het feit dat beide moeten kunnen opgevoerd worden in de concertzaal, betekende een hele uitdaging voor de architecten. Maar hun uitgekiend ontwerp heeft al vele uitvoerders tevreden gesteld.

In de kleinere Kamermuziekzaal kunnen 320 luisteraars terecht. De zaal is ondergebracht in de Lantaarntoren. De zitplaatsen slingeren zich naar boven. Wie wil, kan zijn blik laten afglijden naar de huizen en torens buiten. Een magisch zicht, zeker als de avond valt.

Gelukkige verjaardag!

Over enkele dagen viert het Concertgebouw zijn vijftiende verjaardag. En daarbij staan enkele nieuwigheden voor de deur. Recent is de heraanleg van ‘t Zand gestart. Het Koning Albert I-park zal men doortrekken tot voorbij het Concertgebouw, zodat dat als het ware omarmd wordt door het park. Verder komt er een meer open blik op het water van de Kapucijnenrei ter hoogte van de Westmeers.

110915_filip-dujardin024-small
Concertzaal, (c) Filip Dujardin

Vanaf september 2017 zet het Concertgebouw ook overdag de deuren open. Een parcours langs de kunstcollectie en architectuur, een glimp van een repetitie meepikken of gewoon een koffie in het vernieuwde Concertgebouwcafé? Wie het gebouw nog niet ontdekt heeft, heeft dan geen excuus meer.

Meer weten?

Op de site van het Concertgebouw kan je een film over het tienjarig bestaan bekijken.

Mia Verstraete (red.), X. 10 jaar Concertgebouw Brugge 2002-2012, Tielt, 2012.

Zilveren koffiekan

Vandaag is koffie wereldwijd een van de meest gedronken dranken. Koffie is de laatste jaren ook erg hip. Koffiebars schieten als paddenstoelen uit de grond, je kan je omscholen tot barista en in elke toeristische gids vind je wel een lijstje met niet te missen koffiestops. Vier eeuwen geleden was koffie ook in, maar dan als nieuwigheid op de Europese tafel.

Van geiten en bessen

Het koffieverhaal begint echter veel vroeger en wel met springende geiten. In 300 na Christus ziet ene Kaldi of Chalid, een Ethiopische geitenhoeder, zijn geiten heel energiek rondspringen nadat ze bessen van een struik hebben gegeten. Kaldi proeft de besjes ook eens en krijgt op slag een energieboost…

De Arabieren zijn de eerste koffiedrinkers. Hun qahwa, wat ‘opwindend’ betekent, is een brouwsel van de bessen en bladeren van de koffieplant. In de 15de eeuw drinkt iedereen in het Midden-Oosten het koffiebrouwsel. Er ontstaan koffiehuizen die ook bij Europese reizigers in het oog springen. Koffie wordt ook verhandeld. De stad Mokka in Jemen groeit vanaf de 15de eeuw uit tot hét handelscentrum voor koffie.

turkse_koffie_ibrik
Turkse koffie

Sultan Selim I verovert Jemen aan het begin van de 16de eeuw en zo krijgen de Ottomanen het alleenrecht op de koffiehandel. Vanaf 1615 wordt koffie naar Venetië geëxporteerd. Daar ontstaan de eerste koffiehuizen in Europa. Ze kennen een groot succes. Maar er zijn kapers op de kust. De Nederlandse handelaars van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) willen ook een koffieboontje meepikken. In 1660 slaan ze hun slag. Ze openen een handelshuis in Mokka en groeien algauw uit tot de belangrijkste leverancier van koffie in Europa.

Maar de V.O.C. wil meer. Ze stelen koffieplanten, nemen deze mee naar de overzeese gebieden en planten ze daar. Zo komt koffie terecht in Java, Sumatra, Timor, Indië, Bali en Ceylon. Het is het begin van de koffiecultuur in Azië en tevens het einde van de gloriedagen van Mokka. Amsterdam groeit in de 17de eeuw uit tot het absolute wereldcentrum voor de koffiehandel.

koffiekan_schuinexxi-o-1659-small
Porseleinen koffiekan met famille rose-decor, daterend van voor de ‘Eisch’ van de V.O.C., 18de eeuw, coll. Gruuthusemuseum (XXI.O.1659), (c) Nadia Vangampelaere

 

Kan beter

Nu de koffie zijn weg heeft gevonden naar de Europese tafels, heeft men uiteraard ook behoefte aan de juiste kan om koffie te zetten en te schenken. De Ottomaanse koffie, die wij nu nog kennen als ‘Turkse’ koffie, wordt op vrij eenvoudige wijze gezet. De Ottomanen gebruiken in de 17de eeuw al koperen kannen om koffie te maken. Door hun manier van schenken blijft er wel bezinksel in het kopje liggen. In de 17de eeuw geven ze deze kannen voor het eerst de naam ‘koffiekan’.

De eerste Europese koffiekannen zijn van metaal. Ze zijn vermoedelijk gebaseerd op de Arabische koffiepotjes, maar mogelijk ook op porseleinen wijnkannen die door de V.O.C. uit China geïmporteerd worden. Er ontstaat een echte strijd tussen porselein of metaal voor een koffiekan. Metaal en vooral edelmetaal zoals zilver is fel gegeerd aan de hoven en bij de gegoede klasse. Maar: een koffiekan in metaal wordt heet, erg heet. Een handvat in ebbenhout lost dit op.

x-o-0153-small
Ferdinand du Baele, Zilveren koffiekan, 1761, coll. Gruuthusemuseum (X.O.0153), (c) Dominique Provost

Porselein heeft, bovenop het feit dat het een isolator en geleider is, nóg een groot voordeel ten opzichte van metaal: porselein is geur- en smaakloos. De eerste koffiekannen in Chinees porselein hebben vaak toevoegingen in tin, zilver of koper, zoals een schenktuit of een dekselscharnier. Aanvankelijk staat het handvat niet tegenover de schenktuit, maar aan de zijkant van de kan. De ‘Eisch’ van de V.O.C. uit 1766 verordonneert echter dat het handvat altijd aan de achterkant van de koffiekan moet staan.

De V.O.C. speelt een erg belangrijke rol in de ontwikkeling van nieuwe vormen, versieringen en typologieën. De V.O.C. neemt nieuw ontwikkelde Europese modellen en ontwerptekeningen mee naar de Chinese porseleinmakers. Een boeiende wisselwerking ontstaat tussen het Chinese chine de commande, bedoeld voor de export naar Europa, en de lokale Europese faience- en porseleinproductie. Deze wisselwerking zorgt tegelijk voor een bittere concurrentiestrijd en is een constante uitdaging voor de ontwerpers. Ontwerpers van koffiekannen komen telkens met nieuwe vormen, typologieën en decoraties: met of zonder voeten, met een bekje als schenktuit of met een langgerekte tuit zoals bij een theekan, met een ronde of achthoekige buik, van metaal of porselein… En dan hebben we het nog niet over de vormentaal die varieert naargelang de smaak en de mode.

Stijl en klasse

Een zeer mooi voorbeeld van een zilveren koffiekan in Franse stijl is deze van de Brugse edelsmid Ferdinand du Baele uit 1761.

Ferdinand wordt vrijmeester op 2 maart 1752. Hij werkt zoals de meeste zilversmeden zowel voor religieuze als burgerlijke opdrachtgevers. Pittig detail is dat Du Baele is gehuwd met Rosalie Goddyn, wiens vader Albert een belangrijke suikerfabrikant is.

Du Baeles koffiekan is vrij typerend voor zijn tijd. Ze is uitgewerkt in een flamboyante rococovormgeving. De vormentaal die varieert volgens smaak en mode, wordt anno 1761 bepaald door het Franse hof van Louis XV. Het peervormige lichaam van de kan is geschikt om de koffie wat langer warm te houden. Ook het deksel zorgt ervoor dat de warmte niet te snel ontsnapt. Het ebbenhouten handvat zorgt ervoor dat de schenker zich niet brandt aan de hete kan. Een koffiekan zoals deze is bestemd voor gegoede lieden. Ze is naast een schenkkan ook een statussymbool.

x-o-0153-det5-small
Detail zilveren koffiekan, (c) Dominique Provost

In dergelijke kan wordt koffie gezet. Eerst doet men gemalen koffie in de kan. Daarop giet men water dat net aan de kook is gebracht. Vervolgens roert men de koffie en is hij klaar. Bij het schenken gebruikt men een zeefje zodat het koffiebezinksel niet in het kopje terecht komt.