De kroning van een kartuizerin

24 juli 1746 is een bijzondere dag voor zuster Isabelle-Victoria Benezet. Op die dag vindt het ritueel van haar ‘Maagdenwijding’ plaats. Een ritueel dat, heel uitzonderlijk, door Matthias de Visch in 1748 op doek is vastgelegd.

Het gaat om een groot doek van bijna twee op drie meter. Centraal zien we zuster Isabelle, een kartuizerin, die knielt voor de Brugse bisschop Jean-Baptiste de Castillion. Hij heeft net een kroon op haar hoofd gezet. Ze worden omringd door andere religieuzen en, op de achtergrond, ook enkele personen in wereldlijke kledij.

Kroning kartuizerin – Sint-Andries_bron cartusiana.org
Matthias de Visch, De kroning van kartuizerin Isabelle Benezet, coll. O.C.M.W. Brugge

Mystieke bruid

Het ritueel van de Maagdenwijding was in het Brugse kartuizerinnenklooster goed in ere gehouden. Met dit ritueel wijdt een non zich volledig aan God. De kroning is een onderdeel van dit ritueel. De kroon en de ring (die niet te zien is op het schilderij) wijzen erop dat de zuster de mystieke bruid van Christus wordt. Een ander opvallend element is het kruis dat de zuster over haar rechterschouder draagt en dat symbool staat voor zelfverloochening en toewijding. Op de achtergrond draagt een kartuizer op een schaal nog een kenteken aan: een boek, nl. het brevier, dat op het einde van de mis aan de zuster wordt overhandigd. Uiterst rechts houdt een novice de kaars vast die de zuster na haar wijding zal offeren.

a019004_kikirpa_detail graf de castillion
Detail van het praalgraf van bisschop Jean-Baptiste de Castillion in de Sint-Salvatorskathedraal (Brugge), foto: KIKIRPA

Uit archiefonderzoek weten we welke zuster we hier zien op een zo belangrijk moment in haar kloosterleven. Het gaat om zuster Isabelle-Victoria Benezet, in 1721 geboren als Anna-Theresia Benezet. Op het ogenblik van haar Maagdenwijding zijn haar beide ouders al gestorven. Het is haar oom die de ‘dote’ of bruidsschat betaalt aan het klooster in 1740. Het is best mogelijk dat de personages die een beetje in het duister achteraan op het schilderij staan, familieleden van Isabelle zijn. Hun kledij maakt alleszins duidelijk dat zij niet tot de religieuze stand behoren. Een vrouw met een witte muts, een rijkelijk versierde roze jurk en een waaier in de hand springt het meest in het oog. Rechts van haar staat een eveneens stijlvol uitgedoste man. Zou dat Isabelles rijke oom zijn?

De kentekens van de Maagdenwijding (de kroon, de ring, het kruis…) mag een zuster slechts driemaal tijdens haar leven dragen: op de wijdingsdag zelf, bij haar vijftigjarig jubileum en op de dag van haar begrafenis. Voor Isabelle komt dat moment, tragisch genoeg, vrij snel. In 1754 wordt zij dood teruggevonden in haar kamer. Ze is dan 33 jaar.

Bemiddelde bruid

Het is waarschijnlijk haar familie, die behoort tot de rijke burgerij van Duinkerke, die het schilderij bij De Visch bestelt. In de rekeningen van het klooster is immers geen aanwijzing terug te vinden dat het klooster ervoor betaalt.

De Visch_detail vrouw en man
Een vrouw en man in wereldlijke kledij, mogelijk familie van zuster Isabelle, kijken toe tijdens haar Maagdenwijding (detail uit het schilderij van Matthias de Visch)

Diezelfde rekeningen geven aan dat de familie van Isabelle driemaal een belangrijke som geld aan het klooster schenkt. Is het daarom dat het klooster Isabelles wijding extra luister bijzet door de zangmeester van de kathedraal voor muziek te laten zorgen tijdens het ritueel? En dat het twee karossen uitstuurt om de gasten uit Duinkerke op te pikken aan de barge? Daarmee lijkt het klooster overigens te vergeten dat het eigenlijk verboden is luxueuze ceremonies te houden bij de kroning…

Tragische bruid

Het ritueel van de Maagdenwijding vindt altijd plaats tijdens een misviering. Isabelles kroning speelt zich meer dan waarschijnlijk af in de kapel van het kartuizerinnenklooster, de huidige militaire kapel in de Kartuizerinnenstraat. Oorspronkelijk hebben de kartuizerinnen een klooster in Sint-Andries maar de godsdiensttroebelen doen hen in 1578 naar de binnenstad vluchten. Daar bouwen ze gestadig hun klooster uit tussen de Oude Burg en de huidige Kartuizerinnenstraat. De kapel wordt voor en na de kroning van Isabelle verfraaid. Zo worden drie altaren in 1781-82 gemarmerd en verguld en krijgt het hoofdaltaar nieuw textielbehang. Isabelle knielt dus voor een altaar dat er anders uitziet.

militaire kapel 1932_Beeldbank (Small)
De voormalige kapel van het kartuizerinnenklooster omgevormd tot militaire kapel, 1932, foto: Beeldbank Brugge / Stadsarchief Brugge

Op een zeker moment krijgt het schilderij met Isabelles kroning een plaats in de kapittelzaal van het klooster. Een inventaris uit 1784 vertelt ons dat het schilderij daar, samen met zeven andere werken van De Visch, de muren siert.

Na de opheffing van het klooster in 1796 raakt de inboedel verspreid. Hoe precies is onduidelijk, maar het schilderij keert in de 19de eeuw terug naar zijn oorspronkelijke bewaarplaats, waar dan de Zusters van Liefde huizen. Later wordt het schilderij eigendom van het O.C.M.W. Tot in 2006 blijft het hangen in de gebouwen van het voormalige klooster, waar het O.C.M.W. dan kantoor houdt. Vandaag wordt deze zeldzame weergave van het ritueel van de Maagdenwijding in depot bewaard.

Meer weten?

Jan De Grauwe, De kroning van zuster Isabelle-Victoria Benezet in Sint-Anna-ter-Woestijne. Schilderij van Mathias de Visch, 1748, in: Brugs Ommeland, 35 (1995), p. 85-108

Bernadette Roose, De Brugse kartuizen 14de-18de eeuw. Dossier bij de gelijknamige tentoonstelling in het Rijksarchief Brugge (14 november 1996 – 20 december 1996), Brussel, 1996

Advertenties

Fransientjes

Waarschijnlijk zat er ooit wel eens een Fransientje achter een kantkloskussen. Maar vandaag hebben we het over het fransientje op het kantkloskussen.

In het Middelnederlands verwijst het woord ‘francijn’ naar een stuk perkament van zeer goede kwaliteit dat oorspronkelijk uit Frankrijk kwam. Eeuwen later gebruiken kantwerksters in Vlaanderen het woord voor een doorprikt, smal stuk perkament waarin ze spelden steken en dat het patroon vormt van de lintkant die ze klossen. Ze zetten dit strookje met enkele spelden vast bovenop het kloskussen of op een rol in het kussen. Door het strookje perkament groen te verven, zijn de gaatjes van de prikking beter te onderscheiden, wat het werken vergemakkelijkt. Later stappen de kantwerksters over op kartonnen fransijnen die dezelfde afmetingen hebben als de vroegere perkamenten exemplaren: 23 cm. Op die manier gaan er drie fransijnen in 1 el, de gebruikelijke eenheid waarmee men stof, draad of touw, maar ook lintkant meet.

kantkussen (Small)
Een fransientje gespeld op een rol in het kantkloskussen

Routine loont

Het zijn de kantkoopvrouwen die de fransijnen aan de kantwerksters bezorgen. De fransijnen blijven ook eigendom van deze koopvrouwen, of van de fabrikant wiens naam dikwijls op de achterzijde vermeld staat.

0000_GRO0326_I-2 (Small)
Bruno Van Hollebeke, Portret van een kantkoopvrouw, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO0326.I)

Meestal klossen de kantwerksters in opdracht altijd hetzelfde patroon. Veranderen van motief betekent immers tijd stoppen in het aanleren van het te klossen nieuwe patroon. En het klinkt wrang, maar meer nog dan voor anderen geldt voor de kantwerksters: time is money. Ze worden immers per el gekloste strookkant betaald. Ook de kwaliteit van hun werk is bepalend voor het bedrag dat ze krijgen. Een nieuw patroon aanleren betekent dus een verlies aan inkomsten. Heel vaak worden deze eenvoudige, ongeletterde vrouwen uitgebuit door hun werkgever.

fransientje (Small)
Fransientje of fransijn, coll. Kantcentrum Brugge

Toveren met klosjes

Kantklossen is in Brugge altijd sterk verweven geweest met armoede: klossen is een middel om wat extra centen bij elkaar te harken, hoe schamel ook. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Gent, heeft Brugge zo goed als geen industrie. Werkloosheid, honger en armoede zijn er alom tegenwoordig.

Die ontbering en alles wat ermee samenhangt (denk bijvoorbeeld aan prostitutie) is een doorn in het oog van de Kerk. Daarom worden op last van de bisschop ‘kantwerkscholen’ opgericht. Meisjes leren er onder toezicht van religieuzen niet allen kantklossen maar ook lezen en schrijven. In Brugge ontstaan verschillende grote kantscholen, zoals de De Foereschool, opgericht door priester Leon De Foere in het Hof Bladelin en de kantscholen van de zusters Apostolinnen in de Timmermanstraat en in de Balstraat waar nu het Kantcentrum gevestigd is.

kantschool1
De kantwerkschool van priester De Foere in het voormalige Hof Bladelin

De zusters Apostolinnen organiseren drie eeuwen lang kantonderwijs in de arme Sint-Annawijk. In het begin van de 20ste eeuw zorgen de zusters voor een nieuwe bloei van de ‘Brugse Binche’, een ragfijne kant die omwille van de moeilijkheidsgraad de naam ‘toveressewerk’ krijgt. De zusters tekenen, klossen en onderwijzen deze kantsoort.

Hoe het er aan toegaat in het kantschooltje, lezen we in het boekje De Blinde Kantwerkster van Hendrik De Zeine:

‘De jonge meisjes zijn duchtig aan het werk op hun kantkussens en laten de boutjes of spellewerkstokjes ratelend door hun fijne vingertjes vliegen zodat ze de vlechten maken volgens de tekening die op het fransientje is geprikt. Daarbij steken ze af en toe een speld om de kant vast te zetten of schuiven de al gebruikte klosjes met hun fijne draadjes in een bundeltje bijeen en maken ze vast met een lange clip.
Zo werken ze onverpoosd verder aan het kantstuk dat straks aan de kantkoopvrouw moet worden geleverd die hun het fransientje of het patroon, dat haar eigendom is, bezorgd heeft.
Om de klosjes makkelijker heen en weer te krijgen strooien de kantwerksters wat ‘slierpoer’ op het bordpapier dat op de voorste zijde van het kantkussen ligt en er met vier spelden op vastgemaakt is.
Wanneer ze een eindje kant hebben gemaakt dan trekken ze de spelden uit die de mazen van het fransientje vasthielden, en rollen het gekloste werk op een ‘barretje’ of plat plankje in mahoniehout dat ze in een schuifje in het kussen opbergen. Dan spellen ze opnieuw het deel waar ze opgehouden zijn vast en klossen verder.’

kantwerk (Small)
Kantwerksters van alle leeftijden aan het werk

Meer weten?

Het Kantcentrum in de Balstraat bezit een grote collectie ‘fransientjes’, een erfenis van de zusters Apostolinnen. De vele nog bewaarde patronen hiervan worden nu geklasseerd en gedigitaliseerd. Ook het Gruuthusemuseum heeft ‘fransientjes’ in zijn collectie.

Hendrik De Zeine, De Blinde Kantwerkster, red. Paul Saelens en Martine Mensaert, Damme, 2016

Ambervondsten

Eigenlijk is het gewoon hars dat miljoenen jaren geleden uit naaldbomen gevloeid is en vervolgens versteend: amber of barnsteen. Zijn het de prachtige kleuren die de mens fascineren en die maken dat het in de middeleeuwen gebruikt wordt om er luxueuze voorwerpen van te maken?

‘Amberkleurig’ is zelfs de aanduiding geworden voor een bepaalde kleur geel. We gebruiken die aanduiding nu onder andere om de kleur van bier aan te geven, maar de oorsprong ligt wel degelijk bij de barnsteen. Meestal is barnsteen warm geel tot donkerrood van kleur. Maar er bestaat ook groene, blauwe of meer zwart gekleurde barnsteen.

6.14_ambervondsten (Small)
Productieafval en half afgewerkte kralen in amber, opgegraven in de Jeruzalemstraat, 14de of 15de eeuw, coll. Raakvlak Brugge, foto: Dominique Provost

De naaldboom waaruit de hars gevloeid is, is de pinus succinifera. De hars versteende in de periode tussen het mesozoïcum en het kwartair. Soms is er een fossiel insectje in de versteende hars terug te vinden. Maar de amber die men omvormt tot luxeproducten, is zuiver. Amber is een zacht gesteente en in die zin eenvoudig om te bewerken. Ook al blijft het natuurlijk een precisiewerkje om er prachtige kleinoden van te maken.

Grote en kleine kralen

In 2012 vinden archeologen tijdens opgravingen in de Jeruzalemstraat een afvalkuil terug waarin ze resten van amberbewerking aantreffen. Het gaat om productieafval en een hamertje. Het afval bestaat uit restanten van kralen en kleine halffabricaten of half afgewerkte kraaltjes. Veel informatie geeft dit materiaal helaas niet. Hoe het productieproces precies verloopt bijvoorbeeld, daar hebben we het raden naar.

hamerbijltje_1 (Small)
Ijzeren hamerkop, waarschijnlijk gebruikt voor de bewerking van amber, opgegraven in de Jeruzalemstraat, 14de of 15de eeuw, coll. Raakvlak Brugge, foto: Raakvlak

De vondst in de Jeruzalemstraat is niet de enige in die buurt. In de Rijkepijndersstraat groeven archeologen eerder al enkele fraaie kralen in barnsteen op. Vaak beschrijft men deze kralen als onderdelen van een armband. Maar meer dan waarschijnlijk gaat het om de kralen van een paternoster. De grotere kralen dienen om het onzevader, de drie weesgegroetjes en het eer aan de vader aan te geven. De kleinere kraaltjes dienen om telkens tien weesgegroetjes te bidden.

De diameter van de kraaltjes verschilt. Kralen uit amber produceren is geen exacte wetenschap. De ambachtslieden werken vooral op het gevoel en op het zicht. Wat wel duidelijk is: de amber die in Brugge opgegraven is, behoort tot de meest kostbare soort, de doorzichtige amber.

Vondsten zoals deze in de Rijkepijnders- en de Jeruzalemstraat zijn zeer zeldzaam in Brugge. Amber is hier immers bij wijze van spreken op doorreis. Hij komt aan als grondstof en wordt als afgewerkt luxeproduct weer verkocht. Vanuit Brugge worden in de middeleeuwen kostbare kleinoden uit amber verscheept. Een mooi voorbeeld zijn de olieflesjes voor het toedienen van het heilig oliesel die het Victoria & Albertmuseum (Londen) bewaart. Ze zijn mogelijk in Brugge of in Lübeck gemaakt.

V&A_amber
Twee flesjes uit amber en zilver voor het toedienen van het heilig oliesel, Brugge of Lübeck, ca. 1450-1520, coll. Victoria & Albertmuseum Londen, foto: http://collections.vam.ac.uk

Monopolie en privilege

Brugge is in de middeleeuwen inderdaad één van de weinige steden waar amber bewerkt wordt. Of beter gezegd: bewerkt mag worden. Dat dankt de stad aan een ridderorde.

De Teutoonse of Duitse orde ontstaat vanaf de 12de eeuw, in de nadagen van de derde kruistocht (1189-1192). Het is naast de tempeliers en de hospitaalridders (orde van Malta) één van de machtigste ridderordes die ooit heeft bestaan. De Teutoonse Orde wint na zijn ontstaan snel aan politieke en economische macht. De orde valt nagenoeg samen met het grondgebied van het Heilige Roomse Rijk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de economische macht, die ook bepaald wordt door de Duitse Hanze, in hun handen kwam. Zo komt onder andere de handel in amber volledig onder controle van de Teutonen. Amber wordt in die periode vooral gebruikt om kralen te maken voor rozenkransen (paternosters). Brugge is naast het Duitse Lübeck de enige stad die van de Teutoonse orde een privilege krijgt om amber te bewerken. De eerste vermelding van paternostermakers in Brugge dateert van 1299. De orde beslist over de prijzen, de kwaliteit en de grootte van de ladingen amber die in Brugge toekomen.

BRU_RP0001_1 (Small)
Grote en kleine kralen in amber, opgegraven in de Rijkepijndersstraat. De kralen zijn hier gemonteerd als een armband. Het is echter waarschijnlijker dat ze bestemd waren voor een paternoster. Coll. Raakvlak Brugge, foto: Dominique Provost

Maar: hoogmoed komt voor de val. Bij de slag van Tannenberg (nu Strebak in Polen) in 1410 tegen de Poolse koning moet de zo machtige Duitse orde het onderspit delven. En dit terwijl de Poolse koning, met zijn veel grotere leger, tot op het laatste moment blijft aandringen op diplomatie omdat hij zo geïntimideerd is door de in vol ornaat geharnaste Teutonen met hun spectaculaire reputatie op het slagveld.

De orde krijgt zijn macht nooit weer. Ze hebben geld nodig, veel geld, en verhogen daarom de prijzen van de amber tot een nooit gekende hoogte. De Brugse meesters kunnen de prijs niet betalen. Een ramp, want met 70 meesters en meer dan 300 leerlingen in het paternostermakersambacht (cijfers uit 1420) komt een lucratieve economische tak plots zwaar in het gedrang. De Duitse orde zet in 1420 de export naar Brugge volledig stop. Vanaf 1454 wordt het zelfs nog dramatischer. De Teutoonse orde krijgt dan af te rekenen met opstanden in de Pruisische steden en verliest de amberhandel. De Brugse meesters gaan noodgedwongen zelf op reis.

schema_rozenkrans
De verschillende onderdelen en soorten kralen in een paternoster

Het zijn trouwens niet alleen de paternostermakers die te lijden hebben. Uit de amberresten die overblijven na de kralenproductie en uit minderwaardige amber wordt namelijk vernis gehaald door de verniszieders. Nodeloos toe te voegen dat door de amberschaarste in de 15de eeuw wel wat spanningen tussen beide gildes ontstaan.

Vanaf 1480 wordt Gdansk (Polen) de stad bij uitstek voor amberproductie. Brugge geraakt zijn privilege om amber te bewerken vanaf 1480 definitief kwijt.

Het witte goud

Om de ups en downs in de amberaanvoer te ondervangen, gebruiken de paternostermakers ook ivoor om kralen te snijden. Vanaf de 15de eeuw wordt ook ivoor in kleine hoeveelheden in Vlaanderen ingevoerd. Brugge is de plaats waar dit kostbare materiaal aankomt. Aanvankelijk komt de ivoor uit het Oosten en is de verkoop een Arabische aangelegenheid. De Arabieren hebben een monopolie tot de Portugezen in het midden van de 15de eeuw ontdekkingsreizen doen langs de Atlantische kust en zo Kaap Verdië en Sierra Leone bereiken.

De ivoor is talrijk in deze gebieden en de Portugezen begrijpen meteen dat ze lucratieve zaken kunnen doen. De Portugese koning Alfons V verkrijgt het alleenrecht op de ivoorhandel uit deze gebieden en stelt persoonlijke vertegenwoordigers aan om het kostbare ‘witte goud’ te verhandelen. De Portugees Alvere de Vyane verkoopt in 1465 ivoren tanden in Brugge in opdracht van de Portugese koning. Een zekere Jehan Stevanne, eveneens handelsagent van Alfons V, verkoopt in 1470 wel meer dan 100 slagtanden uit ivoor. Een deel gaat naar Parijs, internationaal centrum van de ivoorsculptuur op dat moment, maar een deel blijft ook in Brugge. De amberisten of paternostermakers mogen ook ivoor snijden, zeker als er amberschaarste is. Het lijkt dus aannemelijk dat zij ook de andere zachte en kostbare materie zoals ivoor bewerken.

Meer weten?

Griet Lambrecht, Barnsteen, in: Jos Koldeweij, Inge Geysen en Eva Thon (red.), Liefde en devotie. Het Gruuthusehandschift: kunst en cultuur omstreeks 1400, 2013 p. 242

Griet Lambrecht, Ambervondsten in de Jeruzalemstraat, in: Nieuwsbrief Raakvlak, 30-08-2012

Stephane Vandenberghe, Vlaamse kunst in de 15de eeuw, Vrienden van de stedelijke Musea, Brugge, 1992, p.12

De Lastige Bruggeling

Van oktober 1974 tot januari 1982 verontrust de stadskrant De Lastige Bruggeling lokale beleidsvoerders met zijn kritische en diepgravende onderzoeksjournalistiek. Het progressieve maandblad bijt zich vast in dossiers over grondspeculatie, schimmige relaties tussen stadsbestuur en vastgoedmakelaars, bedrijven die de gezondheid van de omwonenden bedreigen, vereenzaming, massatoerisme dat de bewoners laat vervreemden van hun eigen stad… Klinkt vertrouwd?

In oktober 2017 onthult de kritisch nieuwssite Apache.be dat heel wat leden van het Antwerpse stadsbestuur aanwezig waren op het verjaardagsfeest van een projectontwikkelaar. ‘Apache schrijft wat politici niet willen lezen, kranten niet mogen schrijven maar wat iedereen zou moeten weten. De autonome redactie brengt onthullende en actuele onderzoeksjournalistiek die voorbijgaat aan de waan van de dag. (…) Apache neemt daarbij de rol van ‘vierde macht’ voluit ter harte, voedt het maatschappelijk debat en plaatst in haar werking de essentie van journalistiek centraal: het kritisch bevragen van macht en het aanreiken van oplossingen.’

Lastige Bruggeling 8 (Small)
Deze cartoon staat op de allereerste Lastige Bruggeling in oktober 1974, met daarboven de titel ‘Brugge, een leefbare stad?’, coll. Openbare Bibliotheek Brugge

 

Via Antwerpen en Amsterdam

Dit zouden evengoed de woorden kunnen zijn van de redactie van De Lastige Bruggeling destijds. De krant omschrijft zichzelf als een ‘onafhankelijke stem die ten gepaste tijd het mes in de wonde zet en er nog wat in rondpeutert ook’ en brengt zaken aan het licht ‘die de lokale bladen niet kunnen, mogen of willen brengen’.

De Lastige Bruggeling ademt de geest van mei 1968, de jongerenrevolte die Parijs en Leuven op zijn kop zet. De geestdrift en energie, die daarbij vrijkomt, kristalliseert vier jaar later in Brugge in de vorm van Cactus café. Bezieler is Rolle Debruyne, die in november 1972 een voormalig bordeel in de Sint-Amandsstraat omvormt tot een ontmoetingsplaats voor progressieve jongeren. Aan de toog worden allerlei plannen gemaakt en vrijwilligers gevonden voor het realiseren van die projecten. Cactus café organiseert in zijn prille jaren fietsenverhuur voor toeristen, een Indisch sitarconcert in de Walburgakerk en een voedsel- en energiesalon in het Concertgebouw in de Sint-Jakobsstraat (nu De Republiek).

Lastige Bruggeling 4 (Small)
De rubriek ‘Boeretiek’ in De Lastige Bruggeling brengt telkens onder andere enkele recepten, coll. Openbare Bibliotheek Brugge

Ook de Brugse afdeling van de Antwerpse volkshogeschool Elcker-Ik vindt zijn thuisbasis in Cactus café. Tijdens de zomer van 1974 organiseert Elcker-Ik Brugge een trip naar Amsterdam. De deelnemers ontmoeten er heel wat progressieve actiegroepen en maken kennis met de principes en de praktijk van burgerparticipatie. Ze bezoeken ook de redactie van de alternatieve stadskrant De Lastige Amsterdammer, die de milieu- en verkeersproblemen in die stad aan de kaak stelt.

Geen woorden maar daden

Enthousiast over dit bezoek, maken een aantal deelnemers meteen plannen ‘om ook in Brugge de her en der aktieve individuen te groeperen én van een klankbord te voorzien’. De eerste Lastige Bruggeling verschijnt al in oktober 1974. De redactieleden, allen vrijwilligers, publiceren anoniem en gaan prat op hun onafhankelijkheid. Het Brugse voorbeeld werkt aanstekelijk in Vlaanderen.  Al gauw volgen ook stadskranten in Turnhout, Hasselt, Oostende, Poperinge, Leuven enz.

Toenmalig CVP-burgemeester Michel Van Maele biedt voldoende schrijfstof voor de lastige Bruggelingen. Vóór hij de burgemeesterssjerp van Groot-Brugge draagt, is hij al een kwarteeuw burgemeester van Sint-Michiels (1946-1972). Onder zijn daadkrachtig bewind ondergaat Sint-Michiels een complete gedaanteverwisseling: van een landelijke en bosrijke plattelandsgemeente evolueert Sint-Michiels tot een verkavelde randgemeente met een industrieterrein, een veemarkt en een pretpark (Boudewijnpark). In 1970 fuseert Sint-Michiels, samen met andere randgemeenten, met Brugge. Bij de eerste gemeenteraadsverkiezingen in datzelfde jaar behaalt de CVP een eclatante overwinning en een volstrekte meerderheid in de gemeenteraad. Burgemeester Pierre Vandamme volgt zichzelf op met Michel Van Maele als eerste schepen.

Lastige Bruggeling 5 (Small)
Burgemeester Michel Van Maele is vaak kop van jut in De Lastige Bruggeling, coll. Openbare Bibliotheek Brugge

Als Pierre Vandamme er eind 1971 de brui aan geeft, neemt de ambitieuze Van Maele de sjerp over. ‘Geen woorden, dáden’ is het devies van deze rasechte ondernemer. Hij laat de reien saneren, laat een structuurplan voor stadskernvernieuwing opmaken en initieert heel wat bouwprojecten in de binnenstad: de stadsbibliotheek Biekorf met ondergrondse parking, het Zilverpand, het nieuwe gerechtshof… In de Brugse rand koopt hij uitgebreide groenzones op om er sport- en ontspanningsinfrastructuur aan te leggen. Onder meer het Olympiastadion (nu Jan Breydelstadion) wordt tijdens zijn bewind gerealiseerd.

In zijn voortvarendheid verliest Van Maele de menselijke, sociale en ecologische consequenties uit het oog. Dit is althans de mening van De Lastige Bruggeling. Het eerste nummer van de stadskrant opent met de vraag: ‘Is Brugge leefbaar?’. In de acht jaren die volgen, blijft de leefbaarheid van Brugge het hoofdthema van de kritische stadskrant. De Lastige Bruggeling bericht over mensen die gedwongen hun huizen moeten verlaten voor nieuwbouwprojecten, grondspeculatie, de nauwe en schimmige relatie tussen het stadsbestuur en vastgoedmakelaars, bedrijven die de gezondheid van de omwonenden bedreigen, arme en oude mensen die worden weggestopt in inspiratieloze sociale woningen en bejaardentehuizen, de expressweg die Sint-Andries en Sint-Michiels doorklieft en al snel verkeersslachtoffers eist… Een ander terugkerend thema is het toeristisch beleid in Brugge, dat met zijn façadisme, historische stoeten en middeleeuwse tornooien ver weg zou staan van het dagelijks leven in de stad. Kritieken die tot vandaag nazinderen in de Reiestad.

Lastige Bruggeling 2 (Small)
De Lastige Bruggeling hekelt de praktijk van de Marcus Gerards-stichting om arme mensen uit hun huizen te zetten, die huizen vervolgens te restaureren en aan hoge prijzen te verkopen of te verhuren, coll. Openbare Bibliotheek Brugge

De Lastige Bruggeling fungeert als spreekbuis van tal van actiegroepen in Brugge en ommeland: het actiecomité Tussen Haven en Polder, Oxfam-wereldwinkel, het vrouwenhuis, BAKS (Brugse Actiegroep voor Kernstop) enz. De lezers van het maandblad zijn ook in die kringen te vinden, al krijgen de scherpe artikels ook veel weerklank in Brugse politieke kringen én in Brugse huiskamers. In 1980 telt De Lastige Bruggeling 300 abonnees. Nog eens 700 exemplaren worden verspreid via krantenwinkels, cafés en natuurwinkels.

Zo veel pennen, zo veel meningen

Met de gemeenteraadsverkiezingen van 1976 breken lastige tijden aan voor De Lastige Bruggeling. De nieuwe SP-burgemeester Frank Van Acker belooft beterschap op veel punten die de stadskrant de voorgaande jaren heeft aangeklaagd: een meer sociaal woonbeleid, een verbod op het vervoer van radioactief afval over het Brugse grondgebied, een verkeersbeleid dat de fietsers en voetgangers favoriseert…  Het uitblijven van concrete realisaties en het eigengereide optreden van Van Acker, die een koele minnaar is van burgerparticipatie, zorgt voor verdeeldheid bij de redactie van De Lastige Bruggeling. Verbittering en ontgoocheling steken de kop op: over het immobilisme van de politieke wereld, het onvermogen om de idealen om te zetten in echte politieke vernieuwing, de droom van mei 1968 die maar niet uitkomt.

Lastige Bruggeling 1 (Small)

 

In januari 1982 verschijnt het laatste nummer. Het medium lijkt doodgebloed, de redactionele pen uitgedroogd. In het laatste nummer blikken verschillende redactieleden zelfkritisch terug op acht jaar lokale verslaggeving en zoeken naar een verklaring voor het plotse einde. De meningen zijn diffuus. ‘Eenvormigheid in visie en politieke doelstelling is nooit onze sterke kant geweest’, schrijft de hoofdredacteur. Sommige redactieleden hopen dat de Vrije Radio en andere kritische media de fakkel zullen overnemen. Feit is dat de kwesties, die De Lastige Bruggeling heeft opgerakeld, nooit meer helemaal zijn gaan rusten. Zo pent Eric Van Hove, één van de lastige Bruggelingen, tien jaar later zijn verzuchtingen voor zijn stad nog neer in het boek ‘Brugge word wakker!’. De Bruggelingen kunnen niet zeggen dat zij het niet hebben geweten…

Meer weten?

In de Openbare Bibliotheek Brugge kan je alle nummers van De Lastige Bruggeling raadplegen.

Portret van broeder Cornelis Brouwer

In 1573 portretteert een schilder broeder Cornelis Brouwer, een minderbroeder in Brugge. Hij is op dat ogenblik 52 jaar. Het opschrift op het schilderij vermeldt zijn herkomst: het Nederlandse Dordrecht. Daar is hij inderdaad geboren maar na studies en een docentschap in Leuven, is hij vanaf 1546 in Brugge terug te vinden. Tot aan zijn dood in 1581 zal hij er, op enkele jaren na, permanent verblijven. En een reputatie opbouwen. Een stevige reputatie zelfs, die de grenzen van tijd en plaats ruim overschrijdt.

Cornelis Brouwer raakt wijd en zijd bekend als een vurig preker. Daarbij schaart hij zich vierkant achter de paus in Rome en achter de Spaanse koning die op dat moment heerst over de Nederlanden. Hij staat met andere woorden voor alles wat orthodox katholiek is en trekt van leer vanaf het moment dat de bevoorrechte positie van de katholieke kerk in het gedrang komt. Aangezien in zijn tijd het protestantisme volop in opkomst is, weet Brouwer dus wat gedaan. Maar ook gematigde katholieken, die wel sympathie kunnen opbrengen voor de nieuwe stromingen binnen het geloof, mogen op Brouwers gesel rekenen.

0000_GRO0392_I 003
Anoniem, Portret van broeder Cornelis Brouwer, 1573, coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO0392.I), foto: Dominique Provost

Een mooi voorbeeld is Brouwers verzet tegen de plannen van het Brugse stadsbestuur om de armenzorg te hervormen. Voortbouwend Juan Luis VivesDe subventione pauperum wil het bestuur, met als voortrekker Gillis Wyts, de armenzorg onttrekken aan de kerk en er een overheidszaak van maken. Applaus bij de gematigde, humanistisch geïnspireerde katholieken. Voor Brouwer is dit echter een inbreuk op de macht van de kerk, waaraan hij bovendien een luthers kantje ziet. Helaas voor Brouwer worden de maatregelen doorgevoerd. De preker verdwijnt voor een tijdje naar Ieper. Enkele jaren later is hij weer in Brugge terug.

Den 26. Decembris was ’t met B. Cornelis wederomme alzo afgrijselijk en gruwelijk te roepen, te tieren, te schreemen, te stampen, te smijten, te spartelen en te springen in zijnen predikstoel dat de honden op hem gingen staan bassen. Uit: Historie van B. Cornelis, 1569

Ook in de katholieke leer is Brouwer een man van de strikte lijn. In zijn boekje De seuen Sacramenten bespreekt hij ieder sacrament op uitvoerige wijze. Wanneer het sacrament van het huwelijk aan bod komt, schrijft Brouwer dat een huwelijk enkel iets is voor die mensen bij wie bidden, mediteren, vasten, waken… niet helpt om de vleselijke verlangens te onderdrukken. Ook in zijn preken zegt hij nadrukkelijk dat het celibaat een hogere status heeft dan het huwelijk. Een visie die zijn tegenstanders met veel smaak en graagte oppikken en uitvergroten.

Pittige preker

Dat doen ze in twee satirische boeken, de Historie van B. Cornelis, die verschijnen in 1569 en 1578 en die het personage ‘Broer Cornelis’ lanceren. De zeer lange titel van het eerste boek (we hebben hem hierboven afgekort) somt op wat er allemaal in het boek te lezen valt. Het eerste deel is meteen het sappigste en sluit precies aan bij Brouwers visie op het huwelijk. Daar wordt namelijk verhaald over ‘de Discipline ende secrete penitencie of geesselinghe die hy gebruycte met zijn Devotarigen’.

1r_uitsnit (Small)
Titelpagina van de Historie van B. Cornelis, 1569, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (13/724)

De auteur, Christianus Neuter (vertaald: een onpartijdige christen), vertelt er hoe Broer Cornelis een geheim genootschap opricht voor getrouwde vrouwen, weduwen en meisjes. De laatste twee groepen roept hij op niet (opnieuw) te trouwen. De getrouwde vrouwen mogen seks enkel ondergaan en zeker niet actief deelnemen of ernaar verlangen. Wie toch gezondigd heeft, moet een geheim ritueel ondergaan, de ‘secrete penitentie’. Daarbij moet de berouwvolle vrouw naakt voor biechtvader Cornelis verschijnen, hem een zelfgemaakte geselroede geven en vragen om haar zondig lichaam te straffen. Wat Cornelis dan ook met lichte klapjes doet.

B_OB_HF680_voorwerk2r (Small)
Uitgave van de Historie van B. Cornelis uit 1687 met op de titelbladzijde de ‘secrete penitentie’, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (HF680)

De anonieme auteur zegt dat hij zich voor dit relaas baseert op de officiële verklaringen van twee vrouwen die uit het genootschap gestapt zijn. Dergelijke documenten zijn echter nooit teruggevonden. Het is dus moeilijk te bepalen in welke mate de tekst op waarheid berust. Feit is wel dat in de late jaren 1560 dergelijke geruchten de ronde doen. Dat de auteur de spreektaal van de personages levendig weergeeft en details verwerkt die, in die tijd, verifieerbaar zijn, maakt het natuurlijk ook aanlokkelijk om alles voor waar aan te nemen.

De sermoenen van Broer Cornelis nemen het grootste deel van de boeken in beslag. Het zijn niet de volledige preken die worden weergegeven. Het gaat om een opeenvolging van fragmenten die politieke onrust kunnen geven. Ook deze stukken zijn in de spreektaal weergegeven waarbij opvalt dat een driftige Broer Cornelis het platte taalgebruik niet schuwt. Of Broer Cornelis deze preken echt uitgesproken (of: uitgespuwd) heeft, blijft ook weer een vraagteken. Maar ook hier verwerkt de auteur weer heel wat feiten uit die tijd.

B_OB_13.724_040r_uitsnit (Small)
Startpagina van het deel met de sermoenen van Broer Cornelis waarin hij zijn ‘grote haat uitspuwt’ die hij o.a. tegen de Brugse stadsmagistraat, de calvinisten en de lutheranen koestert. Coll. Openbare Bibliotheek Brugge (13/724)

Tot in de 18de eeuw verschijnen er heruitgaven van de twee delen van de Historie van B. Cornelis, ook buiten het Nederlandse taalgebied. In historische en literaire werken vindt men honderden verwijzingen naar hem terug. Ook in beeld legt men hem vast; voor het ene portret van Cornelis Brouwer zijn er talloze andere van Broer Cornelis. Het mag niet verbazen dat in die beelden verwijzingen naar de ‘secrete penitentie’ gretig worden verwerkt.

Anonieme auteur

Net als de schilder van het portret, zijn de auteur, de uitgever en de drukker van het boek anoniem. Op de achterzijde van het portret staat geschreven dat het gemaakt is door Hubertus Goltzius. Helemaal uit de lucht gegrepen is dit niet. Bij de schilderbiograaf Karel van Mander lezen we immers dat Goltzius een portret van Cornelis heeft gemaakt. Maar de beschrijving ervan klopt helemaal niet met het portret uit de Groeningecollectie.

0000_GRO0392_I 007
Detail van het etiket op de achterzijde van het Portret van Cornelis Brouwer. Er staat te lezen: Portrait original de Frère Corneille Adriaensen de Dordrecht fait d’après nature à Bruges en 1573 par Hubert Goltz ou Goltzius. Coll. Groeningemuseum Brugge (0000.GRO0392.I), foto: Dominique Provost

Verder noteert Van Mander ook, maar met veel twijfel, dat Goltzius de preken van Broer Cornelis zou hebben genoteerd en uitgegeven. Erg waarschijnlijk is dit echter niet: Goltzius’ persen liggen stil wanneer de Historie verschijnt en ook komt het taalgebruik in het boek niet overeen met dat van Goltzius. Maar het brengt ons wel naar het milieu waar de mogelijke auteur, uitgever-financier en drukker te situeren zijn, namelijk dat van Brugse, door Erasmus geïnspireerde humanisten. Echter niet naar de plaats.

Er zijn heel wat aanwijzingen dat het eerste deel van de Historie in het Engelse Norwich gedrukt is met Anthony de Solempne als uitgever-financier en Albert Christiaenz.als drukker. Beiden zijn als protestanten de Nederlanden ontvlucht. Omdat de Historie een lijvig boekje is, zijn er waarschijnlijk nog financiers bij de uitgave betrokken. Namen die vallen zijn Marcus Gerards en Leonard Casembroodt jr., die allebei in 1568 omwille van hun geloof uit Brugge verbannen worden en naar Engeland trekken.

B_OB_HF162_1_voorwerk3r (Small)
Uitgave van de Historie van B. Cornelis uit 1698 met bovenaan een prekende broer Cornelis en onderaan de ‘secrete penitentie’, coll. Openbare Bibliotheek Brugge (HF162)

Casembroodt is op zijn beurt een vriend van Gillis Wyts, Brugs stadspensionaris, die een aantal keer stevig in aanvaring komt met Cornelis Brouwer. Misschien is het wel deze Gillis Wyts die schuilgaat achter het pseudoniem Christianus Neuter en die het boek heeft samengesteld. Wyts schrijft wel meer, onder andere levert hij bijdragen aan enkele publicaties van Goltzius. Als stadspensionaris is hij goed op de hoogte van het reilen en zeilen in de stad. En laat de Historie nu net opvallen door het Brugse perspectief, de Brugse gebeurtenissen en de Brugse personages.

Feit en fictie: wat Broer Cornelis en zijn Historie betreft zijn ze nog altijd niet uit elkaar gehaald. Ondertussen glimlacht Cornelis Brouwer fijntjes verder.

Ende men sal altijt ghedencken Broer Cornelis,

Die gheerne van stront preecte, ende van teuen heet:

Die de Vroukens geesselde, ooc elc beschimpte en beet

En sulck een fijn man was, daer af datter noch veel is.

FINIS

Uit: Historie van B. Cornelis, 1569

Meer weten?

De Openbare Bibliotheek Brugge bezit een zeldzaam exemplaar van de eerste uitgave van de Historie van B. Cornelis uit 1569. Je kan het doorbladeren via de Flandrica-website.

Karel Bostoen beet zich vast in de Historie en publiceert er uitvoerig over. Voor dit artikel werden geraadpleegd:

  • Broer Cornelis en zijn historie: een politieke satire, in: Literatuur, 1 (1984), p. 254-261.
  • Brouwer, Cornelis, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, deel 14, Brussel, 1992, kol. 79-89.
  • Realisme in De Historie van Broer Cornelis, in: Secrete penitentie. Bijdragen tot de geschiedenis der Nederlandse satire, nr. 12 (1993), p.3-13.
  • De wolf onder de schapen. Afbeeldingen van Broer Cornelis, in: Karel Bostoen, Elmer Kolfin en Paul J. Smit (red.), ‘Tweelinge eener dragt’. Woord en beeld in de Nederlanden (1500-1750), Hilversum, 2001, p. 41-74 (samen met Daniël Horst)
  • Waar kwam de Historie van B. Cornelis (1569) van de pers? Het spoor terug naar plaats van uitgave, boekverkoper en boekdrukker, in: Handelingen van het Genootschap voor geschiedenis te Brugge, 151 (2014), p. 65-111.

De grafplaat van Gunild

De collectie van de Brugse Sint-Salvatorskathedraal bezit een mysterieus object. Een kleine loden grafplaat waarop een Latijnse tekst het verhaal doet van de Engelse edelvrouw Gunild. Op het eerste zicht een boeiend tijdsdocument van een in Brugge overleden verwante van het Engels koningshuis in de 11de eeuw. Of is het toch niet zo simpel en blijken er meer Gunilds in het spel betrokken? In 2003 zocht J. Huyghebaert het voor u uit…

 

Drie Gunildes

Als we vandaag de tekst op het grafplaatje lezen, lijkt de inhoud ervan niet dubbelzinnig. Gunild, een Engelse, geboren uit zeer edele ouders, verlaat Engeland en gaat als ballinge naar Sint-Omaars in Vlaanderen. Ze komt terecht in Brugge en sterft er ook in 1087.

Grafplaat Gunildis
De loden grafplaat van Gunild met de Latijnse tekst, gegrift in karolingische minuskel

Wie is die Gunild waarvan sprake in de tekst, neergeschreven op een loden grafplaatje van 25 op 20 cm, onder haar hoofd mee in de kist begraven?

Het verhaal brengt ons naar het Engeland van de 11de eeuw. De Deense prins Knut is er in de jaren 1016-1018 op autoritaire wijze koning. Daarnaast heerst hij ook over grote delen van Noorwegen en Zweden. Knut heeft Engeland als uitvalbasis, in zijn oude thuisland regeren verwanten in zijn naam. Het is daar dat we de eerste Gunild tegenkomen. Ze is een nicht van Knut.

Knut bekroont zijn verovering van Engeland met zijn huwelijk met Emma, de weduwe van de recent overleden Engelse koning. Samen krijgen zij een dochter: Gunild. Daarmee verschijnt de tweede Gunild op het toneel. In 1038 sterft zij echter in Italië aan de pest, op het moment dat haar moeder Emma, na de dood van Knut, in ballingschap verblijft in Sint-Omaars en/of Brugge.

Add. 33241, f.62v
Het ‘Enconium Emmae Reginae’ of ‘Lofdicht op koningin Emma’ uit de 11de eeuw wordt bewaard in de British Library. Emma trouwt met Knut en zij krijgen een dochter, Gunild. Foto: British Library, Londen

De derde Gunild van dit verhaal is de dochter van Godwin en Gytha. Godwin is tijdens het bewind van Knut graaf van Wessex en een belangrijk raadgever van de koning. Het is Godwins zoon, Harold II die koning van Engeland zal worden en zal sneuvelen in de slag bij Hastings in de strijd tegen Willem van Normandië in 1066. Omdat ook Godwin na de dood van Knut in ongenade valt bij de nieuwe Engelse koning, verblijft Gunild samen met haar broers in 1051-1052 als ballinge in Brugge.

Drie Gunildes dus. In een web van koningen, graven en veldslagen.

Drie graven

Na de slag bij Hastings en de dood van haar broer Harold II moet Gunild, dochter van Godwin, opnieuw vluchten. Met een schip, zwaarbeladen met kostbaarheden landt ze in Sint-Omaars en verhuist tenslotte naar Brugge. Een plaats die ze al kent van haar vorige ballingschap. In 1087 sterft ze er, op 24 augustus.

Tapisserie de Bayeux - Scène 55 : le duc Guillaume se fait reconnaître.
Scène uit de Slag bij Hastings (1066) op het wandtapijt van Bayeux. Als gevolg van deze strijd, zoekt Gunild, dochter van Godwin, andere oorden op en komt in Brugge terecht. 

Op het loden grafplaatje dat in haar kist onder haar hoofd is  gelegd, staat te lezen: ‘Gunild was een Engelse, geboren uit zeer edele ouders. Haar vader was graaf Godwin, militair opperbevelhebber in een groot deel van Engeland. Haar moeder sproot voort uit een vooraanstaand Deens geslacht. (…) Toen zij al de huwbare leeftijd had bereikt werd Engeland overwonnen door Willem, en haar broer Harold, koning der Engelsen, door dezelfde gedood. Zij verliet haar vaderland en verbleef in Sint-Omaars in Vlaanderen. (…) Van daar kwam zij naar Brugge. Na hier een aantal jaren doorgebracht te hebben trok zij naar Denemarken. Na haar terugkeer ging zij als maagd naar de Heer in het jaar 1087 (…).’ Een duidelijke identificatie dus: het gaat hier om de derde Gunild, dochter van Godwin. Of toch niet?

5.
Het grafmonument van Gunild rond 1700. Foto: M. English, Dagklapper, II, 93

Alles heeft te maken met het opschrift op het grafmonument van Gunild, in de zuidoosthoek van de Sint-Donaaskerk in Brugge.
Ten eerste verraadt de bouwgeschiedenis van de kerk wellicht dat haar grafmonument ongeveer een eeuw na haar dood is opgericht.  Voor een eerste keer wordt Gunild opnieuw begraven. De Angelsaksische prinses krijgt in Sint-Donaas een monument met een beeld van Maria en het lichaam van Christus op haar schoot. Het beeld staat in een nis op de deksteen die het eigenlijke graf afsluit. Daarop staat echter het volgende te lezen: ‘Voor Gunild, dochter van Knut de koning van Engeland, Denemarken, Noorwegen en Zweden, (…). Na een zeer zware belediging vanwege haar man heeft zij in deze vesting (de Burg van Brugge) een religieus leven geleid, en zij is er op 21 augustus 1043 overleden. Voor haar heeft deze kerk, waarvoor ze zeer vrijgevig was, dit grafmonument opgetrokken.’ Een groot deel van haar vermogen, dat ze bij haar vlucht uit Engeland heeft meegenomen, komt immers in Sint-Donaas terecht. De tekst verwijst echter naar die andere Gunild, de dochter van Knut. Erger nog, het vreemde jaartal 1043 heeft alles te maken met die andere Gunild, de nicht van Knut. Zij is mogelijk rond die periode door Godwin verbannen uit Engeland, wanneer ze probeert de Deense invloed aan het hof te vergroten, ten nadele van Edward de Belijder, die door Godwin in 1042 de Engelse kroon verovert.

4. (Small)
De Sint-Donaaskerk op de kaart van Marcus Gerards (1562). Het grafmonument van Gunild bevindt zich aan de zuidoostkant van het koor. Gerards tekent de noordoostkant.

Op die manier koppelen de kronieken een Gunild aan het jaar 1043. Zo zorgen een mix van interpretaties van diverse middeleeuwse onduidelijke bronnen, die vooral over de andere Gunilds verhalen, dat de dochter van Godwin voor een paar eeuwen uit de geschiedenis wordt gewist.

Erger nog, wanneer in de 16de eeuw de beeldenstorm de stad passeert, sneuvelt ook het graf bij Sint-Donaas in de storm van geweld. Tientallen jaren later komt er een nieuwe grafsteen in de plaats van het totaal vernielde monument. Met dezelfde tekst als op de vorige graven. Het zou dus weleens kunnen dat op Gunilds graf nooit iets anders te lezen is geweest dan het wel en wee van twee totaal andere naamgenoten.

Eén grafplaatje

Tot 31 maart 1786. Werkzaamheden aan de kerk, die in de 16de eeuw intussen een kathedraal is geworden, halen de ware Gunild uit de vergetelheid. Bij haar grafmonument treft men de resten van haar beenderen aan. En het befaamde loden plaatje onder haar hoofd. De arme Gunild, haar resten en ‘identiteitskaart’, krijgen een nieuwe kist met bisschoppelijk zegel.

6. (Small)
Afbeelding van Knut van Denemarken. Hij heeft zowel een dochter als een nicht die Gunild heten en aan de basis liggen van de verkeerde toeschrijvingen op het grafmonument van Gunild, de dochter van Godwin.

Maar nog is de lijdensweg van Gunild niet voorbij. Tijdens de Franse overheersing vinden militairen in 1804 de nieuwe lijkkist van de prinses in de grotendeels gesloopte kathedraal. Alles wordt vernietigd. Behalve de loden grafplaat. Die levert immers nog wat centen op voor de vinders.

Stilaan komt een eind aan de calvarietocht. Via enkele tussenpersonen komt de laatste resterende herinnering tenslotte in de Sint-Salvatorskathedraal terecht. Kort daarna begint ook de zoektocht naar de ware identiteit van Gunild, dochter van Godwin, graaf van Wessex en vertrouweling van de, in een ver en mysterieus verleden, machtige koning Knut.

Meer weten?

Lees het artikel van J. Huyghebaert, ‘De Angelsaksische prinses Gunild te Brugge’, in: Biekorf, jaargang 103 (2003), p. 270-284.

Het draakje van de Waterhalle

Brugge, 13de eeuw. De stad bloeit als handelscentrum, schepen varen af en aan met koopwaar. Via de Reie kunnen ze het hartje van de stad bereiken. Een schip lossen in de regen is natuurlijk niet comfortabel. Daarom besluit de stad om een imposant gebouw over de Reie op te trekken, de Waterhalle.

Zo kunnen goederen beschut gelost worden. De bovenruimtes van de Waterhalle gebruikt men als loods of stapelruimte. Brugge heeft in de middeleeuwen een alleenrecht op een aantal ‘stapels’. Alle koopwaar die via de voorhavens van het Zwin, Damme en Sluis wordt gelost, behoort tot het stapelrecht van Brugge.

Een wonder van een gebouw

In 1294 is het hoofdgebouw van de Waterhalle klaar. Het heeft een lengte van 95 meter, een breedte van 24 meter en een hoogte van circa 30 meter en neemt de hele oostkant van de Markt in. Aan de kant van de Markt staat een lagere aanbouw waarin handelshuizen en winkels een onderkomen vinden. Dat de Waterhalle afgebeeld staat op het schilderij ‘De zeven wonderen van Brugge’, zegt veel over het belang ervan.

uitsnede_MG (Small)
De Waterhalle op de kaart van Marcus Gerards, 1562

In de 17de eeuw raakt de Waterhalle in onbruik. Het handelscentrum verplaatst zich naar andere delen van de stad, onder andere naar de Handelskom. Vanaf 1787 valt de watertoevoer richting Waterhalle zelfs helemaal weg omdat de Kraanrei ter hoogte van de Kraanbrug wordt volgestort. Datzelfde jaar besluit het centrale gezag in Brussel om de Waterhalle af te breken. Dit onder luid protest van de Bruggelingen. De gerecupereerde bouwmaterialen gaan naar de nieuwbouw van de kazerne in de Langestraat, die verrijst waar het Kartuizerklooster stond.

0000_GRO0693_I 010
De afbraak van de Waterhalle, 1787, coll. Groeningemuseum Brugge (GRO.0693.I)

Vandaag blijven van de Waterhalle slechts fragmenten en brokstukken over. Bij de afbraak van enkele gebouwen begin 20ste eeuw met het oog op verdere werken aan het Provinciaal Hof, worden nog twee zuilen gerecupereerd. Die staan vandaag in het Arentshof.

8.2.d
Bij afbraakwerken op de hoek van de Markt en de Philipstockstraat recupereert men twee zuilen van de Waterhalle, 1908, coll. Stadsarchief Brugge/Beeldbank Brugge

Een wonder van een dier

Een meer raadselachtig fragment is dit draakje. Heel veel informatie erover hebben we niet, maar we kunnen wel een en ander afleiden.

Het is een zware steen en omdat er een draak afgebeeld staat, gaat het heel waarschijnlijk om een basement, het onderste gedeelte van een zuil. De draak bevindt zich immers onderaan de wereld. Het steenfragment wordt in de late 13de eeuw gedateerd, wanneer de Waterhalle gebouwd wordt.

VI.O.0296 (Small)
Het draakje van de Waterhalle, coll. Gruuthusemuseum Brugge (VI.O.0296)

Het draakje heeft een hondachtige kop, een reptielachtig lichaam, vlerken en de poten van een roofdier, mogelijk een katachtige. In middeleeuwse voorstellingen zijn draken vaak hybride wezens, samengesteld uit verschillende dieren. Vaak associeert men draken met de duivel of met de slang die Eva verleidt in het aards paradijs, waardoor dat paradijs voor de mens verboden terrein wordt. Maar waarom een drakenfiguurtje afbeelden in de Waterhalle, een gebouw zonder religieuze functie? Uniek is het niet. In en op veel officiële gebouwen van die tijd komen antropomorfe (half mens, half dier) en dierlijke wezens voor. Zo dartelen er halfwezens zoals zeemeerminnen op de kraagstenen van het Brugse stadhuis. Is deze draak misschien een zeewezen dat bezworen is tijdens de reis naar de Waterhalle?

Fabeldieren

Vandaag zijn fabeldieren nog steeds erg populair in verhalen. Denk maar aan Harry Potter, Twilight en Game of Thrones, waarin halfmenselijke wezens, draken, griffioenen en andere wonderbaarlijke creaturen rondrennen en -vliegen.

Bestiarium_hydra
Veelkoppige hydra in een Bestiarium, coll. British Library Londen

In middeleeuwse overleveringen komen zo vaak mythologische fabeldieren voor dat men er zelfs een apart genre van verluchte handschriften aan wijdt, het bestiarium. Naast echte dingen, zoals stenen, planten en dieren worden daarin ook allerlei fabelwezens besproken en beschreven.

Niets nieuws onder de zon dus. Fabeldieren komen voor in alle culturen, zijn van alle tijden en zijn een bron voor vele grote verhalen, in de wereld en in Brugge.

Meer weten?

Luc Devliegher, Van Waterhalle tot Provinciaal Hof, Brugge, 1994

A. De Koomen, E. M. Moormann, Monsters en fabeldieren, 2500 jaar geschiedenis van randgevallen, Ludion, 2003