Het Stoetenboek van Adolf Duclos

Op 15 augustus 1887 maakt koning Leopold II zijn opwachting  in Brugge. Hij komt er op de Markt het standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninc onthullen. Dat gaat met veel feestgedruis gepaard. Het ‘Stoetenboek’, dat bewaard wordt in Westflandrica, de Provinciale Erfgoedbibliotheek, geeft een inkijkje in de voorbereiding van de festiviteiten.

Al in 1867 richt men in Brugge een Breydelcommissie op, die fondsen voor het standbeeld inzamelt. In 1882 schrijft het Brugse stadsbestuur een ontwerpwedstrijd uit. De Brusselse beeldhouwer Paul De Vigne komt als winnaar uit de bus. Het monument wordt in 1887 onder ruime belangstelling op zijn voetstuk geplaatst en het wordt maar liefst twee keer onthuld! De reden daarvoor is een dispuut tussen de liberale Breydelcommissie en het katholieke stadsbestuur.

Opzij opzij, opzij de Guldensporenstoet gaat voorbij

Een eerste officieuze onthulling van het monument, georganiseerd door de Breydelcommissie, vindt plaats op 11 juli 1887. Het stadsbestuur, dat in 1886 een eigen stedelijke Breydelcommissie in het leven had geroepen, organiseert grote feestelijkheden van 14 tot 22 augustus 1887. De eigenlijke onthulling in aanwezigheid van de vorst is uiteraard een hoogtepunt. Maar ook de  rondgang van de ‘Guldensporenstoet’ kan op massale belangstelling rekenen.

De stuwende kracht achter deze historische optocht is kanunnik Adolf Duclos. Die is daarmee niet aan zijn proefstuk toe. In 1875 had hij ook al de Blindekensprocessie vernieuwd en in 1884 gaf hij een Karel de Goedestoet vorm. Ter gelegenheid van de onthulling van het standbeeld werkt Duclos een stoet uit met twaalf taferelen, waaronder ‘Pieter de Coninc verlost uit het gevang’, ‘de Brugsche Metten’, ‘het leger trekt op naar Kortrijk’, ‘de zegevierende terugkomst van het leger’ en een afsluitende ‘zegewagen’.

Het moet correct zijn

Duclos spendeert weken aan de minutieuze voorbereiding van de stoet: de uitwerking van de taferelen, het ontwerp van de kostuums en rekwisieten, de praalwagens,… Hij hecht daarbij veel belang aan historische correctheid. Een belangrijk deel van zijn voorbereidingen bundelt hij in wat bekend staat als het ‘Stoetenboek van Adolf Duclos’, een in leer ingebonden bundel van bijna 9 centimeter dik. Vooraan prijkt het opschrift ‘Historische Stoet Breidel & De Coninc’. Het album geeft ons een — wellicht onvolledig — beeld van Duclos’ inspiratiebronnen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De bundel begint met een aantal losse knipsels in verband met de organisatie van de stoet. Daarna volgt de eigenlijke documentatie, geordend met tussentitels zoals ‘heren, klederdracht’, ‘wapenmannen’, ‘ridders’ en ‘wagen Groeninghe’. Het gaat vooral om tekeningen die Duclos heeft overgenomen uit verluchte handschriften uit de nationale bibliotheken van Brussel en Parijs, en uit publicaties van Viollet-Le-Duc. Maar er zijn bijvoorbeeld ook ingekleurde versies van wapenschilden. Uit de vele voorbeelden selecteert hij de relevante schetsen. Daarmee gaan de kleermakers op hun beurt aan de slag.

Het Stoetenboek is het meest spectaculaire, maar niet het enige deel van Duclos’ voorbereiding die bewaard bleef. Er zijn ook nog fraaie ontwerptekeningen voor de praalwagens en een register waarin Duclos noteert wie mee opstapt in de stoet, welk kostuum hij/zij draagt en welke rekwisieten nodig zijn.

Souvenirs

Wie de stoet komt bekijken, kan kiezen uit een gamma aan programmabrochures, al dan niet fraai geïllustreerd. Daarin staan alle groepen vermeld en wordt historische duiding gegeven. P. Raoux geeft een ‘gedenkboek’ uit: een meer dan vijf meter (!) lange litho van alle taferelen, gebaseerd op een tekening van de Brugse schilder Eugène Legendre. Er zijn ook tientallen foto’s van de stoet genomen. Daarop zien we de figuranten en de praalwagens voor het vertrek en de stoet in de Brugse straten.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Ook dat materiaal verzamelt Duclos. Foto’s, brochures, folders, krantenknipsels tot zelfs een chocoladewikkel met een afbeelding van het standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck: het belandt allemaal in zijn archief, netjes geordend in mappen. Deze mapjes zijn op hun beurt, samen met het Stoetenboek, in 1966 in de Provinciale Erfgoedbibliotheek terechtgekomen.

2674 (Small)
Fragment uit het gedenkboek van de Guldensporenstoet met tekeningen van Eugène Legendre, collectie Westflandrica

Het Stoetenboek raadplegen?

Neem contact op met Westflandrica, de Provinciale Erfgoedbibliotheek.

Meer lezen?

Gaby Gyselen, ‘Een stoetenboek van kanunnik Adolf Duclos 1887’, in: Album Antoon Viaene, Brugge, 1970, blz. 221-228.

André Vanhoutryve, Jan Breydel en Pieter de Coninc, Brugge, 1987.

Jeroen Cornilly (red.), Westflandrica. Over de collectie van de Provinciale Bibliotheek West-Vlaanderen, Brugge, 2015.

Het zelfportret van Joseph Benoît Suvée

Niet ver van de Vismarkt in Brugge ligt de Jozef Suvéestraat. Suvée is de eerste kunstenaar die al kort na zijn overlijden in 1807 een straatnaam krijgt in zijn geboortestad. Niet verwonderlijk: hij heeft de Brugse kunst voor het eerst sinds eeuwen opnieuw op een hoog internationaal niveau gebracht en blijft tot het midden van de 19de eeuw hét na te volgen voorbeeld.

Een leugentje om bestwil

Suvée, geboren in 1743 in de Korte Vuldersstraat naast Sint-Salvator, start zijn kunstenaarsopleiding aan de Brugse academie. In 1763 trekt hij naar Parijs om zijn opleiding te vervolmaken. In 1771 neemt hij als leerling van de ‘Académie royale de Peinture et de Sculpture’ deel aan de schiftingsproeven voor de ‘Prix de Rome’. De winnaar

0000.GRO2453.II_A4-72dpi
F.A. Vincent, Portret van Suvée, 1774, Brugge Groeningemuseum, (c) Lucas Art in Flanders vzw foto H. Maertens

van deze prijs mag een studiereis naar Rome maken, het summum in die tijd. En jawel: op 31 augustus 1771 roept men Suvée uit tot winnaar. Zijn inzending, ‘De strijd tussen Mars en Minerva’ (een opgelegd thema), hangt vandaag in het ‘Palais des Beaux-Arts’ in Rijsel.

De Brugse kunstenaar verslaat daarbij niemand minder dan Jacques-Louis David, die zou uitgroeien tot hét boegbeeld van het Franse neoclassicisme. Tussen David en Suvée komt het nooit meer goed, te meer daar Suvée als buitenlander eigenlijk niet had mogen deelnemen aan de ‘Prix de Rome’. Enkel Franse onderdanen mochten zich inschrijven voor deze wedstrijd maar de sluwe Suvée had als geboorteplaats het Noord-Franse Armentières opgegeven in plaats van Brugge…!

Hulde!

Dit betekent echter niet dat Suvée zijn geboortestad niet erkentelijk is. Zo fier als een pauw meldt hij zijn overwinning onmiddellijk aan de Brugse academie en hij uit daarbij zijn grote dankbaarheid: ‘Parmi les témoignages que j’en offre à mes maîtres, c’est à vous, messieurs, à qui j’en dois les premières marques.’ Anderhalve maand later, op 16 oktober 1771, wordt Suvée met veel luister in zijn geboortestad ontvangen. Ondanks een zware storm en regen zijn de straten van Brugge versierd en stroomt het volk toe om het wonderkind te feliciteren. Suvée wordt aan de ingang van de stad afgehaald en in een plechtige stoet met niet minder dan 35 koetsen naar de academie gevoerd die zich toen nog in de Poortersloge bevond.

Na deze rijkelijke ontvangst zou het niet meer stuk gaan tussen Suvée en zijn geboortestad. De kunstenaar zou regelmatig naar Brugge terugkeren en uit dankbaarheid verschillende kunstwerken aan de academie geven. Al in 1772 schenkt hij dit zelfportret waarop hij zichzelf als een trotse kunstenaar afbeeldt tijdens het ontwerpen van, jawel, ‘De strijd tussen Mars en Minerva’. Vandaag behoort het zelfportret tot de collectie van het Groeningemuseum.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Een Bruggeling in Parijs

Na zes jaar Italië, vestigt Suvée zich in 1778 definitief in Parijs, klaar om de kunstwereld te veroveren. En het gaat snel. Twee jaar later al wordt hij volwaardig lid van de ‘Académie royale de Peinture et de Sculpture’. Daarmee behoort hij tot de absolute elite van de kunstenaars. Ook nu weer informeert hij meteen de Brugse academie. En ook nu weer trekt een feestelijke optocht door de Brugse straten.

© Cedric Verhelst Ð 2011
Feestschrift voor Suvée ter gelegenheid van zijn lidmaatschap van de Académie royale de Peinture et de Sculpture, 1780, Stadsarchief Brugge (c) Cedric Verhelst

 

Terug in Parijs werkt Suvée gestaag verder. Als ‘Peintre du Roi’ heeft hij een appartement met atelier in het Louvre. Hij krijgt zowel officiële als privé-opdrachten voor het schilderen van portretten en historiestukken en stelt die regelmatig tentoon op de Parijse salons.

Poets wederom poets wederom poets

Een volgend hoogtepunt gloort in 1792: Suvée, een buitenlander (!), wordt aangesteld als directeur van de ‘Académie de France’ in Rome. Jacques-Louis David (weer hij) is woest: ‘Ma prédiction s’accomplit. Qui nommèrent-ils? Qui, Devinez… Suvée, l’horrible aristocrate Suvée, l’ignare Suvée’. Ondertussen is David wel erg invloedrijk geworden en slaagt hij erin Suvées aanstelling te laten annuleren.

0000_GRO0132_I_A4-72dpi_detail
Detail uit J.B. Suvée, De uitvinding van de tekenkunst, 1791, Brugge Groeningemuseum (c) Lucas Arts in Flanders vzw foto H. Maertens

Uiteindelijk trekt Suvée toch aan het langste eind: men herbevestigt zijn benoeming. Door oorlogen duurt het echter nog tot 1801 vooraleer Suvée naar Rome vertrekt. Daar overlijdt hij plots in 1807.

In zes jaar tijd is Suvée erin geslaagd de ‘Académie de France’ weer op de kaart te zetten en tot een kweekplaats voor de belangrijkste Franse kunstenaars te maken. Bij zijn overlijden verklaart Ingres: ‘Wij verliezen een goed directeur en de samenleving een deugdzaam man’. Kunstenaars uit zijn vaderland, onder wie Ducq, Odevaere en Calloigne, richten uit erkentelijkheid in het Pantheon in Rome een gedenkbuste voor hem op. Zij zullen samen met Jean-Bernard Duvivier en François Joseph Kinsoen in de voetsporen treden van Suvée. Samen vormen zij een bloeiende Brugse neoclassicistische schilderschool die zich internationaal op de kaart zet.

Meer lezen?
Dominiek Dendooven, De Brugse academie in de achttiende eeuw, Brussel, onuitgegeven licentiaatsverhandeling V.U.B., 1994, 444 p.

Dominique Marechal, De Brugse schilderkunst en Europa van maniërisme tot symbolisme, in: Brugge en Europa, Antwerpen, 1992, p. 358-383.

Dominiek Dendooven, Joseph Benoît Suvée, toonbeeld van een academische modelcarrière, in: Brugge, Parijs, Rome: Joseph Benoît Suvée en het neoclassicisme, Gent, 2007, p. 8-17.

Dominique Marechal, Joseph Benoît Suvée en zijn Brugse leerlingen, in: Brugge, Parijs, Rome: Joseph Benoît Suvée en het neoclassicisme, Gent, 2007, p. 30-47.

Jan D’Hondt, Het geboortehuis van kunstschilder Joseph Benoît Suvée, 1743-1807, in: Brugs Ommeland, 56 (2016), nr. 1, p. 31-39.

 

 

De gele bijbel

In 1972 schrijft het stadsbestuur van Brugge een basisboekwerk: de ‘gele bijbel’. Daarmee verricht het bestuur baanbrekend werk: het is immers het allereerste document in België waarin op stedelijk niveau aan stadsplanning wordt gedaan. De uitdaging is dan ook niet gering: men wil in de toekomst een evenwicht vinden tussen erfgoedwaarden en stedelijke ontwikkelingen. Klinkt actueel?

DSC_0032 (Small)

Het probleem

Met het Structuurplan Brugge 1972, dat bij de uitgave in 1976 de roepnaam ‘gele bijbel’ krijgt, zet het bestuur de krijtlijnen uit voor het stedelijk beleid in Brugge voor de komende vier decennia. Een belangrijke aanleiding voor het schrijven van het plan is de gemeentefusie van 1971. Brugge fusioneert dan met zeven omliggende gemeenten en groeit uit tot de vijfde grootste stad van België (en zelfs de tweede in oppervlakte). Door deze groei moeten functies als wonen, werken, winkelen, mobiliteit… opnieuw op elkaar worden afgestemd.

ALB_08_043
Prins Albert op bezoek in Brugge n.a.v. de internationale persdag over het Structuurplan, 1973 (c) Stadsarchief Brugge / Beeldbank Brugge

‘Het is thans voor iedereen duidelijk dat het behoud en de herwaardering van historische steden evenals de harmonische ontplooiing van hun suburbia niet kan gebeuren zonder duidelijke richtlijnen en zonder klare strategie: het structuurplan is hiertoe het geëigend instrument.’ Citaat uit het Structuurplan Brugge, uitgave 1976

Men start met het opstellen van een gedetailleerde inventaris van de stedelijke functies en het erfgoed. De focus ligt daarbij op de binnenstad. Na analyse van alle gegevens komt  men uit bij vier problematieken.

Het wegtrekken van de woonfunctie uit de stadskern naar de deelgemeenten staat met stip op één. Dit brengt immers leegstand en verval van gebouwen met zich mee en het tast ook het sociale netwerk aan. Aan de grond van dit eerste probleem ligt probleem twee: het is de concentratie van de dienstensector en de toeristische functies in het stadscentrum die bewoners wegduwt. Een derde pijnpunt is de ongeremde groei van het autoverkeer in de binnenstad. En ten slotte constateert men een continue sloop van het historisch patrimonium.

De oplossing

In de gele bijbel formuleert het stadsbestuur antwoorden op deze problemen. De focus ligt op de woonfunctie in de binnenstad en het herstellen van de harmonie tussen de verschillende stedelijke functies. Men formuleert zeven pijlers ten gunste van een leefbare binnenstad.

FOA19314
Het Zand. Deze foto werd gemaakt door architect René Vandenheede in functie van de opstelling van het Structuurplan (c) Stadsarchief Brugge, verz. J.A. Rau

De belangrijkste is de verbetering van de woningkwaliteit. De in 1979 ingevoerde functionele verbeteringspremie moet dit ondersteunen. Het opstarten van sociale woningbouw en de restauratie van de godshuizen sluit hierbij aan. De opmaak van een erfgoedwaarderingskaart, bijkomende beschermingen en de herziening van de premie voor niet-beschermd, waardevol erfgoed (de zogenaamde ‘Kunstige Herstelling’) komt dan weer het behoud van het patrimonium ten goede. Daarnaast zet het bestuur in op het versterken van het verblijfstoerisme en de aanpak van de mobiliteit in de binnenstad. Het zuiveren van de reien en een actief groenbeheer moeten bijdragen tot het verhogen van de kwaliteit van de stedelijke omgeving.

Deze pijlers dienen tijdens de volgende twintig jaar als toetsstenen bij het ontwikkelen van nieuwe plannen voor de Brugse binnenstad.

De actie

En dan is het tijd voor actie. Heel wat verworvenheden die wij vandaag als vanzelfsprekend beschouwen, vloeien voort uit de lijnen die in de gele bijbel zijn uitgezet.

Zo springt het licht voor koning auto op rood. Stadspleinen krijgen de functie van publieke (voetgangers)ruimte en auto’s worden óf naar een randparking óf naar ondergrondse parkeerplaatsen afgeleid. Al duurt het wel zijn tijd… Voor de Markt is het pas in 1996-97 zover, nadat het stadsbestuur de laatste 63 parkeerplaatsen heeft geschrapt en de heraanleg van het plein is afgerond.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

‘Een grote hindernis voor de heropleving van de Brugse binnenstad is het verkeer. (…) Het stadsweefsel van oude steden kan niet aan het verkeer aangepast worden. Oude steden (zoals oude mensen) sterven gewoonlijk in de loop van dergelijke heelkundige ingrepen. De oorzaken van het verkeer moeten gewijzigd en beperkt blijven.’ Citaat uit het Structuurplan Brugge, 1976

Een ander actiepunt is het gecontroleerd laten groeien van toerisme in de binnenstad, complementair met het kust- en poldertoerisme. Het klinkt vandaag nog steeds herkenbaar: men concentreert het toeristisch circuit in de verkeersvrije/-arme ‘gouden driehoek’. Toeristische informatiepunten, het water en een aantrekkelijk stadsbeeld worden als troeven uitgespeeld. In de decennia die volgen, wordt deze basisvisie steeds verder toegepast en verfijnd, denken we maar aan de hotelstop (1996), de vakantiewoningstop (2002) of de realisatie van het kanaaleiland (2002).

Het vervolg

Na de gele bijbel volgen nog (ruimtelijke) plannen. Daarin krijgen de deelgemeenten de plaats die hen toekomt. Want hoewel mede gegroeid uit de gemeentefusie, was er in de gele bijbel weinig aandacht voor  de wisselwerking tussen de binnenstad en de deelgemeenten en de Zeehaven.

In 2000 dient een nieuwe situatie zich aan: de volledige Brugse binnenstad wordt door UNESCO erkend als werelderfgoed. Naar aanleiding van de UNESCO-aanbevelingen schrijft men in 2012 een Managementplan. De gele bijbel is daarbij het uitgangspunt en een periode van 40 jaar stadsvernieuwing en erfgoedbeleid wordt geëvalueerd.

De toekomstvisie geformuleerd in het Managementplan uit 2012 giet men drie jaar later in een thematisch ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) Stadslandschap. Met dit vernieuwend juridisch instrument wil Brugge een kader scheppen om naast het erfgoed ook de leefbaarheid van de stad te behouden. Aspecten als ‘behoud’, ‘groei’, ‘conservatie’ en ‘vernieuwing’, basisbegrippen uit de Brugse gele bijbel uit 1972, blijken ook vandaag nog verrassend actueel.

Documenten

Structuurplan Brugge, uitgave Groep Planning, 1976

Managementplan UNESCOwerelderfgoed Brugge, 2012 (www.brugge.be)

Perstekst Thematisch Ruimtelijk Uitvoeringsplan Stadslandschap (mei 2015)

De Gemene en Loweiden

Op het einde van de 19de eeuw met een 16de-eeuwse oorkonde zwaaien om je gelijk te halen voor de rechtbank? Jawel, het loont! Daar kunnen de aanborgers van de Gemene en Loweiden in Assebroek en Oedelem over meespreken.

De Gemene en Loweiden beslaan samen circa 80 hectare. In Vlaanderen vormen ze een van de zeldzame overgebleven voorbeelden van ‘gemene grond’. Dat is grond die door een groep gebruiksgerechtigden gemeenschappelijk gebruikt en beheerd wordt – de grond is dus noch individueel privé-, noch gemeentelijke eigendom. Dit staat een beetje haaks op onze geïndividualiseerde en geprivatiseerde maatschappij van vandaag. Maar net daardoor wordt het weer interessant en actueel!

EGC004000135_1988_Beeldbank Brugge_c Wilfried Van Acker
Beeldbank Brugge (c) Wilfried Van Acker

Onder het stof der eeuwen

Hoe en wanneer het gemeenschappelijk beheer van deze gronden zich ontwikkelde, ‘ligt bedolven onder het stof der eeuwen’, zoals Antoine Dombrecht het zo mooi formuleert in Jaarboek 1987 van Heemkring Arsbroek. De oudste, onrechtstreekse verwijzingen staan te lezen in documenten uit de vroege 14de eeuw. En zeker is dat de aanborgers, zoals de gebruiksgerechtigden van de Gemene en Loweiden genoemd worden, in 1475 hun rechten bevestigd zien in een keure van hertog Karel de Stoute. Dan al noteert men dat het gebruikrecht dateert van ‘alsoo langhe tyden daer geen memorie en is van der contrarien’…

In de keure staat onder andere vermeld hoe de aanborgers het beheer van de gronden organiseren en hoe de grond gebruikt mag worden, namelijk voor het laten grazen van vee. De originele keure is verloren gegaan. In het archief van de Gemene en Loweiden in het Brugse Stadsarchief zit echter een keure, opgemaakt door vertegenwoordigers van de Gemene Weiden, waarin de bepalingen uit 1475 zijn overgenomen.

Op 3 augustus 1553 bevestigt Keizer Karel de rechten van de aanborgers opnieuw in een octrooibrief. Dit gebeurt omdat de rechten van de aanborgers in twijfel worden getrokken. En dat zou niet voor het laatst zijn…

Een mannenzaak

Enkel mannen kunnen aanborger worden. Wie wil toetreden, moet bewijzen dat hij van een aanborger afstamt of moet gehuwd zijn met de dochter van een aanborger. In dat laatste geval vervalt het recht wanneer de echtgenote overlijdt of als het echtpaar scheidt. Het gaat dus om een recht via afstamming; in de buurt van Assebroek of Oedelem wonen is geen vereiste.

Gemen Weiden2_via Marc Inghels_bijgeknipt
Vergadering van de aanborgers in herberg ‘Het Pannenhuis’ (gesloopt in 1963)

De aanborgers moeten zich inschrijven in het hoofdboek. Het oudst bewaarde hoofdboek dateert van het begin van de 17de eeuw maar het herneemt de namenlijsten vanaf het begin van de 16de eeuw (noot: tot het midden van de 17de eeuw duiken er regelmatig vrouwennamen op in de lijsten…). Vanaf dan zijn de hoofdboeken met doorlopende inschrijvingen bewaard tot op vandaag. Alleen voor de periode 1703-1718 ontbreken de inschrijvingen.

Vandaag vormen vijf hoofdmannen een soort Raad van Bestuur. De hoofdmannen worden gekozen tijdens de Algemene Vergadering van de aanborgers die om de drie jaar plaatsvindt. Op de Algemene Vergadering van 2014 was ruim de helft van de circa 1000 aanborgers aanwezig.

Vroeger gebruikten de aanborgers de Gemene Weiden om hun vee te laten grazen. Ook vandaag mogen de aanborgers de gronden nog gebruiken. Een deel van de opbrengst keert men aan de aanborgers uit als presentiegeld tijdens de Algemene Vergadering.

Gemene Weiden_kannunik Andries_via Marc Inghels_bijgeknipt
Kanunnik Andries

Bewijsstuk A

In de 16de en 18de eeuw werden de rechten van de aanborgers een aantal keer betwist. Maar vanaf het einde van de 18de (afschaffing van de feodaliteit, introductie Burgerlijk Wetboek) en zeker in de 19de eeuw wordt hen écht het vuur aan de schenen gelegd.

Verschillende overheden proberen achtereenvolgens de gronden in hun bezit te krijgen. In 1863 komt het zover dat het provinciebestuur een commissie installeert die de hoofdmannen vervangt. Maar de aanborgers bijten van zich af. Na een proces dat bijna twintig jaar aansleept, stelt een rechtbank hen in 1882 volledig in het gelijk en wordt hun recht erkend.

Het is de meest eerbiedwaardige titel ter wereld, een ononderbroken bezit sedert meer dan zeshonderd jaar, tweemaal erkend en bevestigd door de vorst zelf, eerst door de Hertog van Bourgondië in 1475, vervolgens door Keizer Karel in 1553. Kanunnik J.O. Andries, 1879

De rechtbank baseert zich voor haar oordeel hoofdzakelijk op het historisch onderzoek van kanunnik Jozef Olivier Andries (1796-1886). Hij duikt in de archieven en diept daaruit een hele reeks documenten op die de eeuwenlange rechten van de aanborgers bewijzen. Waaronder dus de keure van Karel de Stoute en de brief van Keizer Karel. Andries voegt zelfs documenten toe die de rechtsgeldigheid van de ‘Kareldocumenten’ in de voorbije eeuwen bewijzen.

De brief van Keizer Karel is lange tijd onbekend gebleven omdat het handschrift zo moeilijk te ontcijferen is, weet Andries te melden. Gelukkig voor de aanborgers heeft de 19de eeuw een aantal goede paleografen voortgebracht…

EGC004000136_1988_Beeldbank Brugge_c Wilfried Van Acker Assebroek

Beeldbank Brugge (c) Wilfried Van Acker

Meer lezen?

J.O. Andries, Recueil de documents tendant à résoudre la question de propriété des gemeene & looweiden situées à Assebrouck et Oedelem lez Bruges, in: Annales de la Société d’Emulation de Bruges, 30 (1879), p. 141-186.

J.O. Andries, Procès et jugement du tribunal civil de Bruges concernant les Gemeene & Loo-Weiden situées à Assebrouck et Oedelem lez Bruges, in: Annales de la Société d’Emulation de Bruges, 32 (1881-1882), p. 317-357.

Diverse artikels in: Kring Arsbroek Hervé Stalpaert (uitg.), Arsbroek Jaarboek, 4 (1987).

M. de Moor en R. Debbaut, Aanborgers van de Gemene en Loweiden in Assebroek en Oedelem 1515-1965, Brugge, 2002.

M. de Moor, De Gemene en Loweiden in Assebroek als één van de laatste gemene gronden in Vlaanderen. Beknopte geschiedenis van de instelling en inventaris van het archief, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 142 (2005), p. 3-45.

M. de Moor, Avoiding tragedies: a Flemish common and its commoners under het pressure of social and economic change during the eighteenth century, in: Economic History Review (2008), blz. 1-22

Wees eens toerist in eigen stad

Wij zijn er even tussenuit. Deze week dus geen nieuw object op de blog.  We vroegen aan Lore Mechelaere, deelnemer van Hack The City (een denktank van Brugse jongeren), een reactie op het project ‘Brugge in 100 objecten’. Haar antwoord leest u hieronder. Negentien objecten zijn al verschenen, object 20 kan u volgende week op 5 augustus ontdekken. Graag tot dan!

Als een van de deelnemers van Hack The City werd mij gevraagd om even de blog ‘Brugge in 100 objecten’ onder de loep te nemen. Op de blog worden tal van boeiende anekdotes aangeboden over de historie van Brugge. Hiermee zet het Bruggemuseum niet alleen zijn collectie in de kijker, het geeft ons ook de kans om online kennis te maken met de historie van onze stad. En op die manier een breder publiek te bereiken.

Maar wat mij opvalt is dat vele Brugse jongeren niet meer vertrouwd zijn met de historie van hun stad. Museumbezoeken worden te vaak aanzien als een verplichting binnen schoolverband en te weinig als een kans om bij te leren over ons verleden en de snel evoluerende cultuur. Het is ook opmerkelijk dat we op de schoolbanken leren over de Vlaamse Primitieven maar de moeite niet zouden doen om in het echt te gaan ervaren wat voor een impact zo’n werk heeft. Dit is volgens mij een gevolg van de digitalisering van kunstobjecten.

Een blog zoals deze speelt in op de hedendaagse ontwikkelingen en laat ons op een aangename manier kennismaken met het verleden van onze stad maar het is niet genoeg om jongeren opnieuw naar musea te trekken. Onze generatie is opgegroeid met digitale beelden en heeft nood aan echte beelden die we voor onze neus kunnen ervaren. Die ons verwonderen en aanzetten om ons culturele verleden te doorgronden. Dat we best trots mogen zijn op onze stad, bewijzen de jaarlijkse 1 miljoen toeristen. Maar wat we nog nodig hebben is dat kleine duwtje om daadwerkelijk tot actie over te gaan en toerist te gaan spelen in eigen stad.

Nico Blontrock over ‘Brugge in 100 objecten’

Wij gaan er twee weken tussenuit, dus even geen nieuwe objecten op deze blog.  We vroegen aan Nico Blontrock, notoir Bruggeling, een reactie op het project ‘Brugge in 100 objecten’. Zijn antwoord leest u hieronder. Negentien objecten zijn al verschenen, object 20 kan u ontdekken op 5 augustus. Graag tot dan!

Een  tijd terug werd ik gevraagd om mee te helpen denken over 100 items die ergens “iets” met Brugge hebben. Bedoeling was die dan wekelijks voor te stellen op deze blog, als een soort virtueel museum én in het Brugsch Handelsblad. In afwachting van de heropening van het Gruuthusemuseum. Ik heb met veel plezier mee nagedacht over die honderd en herinner me een wat rumoerige bijeenkomst samen met anderen die ook om hun mening was gevraagd. Je kent dat, iedereen is dan de mening toegedaan dat zijn favoriet er zeker bij moet. Wat niet kan, natuurlijk. Maar goed, we zijn er uit geraakt en ik moet eerlijk bekennen dat ik telkens met véél plezier week na week lees wat wordt aangevuld op de blog.

En ik ben niet de enige. Wie een beetje thuis is op sociale media ontdekt al gauw dat velen de copy and paste-manier-van-werken onder de knie hebben. Je ziet her en der items opduiken – al dan niet met bronvermelding – uit de blog. Ook bij mensen die anders niks met (Brugse) geschiedenis hebben. En of dat erg is? Neen hoor, het gaat uiteindelijk om gemeenschappelijk erfgoed. En om de liefde voor die unieke stad die Brugge toch wel is! Want zou er geen mens van wakker liggen, zou dit natuurlijk niet gebeuren ook.

Gruuthuse heropent in 2018, als alles vlotjes blijft verlopen bij de restauratie en de renovatie. En weet je, stiekem hoop ik eigenlijk dat deze blog dan niet verdwijnt. Neen, de blog mag niet verdwijnen. De blog is zo boeiend, je leert er zoveel bij of je frist je geheugen gewoon nog eens goed op. Deze blog zou gewoon moeten doorleven, ook na dat voorjaar in 2018. Al zal de titel dan wel moeten veranderen…Wat dacht je van Brugge in 1000 objecten, als nieuwe doelstelling? Dan zijn we sowieso nog een tijdje bezig. Invullen kan geen probleem zijn. Er zouden nog meer unieke kijkjes op het verleden van Brugge worden gepubliceerd. Zoals hier eerder werd neergepend: vrolijk voor- en achteruit springend door de eeuwen heen. Het leuke is dat je elke vrijdag weer wordt verrast maar tegelijk ook uitkijkt naar wat komt. Dat gevoel heb ik toch. ’t Is intussen een vast stramien geworden: op vrijdag een kijkje nemen op ‘Brugge in 100 objecten’.

Voor alle duidelijkheid : niet alles wat wordt getoond op de blog komt uit de Gruuthusecollectie. En wie vraagt naar mijn favoriete item, wel da’s een moeilijk iets. Daar heb ik een probleem en wil ik eigenlijk niet kiezen. En ik beken: ik lees niet alleen met veel belangstelling de teksten op de blog maar bekijk met veel plezier ook de afbeeldingen. Die vullen de tekstuele invulling mooi aan. Altijd graag prentjes gezien. Ik wens iedereen hier nog veel leesplezier en vooral: maak deze blog verder wijd en zijd bekend. Hij verdient het.

Vuurwerk boven het seminarie

‘Deze plechtigheid werd voltrokken rond de middag en daarna werd in de bisschoppelijke residentie een maaltijd genuttigd, waarop geen enkele leek toegelaten was. Heel de dag was de hele stad zeer mooi versierd en ’s avonds was er algemene verlichting.’ Dit lezen we in de ‘Acta episcopi’ (Handelingen van de bisschop) over het feest dat op 23 juli 1834 in Brugge plaatsvindt.

Feestelijk verlicht

Aanleiding voor het feest is de heroprichting van het bisdom Brugge. De feestelijkheden starten om 8 uur ’s ochtends. Dan vertrekt aan het seminarie een processie met als eregasten de kersverse Brugse bisschop Boussen, de Mechelse aartsbisschop en de Gentse bisschop. ‘Aangekleed in kostbare gewaden (…) met mijter en kromstaf’ en voorafgegaan door geestelijken, trekken zij door alle buurten van de stad. De processie houdt even halt in de Sint-Walburgakerk, die op dat ogenblik de naam ‘Sint-Donaaskerk’ draagt. Vandaar gaat het richting Sint-Salvatorkerk, die tot kathedraal van het nieuwe bisdom wordt verheven.

detail toeschouwers rechts
Detail uit: Petrus Maes, Vuurwerk boven het seminarie (c) Hugo Maertens

De Acta, neergepend door de secretaris van de bisschop, vermelden ook de verdere gebeurtenissen die dag, tot de avondverlichting toe. Dit verbale verslag heeft een visuele tegenhanger in een prent die precies het vuurwerk en de feestverlichting rond het seminarie op de avond van 23 juli 1834 weergeeft. De maker van deze lithografie of steendruk (42 x 60 cm) is de Bruggeling Petrus Josephus Maes. De prent wordt bewaard in het Grootseminarie.

Op de prent is te zien hoe een grote massa mensen is samengestroomd aan de Potterierei, ter hoogte van het seminarie. Uit de poort van het seminarie komt een groep naar buiten, met centraal de nieuwe bisschop. Maar het is in de eerste plaats de tijdelijke feestdecoratie die de aandacht trekt.

Op de prent is te zien hoe een grote massa mensen is samengestroomd aan de Potterierei, ter hoogte van het seminarie. Uit de poort van het seminarie komt een groep naar buiten, met centraal de nieuwe bisschop. Maar het is in de eerste plaats de tijdelijke feestdecoratie die de aandacht trekt op deze prent. Deze decoratie is het werk van de Brugse architect en aannemer Julien Buysse. ‘Less is more’ was duidelijk niet zijn uitgangspunt.

detail bisschop liggend
De bisschop verlaat het seminarie, detail uit: Petrus Maes, Vuurwerk boven het seminarie (c) Hugo Maertens

Op de torens en de gevel van de kerk wemelt het van de vlaggen en aan de buitenmuur van het seminarie hangen medaillons met wapenschilden. Overal branden er feestlichten en ook op het water van de rei drijven er vuurpotten. Vuurwerk vliegt in alle richtingen en in de rechterbovenhoek is zelfs een luchtballon zichtbaar. Rechts van de kerk klimt een man op een ladder, wellicht om een volgende vuurpijl af te schieten. In de nissen van de voorgevel van de kerk zijn tekstvoorstellingen zichtbaar en links van de kerk is een groot tafereel afgebeeld tegen het hoekhuis.

detail man en vuurpotten
Man met vuurpijl, detail uit: Petrus Maes, Vuurwerk boven het seminarie, (c) Hugo Maertens

Een nieuw bisdom

Het afschaffen van het bisdom Brugge was gebeurd onder het Franse bewind in 1801, een periode die voor veel onrust zorgde in religieuze middens. Ook de kathedraal, Sint-Donaas op de Burg, was toen met de grond gelijk gemaakt. De oude bisdommen Brugge en Ieper had men bij het bisdom Gent gevoegd. Onder het Hollands bewind, in 1827, was er een eerste aanzet om opnieuw een bisdom Brugge op te richten. Maar pas na de Belgische onafhankelijkheid wordt West-Vlaanderen weer een apart bisdom. In de concurrentiestrijd tussen de vroegere bisschopssteden Brugge en Ieper haalt de eerste stad de zetel van het nieuwe bisdom binnen.

b108339_Charles Picqué Portret van Franciscus Renatus Boussen 1840_c kik irpa
C. Picqué, Portret van Franciscus Renatus Boussen, 1840 (c) KIKIRPA

Frans René Boussen (Veurne 1774 – Brugge 1848), secretaris van de bisschop van Gent, wordt op 27 januari 1833 tot bisschop gewijd in de Sint-Salvatorskerk. Het Grootseminarie, waar de priesters van het nieuwe bisdom Brugge zouden opgeleid worden, start zijn activiteiten op 1 oktober 1833. Het vindt een onderkomen in de voormalige Duinenabdij aan de Potterierei. Op de officiële papieren uit Rome is het nog even wachten. Maar in het voorjaar van 1834 is het zover: op 27 mei richt paus Gregorius XVI het bisdom officieel op en Boussen krijgt op 23 juni zijn benoemingsbrief als bisschop van het nieuwe bisdom Brugge. Precies één maand later, op 23 juli, neemt hij plechtig bezit van zijn bischoppelijke zetel.

Op de officiële papieren uit Rome is het nog even wachten. Maar in het voorjaar van 1834 is het zover: op 27 mei richt paus Gregorius XVI het bisdom officieel op en Boussen krijgt op 23 juni zijn benoemingsbrief als bisschop van het nieuwe bisdom Brugge.

Petrus Maes

De opdracht voor het maken van de prent zou aan Petrus Maes gegeven zijn door Julien Buysse. Maes is op dat ogenblik leraar aan de Brugse academie. Daar had zijn opleiding als kunstenaar ook voltooid, waarbij hij onder andere les had gekregen in de steendruktechniek. Korte tijd na het voltooien van zijn litho, mag Maes nog enkele werken voor het Grootseminarie maken: enkele versieringen voor de seminariekerk en het doodsportret van de rector van de Potterie. In 1866 restaureert Maes het ‘Pestschilderij’ dat aan een huisgevel in de Poitevinstraat hangt en dat in 1900 vervangen wordt door een tegeltableau. Het schilderij verhuist naar het museum van de Société Archéologique de Bruges en komt zo in de Gruuthusecollectie terecht.

0000_GRO1297_I 001
Anoniem, Heilige Drievuldigheid met heiligen (Pestschilderij), 1666, in 1866 gerestaureerd door Petrus Maes (c) Lukas Art in Flanders vzw, foto: Hugo Maertens

In aanbouw

De prent toont aan dat er sinds 1834 nog verbouwd is aan het Grootseminarie. Maes geeft heel duidelijk de beiaardtoren weer die op de oostvleugel van het hoofdgebouw staat. De westvleugel – op dat ogenblik nog een stuk lager – is daarentegen amper te zien. Bij de oprichting van het seminarie herbouwt men deze vleugel volledig in classicistische stijl om er appartementen voor de president en de professoren in te richten. Pas midden vorige eeuw krijgt de voorgevel van het seminarie zijn huidige, pseudo-17de-eeuwse uitzicht.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Meer lezen?

Michel Cloet, Het bisdom Brugge (1559-1984): bisschoppen, priesters, gelovigen, Brugge, 1985

Over Petrus Maes: Jaak A. Rau, Petrus Josephus Maes, in: Brugge die Scone, nr. 3, september 2005 en Jan De Mey, Nog over schilder Petrus Maes, in: Brugge die Scone, nr. 4, december 2005