Karolingische munten

Ze zijn piepklein, deze zilveren muntjes geslagen in Brugge in de 9de eeuw en gevonden in Assebroek. Toch vertellen ze ons behoorlijk veel over een stuk Brugse geschiedenis dat tot vandaag nog altijd in mysteriën is gehuld: het ontstaan van de stad.

archeologische vondsten, voor publicatie tentoonstelling 'uit goede bron'
Denarii (diameter 20 mm) uit de periode van Karel de Kale en Karel de Eenvoudige, 9de eeuw, coll. Raakvlak

Gent-Brugge-Gent

Over de vroegste geschiedenis van Brugge valt nog veel te discussiëren. Niet verwonderlijk: het magere bronnenmateriaal zorgt ervoor dat hierover weinig gekend is. De weinige bronnen die voorhanden zijn, vormen het onderwerp van speculatie of interpretatie.

De oudste vermelding van Brugge lezen we in een tekst van de Gentse Sint-Baafsabdij uit 851. Het is de periode dat de Noormannen onze gebieden afschuimen en hun oog laten vallen op de kerkschatten. Bevreesd voor plunderingen, brengt de abdij een deel van haar kostbaarheden naar Brugge. Later stellen de monniken vast dat een gouden kruisbeeld is achtergebleven. Wat ze nauwgezet noteren in een inventaris.

archeologische vondsten, voor publicatie tentoonstelling 'uit goede bron'
Kruis met rondom de legende met de muntplaats: BRUCCIA (Brugge), coll. Raakvkak

Deze vermelding van Brugge zet ons op weg naar haar vroegste geschiedenis. De plaats moet toch al enig belang hebben volgens historicus Marc Ryckaert. De Gentse monniken zouden hun kostbare bezittingen toch niet naar een onbeduidend gehucht sturen?

En zo belanden we bij de Karolingische munten. Zij zijn stille getuigen van een jonge stad in ontwikkeling. De zilveren denieren zijn immers in Brugge zelf geslagen, wat een vorstelijk en prestigieus voorrecht is. Het wijst op het administratieve belang van de muntplaats zelf.

afbeelding 4 (Small)
Het Munthuis (in het roze) en de doorgang via de Muntpoort (in het paars) naar de Geldmuntstraat op de kaart van Marcus Gerards, 1562

Karel en Co

De wetenschappelijke studie van munten ofte numismatiek bestudeert alle aspecten van geld (dus ook munten) en aanverwanten (zoals penningen, muntstempels en gewichten…). De numismaten laten de voor- en keerzijde van de munten spreken en identificeren opdrachtgevers, makers, plaats en periode.

Op de voorkant van deze zilveren munten staat het monogram van de naam ‘Karolus’. Het verwijst naar de heerser die de munten slaat. Daarrond staat de legende ‘Gratia Dei Rex’ (Bij De Gratie Gods). Met deze formule maakt de vorst duidelijk bij de gratie van God te regeren. Op de achterkant van de munten staat een kruis met errond als legende de naam van de plaats van de muntslag: ‘BRVCCIA’. Brugge dus.

afbeelding 5
Het Munthuis op een gravure van Sanderus, 1641

Dit type munt en het monogram van de naam zijn toe te wijzen aan de Karolingische vorsten, die aan de macht zijn in de periode na Karel de Grote, die regeert van 768 tot 814. Na de Romeinse periode zwijgen de bronnen voor ruim vijf eeuwen over Brugge. Het is de tijd waarin de Franken zich vestigen in onze gebieden en na een periode van assimilatie stilaan het bestuur overnemen van de Romeinen. Het Frankische vorstenhuis van de Merovingers structureert het rijk in pagi of gouwen. Een koninklijk ambtenaar, de comes of graaf, vertegenwoordigt het centrale gezag. Een van die gouwen is Vlaanderen. Het is helemaal niet zeker of Brugge er dan, in de 8ste eeuw, al de hoofdplaats van is.

Die rol wordt pas duidelijk in de loop van de 9de eeuw. Onze gebieden kreunen onder de aanvallen van de Noormannen. Ook Brugge, want door hevige stormvloeden is de stad via getijdengeulen een makkelijke prooi. Met hun platte vaartuigen kunnen de Noormannen zonder al te veel problemen landinwaarts varen. Het zijn Karel de Grote en zijn zoon Lodewijk de Vrome, die op verschillende plaatsen burchten bouwen voor hun verdedigingsgarnizoenen. Brugge is er daar één van. Ergens in de eerste helft van de 9de eeuw verschijnt op de plaats die nu nog altijd ‘Burg’ heet een eenvoudige constructie  van aarden wallen, grachten en palen.

afbeelding 6 (Small)
Het stergewelf van de Muntpoort, de laatste restant van het Munthuis

Geleidelijk groeit Brugge uit tot een machtscentrum. De munten uit deze periode bevestigen dit. Het recht om munten te slaan is aan de vorst voorbehouden. Sinds Karel de Grote een eenvormig rekenmuntstelsel invoert op basis van de zilveren denarius, slaan ook zijn opvolgers Karel de Kale (840 tot 877) en Karel de Eenvoudige (893/98 tot 923) munten in Brugge. De aanwezigheid van de grafelijke muntslag in de hoofdplaatsen van de pagi, in de handelscentra en de havens in bijzonder, bevestigen de opgang van Brugge als belangrijke stedelijke nederzetting.

Muntschat

Afhankelijk van de sterkte van het centraal gezag, gaat het muntrecht in de volgende eeuwen ook over op andere personen dan de vorst. Op die manier krijgt ook de Graaf van Vlaanderen het recht om munten te slaan, iets wat hij nooit meer zal opgeven. De centrale rol die Brugge vervolgens speelt, is ook duidelijk door haar monetaire functie. Op verschillende momenten zal de stad, samen met andere belangrijke steden (zoals onder andere Gent en Ieper), een munthuis huisvesten.

Deze geschiedenis kan je afleiden uit de straat- en plaatsnamen: Geldmuntstraat, Muntplein en Muntpoort. Over de eerste muntateliers is nog bijzonder weinig geweten. Vast staat dat Brugge al sinds het begin van de 11de eeuw zo’n atelier heeft. Hoe het Munthuis er écht uitziet weten we vooral door de kaart van Marcus Gerards uit 1562 en de gravure van Sanderus uit 1641. Op beide zie je het Munthuis in de Geldmuntstraat als onderdeel van het Prinsenhof, de tijdelijke residentie van de Bourgondische hertogen in de stad. Het gebouw zou in 1429 herbouwd zijn ter vervanging van een mogelijk eerste Munthof in de huidige en naburige Ontvangersstraat uit 1303.

In 1563 breidt het complex uit. Vandaag blijft daar alleen de Muntpoort van over, die uitkomt op het Muntplein, tot stand gekomen in 1884 na een gedeeltelijke sloop van het Munthuis. Boven de poort zat een renaissancereliëf uit 1563 dat onder meer de muntslagers voorstelt. Vermoedelijk werd het gebeeldhouwd door Joost Aerts, naar een ontwerp van Marcus Gerards. Vandaag bevindt dit reliëf zich niet meer boven de poort, maar is het ingemetseld in een kamer van het Gruuthusemuseum.

afbeelding 9
De in 2004 ontdekte muntschat met kronen uit de periode van Maria-Theresia en Jozef II

De omgeving van het Prinsenhof en het Munthuis kent dus een rijke geschiedenis. Een die we kunnen afsluiten met de ontdekking van een merkwaardige schat. Tijdens een archeologische opgraving in 2004 komen in totaal 578 kronen uit de periode van Maria-Theresia (1740-1780) en Jozef II (1780-1789) aan het licht. De geldschat spreekt tot de verbeelding. Bijna alle munten zijn puntgaaf, nauwelijks in omloop geweest. Het geld is dus doelbewust verborgen en bewaard. Bovendien vinden archeologen dit muntdepot vlakbij het Brugse muntatelier. Wie de schat begraven heeft en waarom: dat blijft gissen. Zeker is dat de Oostenrijkse periode de doodsteek betekent voor de muntslag in Brugge. In 1755 sluit het muntatelier de deuren. De muntproductie wordt definitief in Brussel gecentraliseerd.

Meer weten?

Bieke Hillewaert e.a. (red.), Het Prinsenhof in Brugge, Brugge, 2007

E. Van Cauwenberghe en L. Verachten, Muntateliers in Vlaanderen (begin 11de eeuw-1785), in: Walter Prevenier en Beatrijs Augustyn (eds.), De gewestelijke en lokale overheidsinstellingen in Vlaanderen tot 1795, Brussel, 1997, p. 202-214.

Bieke Hillewaert, Yann Hollevoet & Marc Ryckaert (red.), Op het raakvlak van twee landschappen. De vroegste geschiedenis van Brugge, Brugge, 2011.

E. Schutyser (red.), De muntomloop in Vlaanderen, Oostkamp, 2002.

Marc Ryckaert, André Vandewalle e.a., Brugge, de geschiedenis van een Europese stad, Tielt, 1999.

De albums over de tentoonstelling ‘Les Primitifs flamands’ (1902)

Brugge en de Vlaamse Primitieven worden vandaag in één adem genoemd. Logisch ook. Schilders als Jan Van Eyck, Hans Memling en Gerard David waren hier actief, en in hun spoor vele voor ons anonieme meesters.

Vandaag lokken hun panelen nog steeds vele duizenden bezoekers naar de Brugse musea en kerken. Denk maar aan de tentoonstelling ‘Jan Van Eyck, de Vlaamse Primitieven en het Zuiden’, een absolute publiekstrekker binnen het programma ‘Brugge Culturele Hoofdstad 2002’. Maar 100 jaar eerder, in 1902, vindt in Brugge al zo’n publiekstrekker plaats, die heel wat teweeg brengt, onder andere op wetenschappelijk vlak. De (terecht) trotse coördinator documenteert alles in drie albums, die de familie nog steeds in bezit heeft.

P1060711 (Medium)
De drie albums over de tentoonstelling ‘Les Primitifs flamands’, 1902, privécollectie

Kanariewedstrijd

In de zomer van 1900 wil men in Brussel een tentoonstelling over de Vlaamse Primitieven laten plaatsvinden. Enkele belangrijke bruikleengevers weigeren echter – bruikleengevers uit… Brugge. Het Brugse stadsbestuur en het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen (beheerder van onder andere het Sint-Janshospitaal) vrezen namelijk dat de fragiele schilderijen op paneel schade zullen oplopen tijdens het transport. En dat de toeristen Brugge links zullen laten liggen.

P1060704 (Medium)
(Le) Palais du gouvernement [Provinciaal Hof] devenu le Palais de l’Exposition!
Daarop beslist het organiserend comité om de tentoonstelling in Brugge te houden.  Zowel de gouverneur als het stadsbestuur vinden dit een puik idee. Tot het budget ter sprake komt. Het comité raamt de kosten op 100.000 frank en hoopt op een subsidie van 20.000 frank van de stad. Het antwoord is een koude douche. De stad wil voor 300 frank subsidiëren, ‘zoals voor de kanariewedstrijd ter gelegenheid van de kermis’.

Waarop de gouverneur enkele kunstminnende Bruggelingen bij zich roept. Onder hen Camille Tulpinck en baron Henri Kervyn de Lettenhove.  Die laatste gaat akkoord om een comité op te richten met Tulpinck als secretaris en hijzelf als voorzitter. De tentoonstelling wordt dus als een privé-initiatief op de rails gezet.

P1060705 (Medium)
De eerste bladzijde van het eerste album: ‘Souvenirs par Le Baron H. Kervyn de Lettenhove, président’

Bijna getackeld

Kervyn is doctor in de rechten maar zijn passie voor kunst en geschiedenis kent geen grenzen. Hij verzamelt rondom zich mensen als James Weale, Max Friedländer en Georges Hulin de Loo, de grondleggers van het prille onderzoek naar de Vlaamse Primitieven. Zij doen aan archiefonderzoek, komen tot nieuwe inzichten en toeschrijvingen, doorprikken legendes. Ook met diplomaten en conservatoren legt Kervyn contacten. Belangrijk want in 1901 zitten veel schilderijen van Vlaamse Primitieven nog in ontoegankelijke privéverzamelingen.

P1060703 (Medium)
Henri Kervyn noteert trots dat hij op één dag tijd 22 panelen van Parijse privéverzamelaars in bruikleen weet te krijgen

Door zijn aanpak wint Kervyn het vertrouwen van die verzamelaars. En dat maakt bijvoorbeeld dat de prins von Liechtenstein, zelf één van de grootste verzamelaars, in het Oostenrijkse keizerrijk andere privéverzamelaars over de streep tracht te trekken om werken uit te lenen. Hij wijst hen daarbij op de impact die de Brugse tentoonstelling zal hebben op de verdere studie van de Vlaamse meesters.

Toch kent Kervyn ook problemen. De hardnekkigste duiken in Brugge zelf op, waar zowel de Commissie der Burgerlijke Godshuizen, het stadsbestuur als de kerkbesturen pertinent weigeren om hun panelen uit te lenen. Uiteindelijk kan Kervyn, enkele weken vóór de opening van de expositie, ook hen winnen voor het project.

P1060702 (Medium)
De Parijse firma Chenue voert heel wat transporten voor de tentoonstelling uit

Verlengingen

Op 15 juni 1902 luidt de triomfklok in Brugge: de tentoonstelling ‘Les Primitifs flamands’ opent de deuren in het Provinciaal Hof op de Markt. Meer dan 400 (!) panelen hebben Kervyn en zijn comité weten samen te brengen, waarvan drie kwart uit privécollecties. Bezoekers van de tentoonstelling kunnen hun programma nog aanvullen met andere zaken. In het Gruuthusemuseum is er gelijktijdig een tentoonstelling over toegepaste kunsten uit de 15de-16de eeuw en in de Poortersloge één over de Brugse kunstnijverheid. Verder zijn er ook congressen en beiaardconcerten.

P1060699 (Medium)
Grondplan van de tentoonstelling in het Provinciaal Hof

Na drie verlengingen sluit de tentoonstelling op 5 oktober de deuren. 35.000 bezoekers kochten een kaartje. Een ongelofelijk succes, een verwezenlijking om trots op te zijn. En waarschijnlijk is Henri Kervyn dat ook. Daarvan getuigen de drie albums waarin hij de ontstaansgeschiedenis van de tentoonstelling neerschrijft. De albums zijn opgedragen aan zijn kinderen.

P1060709 (Medium)
Toegangskaartje voor de tentoonstellingen in het Provinciaal Hof en in het Gruuthusemuseum

Plakboek

Doorheen deze albums, ware plakboeken, kunnen we alle stappen en stoomtreinritten volgen die Kervyn zet en maakt. De volgeschreven bladzijden zijn onderbroken met ingekleefde brieven, telegrammen, visitekaartjes van verzamelaars en conservatoren, aantekeningen van Kervyn en postkaarten van schilderijen. Sommige van die postkaarten zijn ondertussen het enige wat ons nog rest van de schilderijen. Sommige panelen sneuvelen immers tijdens WOI. De problemen met Brugge, het zoeken van een locatie, het transport van de schilderijen en de aankleding van de tentoonstellingsruimtes komen ook aan bod in het eerste album van 297 bladzijden.

P1060701 (Medium)
Afbeelding van een paneel dat verloren ging tijdens WOI

Het tweede album, nog lijviger met 381 bladzijden, gaat over de eigenlijke tentoonstelling, de opening door koning Leopold II, het bezoek van kroonprins Albert en kroonprinses Elisabeth, andere prominenten en leerlingen van de academie. We lezen over de veiligheidsmaatregelen (grote kuipen water achter de wanden mocht er brand uitbreken), over de kritiek op de eentalig Franse informatie bij de kunstwerken, over de catalogus die niet op tijd klaar is, de gratis toegang voor Brugse arbeiders en seminaristen, en over een Amerikaanse toeriste die absoluut enkele werken van Memling uit het Sint-Janshospitaal wil kopen. De 48 bladzijden van het derde album bevatten binnen- en buitenlandse persknipsels. Het sluit af met de volgende projecten van Kervyn: zijn strijd voor een volwaardig museum voor schilderkunst (het latere Groeningemuseum) en de oprichting van de Vrienden van de Brugse Musea.

P1060708 (Medium)
Fotoverslag van het bezoek van kroonprins Albert en kroonprinses Elisabeth aan de tentoonstelling in het Gruuthusemuseum

Het mag duidelijk zijn: bladerend door de albums van Henri Kervyn lezen we meer over een initiatief dat zowel het onderzoek naar de Vlaamse Primitieven als het cultuurtoerisme in Brugge een stevige duw in de rug geeft. En waarop de musea en de stad vandaag nog steeds verder bouwen.

GM_25_0071_Albert Elisabeth_SAB_verz G. Michiels_1902
Kroonprinses Elisabeth verlaat het Gruuthusemuseum, coll. Stadsarchief Brugge, verzameling G. Michiels

 

 

Meer weten?

Eva Tahon, Veronique De Boi en Benoit Kervyn de Volkaersbeke, Impact. 1902 Revisited, Tentoonstelling van oude Vlaamsche kunst : Brugge 15 juni tot 15 september 1902, Brugge 2002, ISBN 9789076099415.

 

Te koop: kathedraal met aanhorigheden

Sint_Donaas_Kathedraal
Sanderus, Flandria Illustrata, zicht op de Zuidgevel van de Sint-Donaas

De Franse Revolutie… er is al veel over geschreven, ook in deze blog. De leefomstandigheden veranderen drastisch en geen heilig huisje is nog veilig. Letterlijk zelfs: kerken en kloosters worden leeggehaald, krijgen een andere bestemming of worden gewoon afgebroken. Dat laatste is onder andere het lot van de Brugse Sint-Donaaskathedraal. De openbare verkoop wordt aangekondigd met een plakkaat. Een gewoon stuk drukwerk waarachter een heel bewogen periode voor Brugge verborgen zit.

Jan_Baptist_van_Meunincxhove_-_The_Burg_in_Bruges
Jan-Baptiste van Meunincxhove, Zicht op de Brugse Burg vanaf het westen, ca. 1695, Brugge, Groeningemuseum. Kleine boekwinkeltjes zijn aan de zuidgevel aangebouwd.

Jozef van Walleghem, 9 floréal jaar VII (28 april 1799):

Dat elk nogtans tot in ’t diepste der ziele treft, is dat men desen morgen in publijke verkoopinge in ’t voorig bischdom, waer alle de immuebelaire goederen der geestelijkheijd van ’t heele departement verkogt worden, heeft zien verkopen voor de somme van viermillionen livres in bons, welke toegeslaegen is aen Maijens, timmerman, de overschoone kercke, den ommegang en alle de verdere gebouwen van de hoofdkerke van St.-Donaes, waer men in onse tijden zulcke overschoone godtsdiensten heeft zien plegen. Men zegt in ’t algemeen tot ons nog meerder verdriet dat die schoone kercke, ommegang en heele gebouw zullen worden afgebroken en dat er langs die plaets eene nieuwe straete zal gemakt worden, welke langs den Burg tot op de plaetse Malenberg zal getrokken worden.

Eenmaal… andermaal… verkocht!

Al in 1797 zijn de openbare erediensten verboden en moeten priesters een eed van trouw zweren, wat ze vaak weigeren. De kerkelijke gebouwen krijgen een andere bestemming. De Sint-Donaaskathedraal wordt even gebruikt als gevangenis maar verder zou ze vooral geld opbrengen door verkoop en sloop. Op 13 november 1798 besluit het departementsbestuur van de Leie om de kathedraal met aanhorigheden in drie loten op te splitsen voor verkoop: 1) de kerk, 2) het kerkhof, de sacristie en twee kapellen, en tenslotte 3) het pand met de sacramentskapel. Het stadsbestuur ziet haar kans schoon om een urbanistisch statement te maken en verzoekt het Leiedepartement om nog een vierde lot van enkele huisjes (kanunnikenwoningen op de Mallebergplaats) toe te voegen. Hierdoor zou het ‘gat van Sint Donaas’ tot een volwaardige verbindingsstraat tussen de Burg en de Philipstockstraat promoveren: ‘…une opération qui… contribuera beaucoup à l’embellissement de notre commune’.

Fnds Franse revolutie 657, getekend plan met verdeling van de loten
Grondplan van de Sint-Donaaskathedraal onderverdeeld in 3 loten. Rijksarchief Brugge, Brugge, Fonds Franse hoofdbesturen, Leiedepartement, nr. 657.

Een publieke verkoop bij brandende kaars gebeurt normaal gezien op twee opeenvolgende zondagen. Wie het laatste bod uitbrengt voor het uitdoven van de kaars, krijgt het lot toegewezen. Eventueel geldt een recht van hoger bod en dus een tweede zitting. Maar de Domaines Nationaux bundelt die manier van werken met twee opeenvolgende brandende kaarsen op één zitdag.  Tijdens de eerste zitdag, 4 floréal an VII (23 april 1799) heeft Dominique Maeyens de bovenhand in het eerste lot en niemand biedt nog tijdens het branden van de tweede kaars. Lot twee gaat naar citoyen Renier, citoyen Pierrar haalt lot drie binnen en lot vier gaat opnieuw naar citoyen Maeyens. De prijzen van de loten zijn behoorlijk hoog: lot 1 komt op 1,6 miljoen livres,  320000 livres voor lot 2, het derde lot brengt 225000 livres op en het vierde tenslotte 170000. De zaak lijkt beklonken.

Maar dan organiseert het Franse bestuur een tweede dag met samenvoeging van alle vier de loten. De daaropvolgende zondag, 9 floréal an VII of 28 april 1799 begint het bieden vanaf de som van de vier loten. Citoyens Vermeulen, Renier en Maeyens concurreren nu voor sommen tussen de drie en de vier miljoen livres. Maeyens houdt het bod bij het doven van de eerste kaars. Tijdens de tweede kaars biedt niemand nog. Voor 4 miljoen livres wordt de Brugse meester-timmerman eigenaar van het volledige perceel met aanhorigheden van de kathedrale kerk van Sint-Donaas. Maeyens is een echte opkoper. Onder andere het klooster van de Zwartzusters, de Bakkerskapel, het huis van de Schippers en dat van de Metselaars komen tijdens andere veilingen in zijn bezit. Toch brengt het hem geen rijkdom of geluk. Hij verkoopt kort na de veiling het volledige Sint-Donaaslot door aan een zekere citoyen Ruelle uit Doornik, maar die komt zijn verplichtingen ook niet na. Het terrein verandert opnieuw van eigenaar. Op 10 augustus 1799 staat de voormalige kathedraal op naam van de Doornikse fabricant Renard-Deschaux en de edelsmid Louise Manesse. Maeyens wordt in gebreke gesteld, maar of hij vervolgd wordt, is niet erg duidelijk.

Grondplan_van_de_Sint-Donaaskathedraal
Laat-18de-eeuws grondplan van de Sint-Donaaskathedraal. Het Burgplein is bovenaan, het ‘Gat van Sinte Naes’ onderaan. De verhoudingen van de kloosteromgang en de binnentuinen kloppen niet. Brugge, Openbare Bibliotheek, Handschrift Pieter de Molo, inv. 595.2, fol. 238r.

Enkele dagen na de verkoop van het kerkgebouw, op 30 april en 1 mei 1799, gaat de volledige inboedel onder de hamer. Kruisen en kazuifels, kandelaars, biecht- en preekgestoelte en allerlei posturen worden de kerk uitgedragen. Ook de marmeren kerkvloer wordt verkocht en uitgehakt door Brugse steenhouwers Bruloy en Marlier. De ooggetuigenverslagen geven een schrijnend sfeerbeeld van de verwoesting welke voorseker aan geen beeltstormeryen der voorgaende eeuwen kan vergeleken worden. In acht dagen moest alles de kerk uit. Voor eventuele schade bij het uitbreken is de koper zelf verantwoordelijk. Volgens de beschrijving van Van Walleghem lijkt het dat de kopers (Bruggelingen veelal!) als in een peerdenstal de kerk uyt en in liepen en reden.

Meunincxhove interieur sint salvator
Jan-Baptiste van Meunincxhove, Binnenzicht in de Sint-Donaaskathedraal, 1696

Pas vanaf oktober 1799 begint de eigenlijke sloop van de kathedraal. Het lijkt erop dat het Bureau des Domaines Nationaux de werken en de verkoop zelf in handen neemt. En dat gaat vlot. Tegen midden november worden de eerste loten puin al verkocht. Tegen 20 december 1799 kan de toren met hout en vuur neergehaald worden. Dergelijke ingenieuze slooptechniek wordt op verschillende onderdelen van de kerk toegepast. Tussen de vloer, de muren en pilaren wordt geteerd hout ingegraven en in brand gestoken, met een soort van implosie tot gevolg. Toren, koor en kooromgang en voorkerk worden zo herleid tot puin zonder ongelucken te veroorsaeken.

Het plakkaat van 24 prairial an XI (13 juni 1803) beschrijft de Vente de Matériaux van une grande partie de matériaux provenant de la démolition de ladite Église... Zij die een lot of meerdere loten hebben gekocht, worden geacht alles binnen de vierentwintig uur weg te halen en de doorgang in de straat achter het justitiepaleis schoon achter te laten.

Digital StillCamera
Plakkaat van de verkoop van stenen materialen van 24 prairial an XI.

Nog tot 1805 biedt het Bureau des Domaines Nationaux gesloopte delen van de kathedraal te koop aan. Zowel stenen, arduin, graniet en puin als hout van de ribgewelven en het dak kunnen ter plekke verkregen worden. De herhaalde advertenties maken duidelijk dat de verkoop niet zo goed loopt. Op 12 en 17 juli 1805 kondigt de Gazette van Brugge aan dat zij die natuursteen wensen een zaakje kunnen doen. De openbare verkoop van 4 november 1805 beslaat een grote partij hout, eik en grenen, uitermate geschikt voor verwarming. Die wordt tot drie keer toe geannonceerd: op 25 en 28 oktober en 1 november. De verkoop wordt daarna opnieuw gehouden op 20 november.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Jan Karel Verbrugge schildert in april 1805  de scoone ruïne van de oude H. Bloedcappelle voor Marie van Huerne, zo vermeldt de schilder in zijn dagboek. In de uiterste linkerrand is nog net de voormalige kathedraal te zien. En die is op dat moment duidelijk nog niet met de grond gelijk gemaakt.

Daarnaast publiceert de Gazette van Brugge op 13 november 1805 een bijzonder interessante advertentie: ‘Eene groote menigte steenen van alderhande vorm, dienstig voor zeedyken, mitsgaders een deel gehouden granit n blauwen steen aen een redelyken prys te koopen, op den grond van de afgebrokene Kerke van St. Donaes, tot Brugge.’ Het gerucht doet de ronde dat de Wenduinse golfbrekers met dit lot zijn aangelegd.

De Stad Brugge koopt uiteindelijk op 28 december 1807 de gronden van de afgebroken kerk, om het fijne urbanisatieplan met Burgplein en Burgstraat te realiseren.

P.C. Popp plan van Brugge 1865
P.C. Popp, Plan van Brugge 1865, detail van het Burgplein en de Burgstraat met bomenrijen.

Lotgevallen van kerkpuin

Natuursteen werd in veel landhuizen en kasteeltjes rond Brugge gebruikt. Veltemkasteel, waar nu het Interbad te vinden is, had een romantische grotto uit kathedraalarduin : ’t Is al veldsteen, … steenen rebben van gewelven en vensterharnassen, voetzullen, wijwatervaten, wapenschilden, al dooreen gezaaid en gemetst…. Kasteel Leysselebeek op Sint-Michiels zou in 1803 voornamelijk met Donaaspuin zijn opgetrokken. Grafstenen zijn zowat overal gebruikt als fundering of vloer. Heel wat materiaal komt uiteindelijk toch via omwegen in het museum in de Halletoren terecht en is nu opgenomen in de collectie van het Gruuthusemuseum. Kerkmeubilair, beelden en schilderijen vinden een nieuwe plaats in andere kerken in Brugge en omstreken. Maar Brugge ziet ook waardevolle kunstwerken verdwijnen naar Parijs om deel uit te maken van het Musée Napoléon in het Louvre. Jan van Eycks ‘Madonna met Kanunnik Van der Paele’ keert in 1816 terug en krijgt onderdak in het nieuwe Museum van de Academie, net als enkele andere werken die afkomstig zijn uit afgeschafte en vernielde religieuze gebouwen.

En Maeyens? Boontje komt om zijn loontje…

De volkswoede keert zich tegen hem aan het einde van de Franse periode, op 12 maart 1814. Een woeste meute troept voor zijn huis aan de Spinolarei samen, zoals dat enkele dagen voordien ook al het geval was. Toen had de meester-timmerman zich kunnen redden door veel vuijf livres stucken in de menigte te gooien. Maar het volk pikt het niet langer: ‘zij trokken hem uyt zijn huys met stoten en slaegen deirlijk om aen te zien en meynden hem in ’t waeter te smijten. Hij verzogt van ’t volk niet dood geslaegen te worden.’

Meer lezen?

De Brugse Burg. Van grafelijke versterking tot moderne stadskern, Brugge, 1991.

Gedenkweerdige aenteeckeningen van Jan Karel Verbrugge. Brugse kroniek over 1765-1825, uitgegeven  door Albert Schouteet, Brugge, 1958.

Frederic Suys, Dood van een kathedraal, in: JKOT Brugge, Sint-Donaas en de voormalige Brugse kathedraal, Brugge, 1978, p. 46-50.

Jozef Van Walleghem, Merckenweerdigste voorvallen en daegelijcksche gevallen, 1775-1801, uitgegeven in 13 delen, 1982-2016, te consulteren via DBNL, Digitale Biblotheek voor de Nederlandse Letteren.

Antoon Viaene, Bij een honderdvijftigste verjaring. Het einde van een kathedraal. De Sint-Donaaskerk te Brugge verkocht en afgebroken, in: Biekorf, 1949, p. 169-180.

Rijksarchief Brugge, Brugge, Fonds Franse hoofdbesturen, Leiedepartement, nr. 657.

 

 

 

Georges Rodenbachs ‘Bruges-la-Morte’

Brugge: dode of levende stad? Precies 125 jaar geleden wakkert een roman de discussie over deze vraag aan.

In 1892 verschijnt in Parijs de roman Bruges-la-Morte van Georges Rodenbach, eerst als feuilleton in de krant Le Figaro en vervolgens als boek. Het werk kent een groot succes. Alleen al in het Frans rollen vele tienduizenden exemplaren van de persen. Het boek wordt ook in vele talen vertaald, waaronder het Duits, het Engels en het Russisch. Een onverwacht gevolg van dat succes is de wereldwijde verspreiding van het imago van Brugge als dode stad. Een imago dat in Brugge zelf niet door iedereen gesmaakt wordt, maar dat wel tot op vandaag voortleeft.

portret Rodenbach (Small)
Ingekleefde postkaart met portret van Georges Rodenbach in de eerste uitgave van Bruges-la-Morte, coll. Gruuthusemuseum Brugge

De auteur

Georges Rodenbach wordt op 16 juli 1855 in Doornik geboren. Enkele maanden na zijn geboorte verhuist het gezin naar Gent. Georges volgt er middelbaar onderwijs en studeert er rechten. Hij begint een loopbaan als advocaat, eerst in Gent, later in Brussel. Daarnaast is hij actief als dichter en journalist.

rodenbach in Begijnhof detail_SAB
In het midden op het bankje in het Brugse Begijnhof: Georges Rodenbach, die aantekeningen maakt voor zijn éénakter Le Voile, over de begijn Gudula, 1893, coll. Stadsarchief Brugge

Maar de advocatuur bevalt hem niet. Begin 1888 zegt hij de rechtswereld vaarwel en vestigt zich als schrijver in Parijs. Daar wordt hij correspondent voor diverse kranten en tijdschriften. Tegelijk is hij erg productief als dichter, romanschrijver en toneelauteur. Hij floreert in de Parijse culturele middens en raakt er bevriend met heel wat bekende schrijvers en schilders. Hij woont ruim tien jaar in de Lichtstad, tot hij op kerstavond 1898 op 43-jarige leeftijd overlijdt aan een blindedarmontsteking.

Het verhaal

Cloches nombreuses et jamais lassées tandis que, dans ses rechutes de tristesse, il s’était remis à sortir au crépuscule, à errer au hasard le long des quais. (…) Ah! ces cloches de Bruges ininterrompues, ce grand office des morts sans répit psalmodié dans l’air! Comme il en venait un dégoût de la vie, le sens clair de la vanité de tout et l’avertissement de la mort en chemin… G. Rodenbach, Bruges-la-Morte, blz. 121

Bruges-la-Morte (geschreven in Parijs) vertelt over Hugues Viane, die na de vroegtijdige dood van zijn vrouw in Brugge komt wonen. Zijn huis aan de Rozenhoedkaai is gevuld met objecten die aan de overledene herinneren: portretten, kleren, juwelen, meubels. De bijzonderste ‘relikwie’ is een lange, amberkleurige haarstreng die in de salon in een glazen schrijn tentoongesteld is.

Elke dag onderneemt de ontroostbare Hugues doelloze dwaaltochten door de stad. Tot hij op een dag een jonge vrouw kruist die het perfecte evenbeeld van zijn overleden vrouw lijkt. Hij ontdekt dat zij Jane Scott heet en danseres is. Hij zoekt haar op en na korte tijd worden zij minnaars. Voor Hugues is het alsof hij opnieuw samen is met zijn vrouw.

0000_GRO1232-GRO1233_II_uitsnit (Small)
Fernand Khnopff, Secret-reflet (detail), 1902, coll. Groeningemuseum Brugge, (c) Lukas – Art in Flanders vzw, foto: Hugo Maertens/Musea Brugge

De illusie duurt echter niet lang. De fysieke gelijkenis tussen beide vrouwen blijkt dan toch niet perfect. En bovenal: innerlijk gelijkt Jane helemaal niet op de overledene. Dit leidt tot spanningen, die een hoogtepunt bereiken op Heilig Bloeddag. Jane is die dag op bezoek in het huis aan de Rozenhoedkaai. Daar ontdekt ze de haarstreng en gaat er uitdagend mee rondzwaaien. Deze ‘heiligschennis’ doet bij Hugues de stoppen doorslaan: hij wurgt Jane met de haarstreng.

De stad

Les villes surtout ont ainsi une personnalité, un esprit autonome, un caractère presque extériorisé qui correspond à la joie, à l’amour nouveau, au renoncement, au veuvage. Toute cité est un état d’âme, et d’y séjourner à peine, cet état d’âme se communique, se propage à nous en un fluide qui s’inocule et qu’on incorpore avec la nuance de l’air. G. Rodenbach, Bruges-la-Morte, blz. 120.

Bijzonder aan het boek – en de titel laat dit ook al vermoeden – is dat het eigenlijke hoofdpersonage niet zozeer Hugues Viane is, maar wel de stad Brugge zelf. In het avertissement bij het begin van de roman wijst de auteur daar ook uitdrukkelijk op. De stad wordt opgevoerd als een bijna menselijk personage, dat de gevoelens en de handelingen van de andere personages beïnvloedt.

Dat is zeker het geval voor de wisselwerking tussen Hugues en de stad. De desolaatheid van de verlaten straten en pleinen, de grijsheid van de oude gebouwen, de somber dreigende kerktorens, het donkere water van de reien, de vergane glorie van de eens welvarende stad, het obsederende gegalm van doodsklokken, de mist en regen van de herfstige dagen – kortom, de dode stad: zij past volmaakt bij zijn onmetelijke verdriet. En wanneer hij zijn verdriet, en dus ook de stad die innig bij dat verdriet past, ontrouw is door zijn affaire met Jane, is de slechte afloop die uitmondt in de dood misschien wel een stille weerwraak van diezelfde stad.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Foto’s als bewijs?

Om dit hoofdpersonage ook zichtbaar te maken voor de lezer, voegt Rodenbach (wellicht op aanraden van zijn vriend, de kunstenaar Fernand Khnopff) foto’s met stadsgezichten van Brugge toe aan de eerste editie van zijn boek. Hiervoor put hij uit de beeldenvoorraad van twee grote Parijse fotoagentschappen. Onderzoek heeft uitgewezen dat opzettelijk gekozen is voor foto’s zonder personen op. In sommige gevallen zijn figuren zelfs weggeretoucheerd. De voorkeur is ook uitgegaan naar opnames met een lange belichtingstijd, waarop de rimpelingen van het water uitgevlakt zijn tot een roerloze spiegel. Op schijnbaar objectieve wijze – wat is er eerlijker dan een foto? – komt zo de dode en verlaten stad in beeld.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Weerklank

Het boek is een onmiddellijk succes. Het bevestigt niet alleen voorgoed de reputatie van Georges Rodenbach als schrijver. Het vestigt ook de aandacht van de wereld op Brugge. Na lezing van de roman willen heel wat mensen die mysterieuze dode stad met eigen ogen gaan bekijken. Onder hen ook kunstenaars als Henri Le Sidaner of Alexandre Hannotiau, die het dode Brugge daarna in hun werken afbeelden. Ook in latere jaren inspireert de roman kunstenaars. Zo componeert Erich Wolfgang Korngold in 1920 zijn opera Die tote Stadt op een libretto naar Bruges-La-Morte. Het boek is meermaals verfilmd, onder meer door Roland Verhavert (Brugge die Stille, 1981) en Kevin D’heedene (Georges Rodenbachs Bruges-la-Morte, 2014).

1979_GRO0008_I_160 (Small)
Henri Le Sidaner, Le quai, 1898, coll. Groeningemuseum Brugge (1979.GRO0008.I), foto: Stadsfotografen Brugge

Alleen in Brugge is niet iedereen blij. De katholieken vinden het boek in strijd met de aloude christelijke deugdzaamheid van het Brugse volk. En meer in het algemeen is men niet gediend van het beeld van een dode stad, precies op het ogenblik dat Brugge met de nieuwe haven weer wil aanknopen met de welvaart van weleer. Wanneer er in 1899 sprake is van de oprichting van een Rodenbachmonument in Brugge, is de tegenstand dan ook hevig. De initiatiefnemers moeten hun voorstel intrekken. Het monument zal uiteindelijk in Gent verrijzen.

monument rodenbach Gent_c stad gent de zwarte doos stadsarchief
Georges Minne, Monument voor Georges Rodenbach in het oud begijnhof Sint-Elisabeth (c) Stad Gent, De zwarte doos, Stadsarchief (MA_SCMS_FO_0274)

(…) de toutes parts, comme jadis au temps des splendeurs, comme jadis au temps des agonies, les artistes accourent vers elle, la regardant et l’aimant maintenant à l’heure de la mort jusque dans la terre et dans le cercueil. Dites les belles prières d’art, les beaux cantiques funèbres qu’ils lui dédient! E. Verhaeren, bij A. Hannotiau, Villes Mortes – Bruges. Onze lithographies originales,  1894  

Meer weten?

Zowel Musea Brugge als de Openbare Bibliotheek Brugge bezitten een exemplaar van de eerste uitgave van Bruges-la-Morte. Op 11 juni om 10.30u wordt in de Vriendenzaal van Musea Brugge Kevin D’heedenes film Georges Rodenbachs Bruges-la-Morte (2014) vertoond.

Fernand Bonneure, Marcel Van Houtryve, Karel Puype, Het Stille Brugge. 100 jaar Bruges-la-Morte, Brugge, Stichting Kunstboek, 1992 (met ook de integrale tekst van de roman; bovenstaande citaten komen uit deze uitgave).

In de leeszaal van de Openbare Bibliotheek Brugge staat een kleine opstelling gewijd aan de vertalingen van Bruges-la-Morte. Te bekijken tot 3 juli 2017.

Het mirakelbeeld van Ver-Assebroek

Amper 15 cm hoog, niet bijzonder mooi, afgesleten, beschadigd en amateuristisch hersteld met lijm en gips. Toch trekt het Onze-Lieve-Vrouwebeeldje van Ver-Assebroek al eeuwenlang een grote stroom bedevaarders van ver buiten de parochiegrenzen aan. Die aantrekkingskracht ontleent het aan de vele mirakels, die aan het beeld worden toegeschreven.

B_OB_Fonds Stalpaert map 19 nr 05

Maria opgevist

De geschiedenis van het Onze-Lieve-Vrouwebeeld van Ver-Assebroek is verbonden met een legende uit 1680. In die tijd drijven de Noordelijke Nederlanden per schip handel met Azië. Wanneer op een dag een schip terugkeert uit Oost-Indië, merken protestantse matrozen dat hun katholieke collega Balthasar Lannoy stiekem een Mariabeeld vereert. Zij lachen hem uit en gooien het beeldje overboord. Tot hun verbazing blijft het beeldje drijven en het schip volgen. De bemanningsleden denken aan toverij en een verbond met de duivel en willen ook Balthasar in zee gooien. De kapitein komt echter tussenbeide en laat scheepsjongen Abraham Zut het Mariabeeldje opvissen. Die laatste houdt het beeldje verborgen.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Wanneer het schip is aangekomen in Dokkum (Friesland), schenkt Abraham het aan Jacob De Mets, een katholiek die hij kent. Het mirakelverhaal van het Mariabeeldje doet de ronde en al gauw groeit het huis van De Mets uit tot een bedevaartsoord. Het protestantse stadsbestuur van Dokkum vindt dit maar niks en wil het beeld in beslag nemen. Jacobus is hen echter voor en stuurt het Mariabeeld naar zijn zus Cornelia, een begijn in Diksmuide. De geestelijke leidsman van de begijnen daar is pastoor Pieter Verhaeghe. Wanneer Cornelia in 1719 sterft, erft hij het wonderbare Mariabeeld. Een jaar later schenkt Verhaeghe het aan de parochiekerk van Ver-Assebroek, waar hij benoemd is als pastoor.

MUS100917_16 (Small)

Maria onder dak

Al gauw stromen de bedevaarders toe, aangemoedigd door Paus Innocentius XIII (1721-1724), die aflaten schenkt aan al wie naar Assebroek op bedevaart trekt. Met een aflaat krijgt de gelovige een kwijtschelding van tijdelijke straffen voor zonden, die zijn opgebiecht en waarvoor berouw is getoond. Deze straffen zijn vastgelegd in boeteboeken en gaan van een zekere tijd vasten, aalmoezen geven, op bedevaart trekken tot het betalen van een bepaalde geldsom.

MUS100917_18 (Small)
Bulle ivm de aflaten voor wie op bedevaart trekt naar Ver-Assebroek

Nieuwe mirakels wakkeren de devotie van de gelovigen voor het Mariabeeld aan. Verlamden en kreupelen kunnen opeens terug bewegen, blinden kunnen weer zien en ongeneeslijk zieken genezen toch. In 1735 verschijnt het boekje ‘Kort Verhael van het Marber Maria-beeldt’ dat maar liefst achttien wonderbaarlijke genezingen beschrijft. Het boek staat op naam van Jan Pieter van Balberge, pastoor van de Sint-Walburgakerk in Brugge. Maar het is duidelijk dat pastoor Verhaeghe erachter zit en een groot deel van de teksten zelf heeft geschreven. Verhaeghe is ook zelf rechtstreeks betrokken bij de meeste mirakels. Hij neemt verklaringen onder ede van getuigen af en stelt aktes op. Toch hoedt Verhaeghe zich ervoor om het woord ‘mirakels’ in de mond te nemen, want enkel een bisschop kan die erkennen. In 1724 sticht de ijverige pastoor een broederschap ‘onder de titel ende beschermenisse van de Onbevlekte Maghet ende Moeder Godts Maria’.

dia FS Ver Assebroek 16 (Small)
Bedevaartvaantje Ver-Assebroek

Het Mariabeeld legt de parochie van Ver-Assebroek geen windeieren. Met de offeranden van de bedevaarders laat Verhaeghe een pastorie bouwen en een nieuw altaar oprichten. Eveneens dankzij giften kan het Mariabeeld in 1803 in een verguld schrijn worden geplaatst en met edelstenen versierd. Gelovigen tooien het mirakelbeeld met kronen, kettingen en een scepter in edele metalen, versierd met edelstenen. De zilveren bloementuilen en -kransen die het beeld omringen, zijn gemaakt uit gesmolten ex-voto’s (dank- en geloftegeschenken van bedevaarders).

In 1746 breidt men het bestaande kerkje uit en draagt het op aan Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekte-Ontvangenis. Bisschop Hendrik Van Susteren (1716-1742) vergroot nog de aantrekkingskracht van het bedevaartsoord door een jaarlijkse noveen in te stellen. Deze negendaagse vereringen lokken veel volk naar de kerk in Ver-Assebroek. In 1887-1890 wordt de kerk verlengd en voorzien van twee neogotische zijbeuken. Fraaie gebrandschilderde ramen (1896) herinneren aan de wonderbaarlijke geschiedenis van het Mariabeeld.

B_OB_Fonds Stalpaert map 19 nr 03 (Small)
Coll. Fonds Stalpaert, Openbare Bibliotheek Brugge

Maria vereerd

Al in de 13de eeuw liggen op het grondgebied van Assebroek twee kloosters met een belangrijke Mariadevotie: Onze-Lieve-Vrouw van Odegem in het Sint-Trudoklooster (de vrouwelijke tak van de Brugse Eekhoutabdij) en Onze-Lieve-Vrouw van Engelendale bij de dominicanessen in het Engelendalenklooster. Beide kloosters worden tijdens de godsdiensttroebelen op het einde van de 16de eeuw verwoest. De kloosterzusters vluchten en nemen hun intrek in de veilige Brugse binnenstad.

Waar later de Onze-Lieve Vrouwekerk komt, richten de heren van Assebroek op het einde van de 12de eeuw een kapel op, toegewijd aan Maria-Magdalena. Op het einde van de 16de eeuw gaat ook dit gebouw verloren door het oorlogsgeweld. In 1633 verrijst een nieuw kerkje, toegewijd aan Maria-Magdalena en Onze-Lieve-Vrouw.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

In de 17de eeuw scheert de populariteit van Maria ongekend hoge toppen. Overal duiken miraculeuze Mariabeelden op en worden Maria-broederschappen opgericht. Dit is een reactie op het protestantisme, dat de Mariaverering en het geloof in mirakels verricht door heiligenbeelden, bestempelt als bijgeloof. Tijdens de contrareformatie brengt de katholieke Kerk de Mariacultus tot grote bloei. De vele Mariabeelden aan gevels en op straathoeken moeten het katholieke karakter van de stad benadrukken. Brugge dankt daaraan haar titel ‘Mariastad’.

Ook mirakels blijken een efficiënt wapen tegen het protestantisme. Zij moeten aantonen dat God aan de zijde van de katholieken staat. Tegelijk kunnen valse mirakels de geloofwaardigheid van de Kerk ondergraven. Vandaar dat het Concilie van Trente (1545-1563) stipuleert dat enkel bisschoppen mirakels kunnen erkennen. Vandaar ook de inspanningen van pastoor Pieter Verhaeghe om de authenticiteit van de wonderbaarlijke genezingen, die worden toegeschreven aan het mirakelbeeld van Ver-Assebroek, te staven met getuigenissen onder ede.

Bedevaart Ver-Assebroek (Small)
Bedevaart naar Ver-Assebroek, foto: Jelle Vermeersch

Grote massamanifestaties ter ere van Maria zoals bedevaarten, processies en ziekendagen behoren vandaag tot het verleden. Maar het geloof in Onze-Lieve-Vrouw blijft voor vele mensen wel een individuele drijfveer. Ook vandaag behoudt het Mariabeeld in de kerk van Ver-Assebroek haar aantrekkingskracht.  Voor vele gelovigen blijft ze een steun en toeverlaat. Ook in de zoektocht naar hedendaagse vormen van spiritualiteit wordt deze Maria gezocht en gevonden.

straatnaambord van het Pastoor Verhaegheplein
Foto: Stadsfotografen Brugge, Jan Termont

De oudste kaart van Vlaanderen

In 1452 heeft een Italiaan in Brugge nood aan afleiding. Hij zet zich dan maar aan het vertalen van de ‘Excellente cronike van Vlaenderen’ naar het Italiaans. Ter verduidelijking voor de lezer voegt hij er zelf nog een kaart van het graafschap aan toe, voorzien van commentaar. Vandaag is dit de oudst bewaard gebleven kaart van ons landsdeel, in Brugge gemaakt en bewaard.

B_OB_MS685_208v-209r (Small)
De oudste kaart van Vlaanderen (Ms. 685), coll. Openbare Bibliotheek Brugge

Het graf voor levenden

Wie de Italiaan in kwestie is, weten we niet. Maar zijn voorwoord, de manier waarop de kaart getekend is en het schrift, geven wel wat aanwijzingen.

Op de eerste folio van het handschrift staat een titel in het Latijn, met daarin vermeld het jaar 1452 en de woorden ‘in sepulcro vivorum Brugis’ (‘in het graf voor levenden van Brugge’). Dan schakelt de schrijver over op het Italiaans. Hij vertelt dat hij onterecht beschuldigd wordt en dat het schrijven van mooie werkjes voor zijn vriend een heilzame werking heeft. Zou deze vertaling als tijdverdrijf in de gevangenis gemaakt zijn?

B_OB_MS685_001r_aanhef (Small)
Aanvang van de proloog met de woorden ‘in sepulcro vivorum Brugis‘ op het einde van de tweede regel, coll. Openbare Bibliotheek Brugge

Op de kaart die aan de vertaling is toegevoegd, wordt er opvallend veel aandacht besteed aan waterwegen. De maker heeft dus waarschijnlijk wel wat ervaring met het reizen over water. Uit de taalkundige kenmerken van de tekst, blijkt dat de vertaler vermoedelijk uit de Toscaanse stad Lucca komt. De stijl van het schrift is bekend als ‘mercantesca’, die in de 15de eeuw vooral gebruikt wordt door kooplieden, bankiers en sommige ambachtslieden. Is onze Italiaan te situeren in het milieu van Italiaanse bankiers en kooplui in Brugge?

B_OB_MS685_003r_ik voeg kaart toe (Small)
De auteur kondigt aan dat hij een kaart van Vlaanderen zal toevoegen, coll. Openbare Bibliotheek Brugge

Waar men gaat langs Vlaamse waterwegen

Over de inhoud van de Excellente cronike, of in het Italiaans: ‘Cronache de signori di Fiandra e de loro advenimenti’, kan je elders op deze blog lezen. Laten we hier de kaart even van naderbij bekijken.

B_OB_MS685_208v-209r_kustlijn1
Het kanaal tussen Frankrijk en Engeland (el chanale fra la francia e linghilterra), Oostende (hostende), Nieuwpoort (niuporto) en de Ten Duinenabijd (badia delle dune)

De kaart is duidelijk niet bedoeld als een getrouwe geografische of topografische weergave van Vlaanderen – daarvoor plooit de maker zich net iets teveel naar de beperkingen van het papierformaat. Wél geeft de maker op de kaart heel accuraat de verbindingen tussen dorpen en steden weer, te vergelijken met een plan van de metro in Londen vandaag. En daarbij legt hij, zoals eerder gezegd, vooral de nadruk op de waterwegen die dorps- en stadskernen verbinden. De kleine 100 locaties die op de kaart staan, liggen bijna alle aan een waterloop of kustlijn.

B_OB_MS685_208v-209r_Cadzand (Small)
Het eiland Cadzand (chasante) tegenover de monding van het kanaal (el chanale) Damme (el damo) – Brugge

Onderaan op de kaart staat het kanaal tussen Engeland en Frankrijk, met uiterst rechts Duinkerke. Links beneden staat het eiland Cadzand (ook afgebeeld op de kaart van Jan De Hervy) met daartegenover de monding van het kanaal dat via Damme naar Brugge loopt. Andere waterwegen op de kaart zijn de Schelde, de Leie en twee waterlopen die van Duinkerke en Grevelingen naar Saint-Omer gaan.

B_OB_MS685_208v-209r_Brugge (Small)
Brugge vol kanalen (brugia piena di chanali) met de Kruispoort (porta della +), Boeveriepoort (porta delle boveria) en Smedenpoort (la smeaporta)

Verbindingswegen over land staan amper aangegeven op de kaart. Vanuit Brugge bijvoorbeeld vertrekt aan de Kruispoort een lijn naar Maldegem, Eekloo, Ertvelde en Baudelo (de Baudelo-abdij in Sinaai). De enige andere noemenswaardige verbindingsweg tussen verschillende dorpen loopt van de Brugse Boeveriepoort  naar Roeselare.

B_OB_MS685_208v-209r_Gent (Small)
Gent (ghuanto)

Hoed u voor Antwerpen

Brugge en Gent zijn het grootst afgebeeld van alle steden. Waar andere dorpen en steden het met één icoon moeten stellen (een kasteel, een fort, een kerk…), krijgen Brugge en Gent een soort plattegrond met een omwalling rond. Beide steden zijn dooraderd met waterlopen. In het hartje van de Brugse plattegrond staat dat Brugge vol kanalen is (‘brugia piena di chanali’). Langs de omwalling zijn enkele stadspoorten vermeld, zoals de ‘porta della boveria’. De talrijke Brugse kerken worden niet weergegeven, terwijl in Gent wel Sint-Baafs en Sint-Pieters zichtbaar zijn.

B_OB_MS685_208v-209r_Brabant (Small)
Grens Vlaanderen met Holland (Holanda), Zeeland (Selanda), Brabant (brabante) en Antwerpen (Anversa) met versterkingen in Saeftinghe (ciaffetinghe), Beveren (bevero) en Rupelmonde (rupalmondo)

Antwerpen en andere Brabantse steden roepen enig wantrouwen op. De maker van de kaart vermeldt immers expliciet dat langs de Vlaamse kant van het water versterkingen staan in onder andere Saeftinghe en Beveren, met als uitschieter een groot fort in Rupelmonde. Kortrijk (afgebeeld met een disproportioneel groot gebouw) en Tielt (‘buona villa’) liggen duidelijk in een hogere schuif.

B_OB_MS685_208v-209r_Kortrijk (Small)
Kortrijk

Bachten de Kupe

Naast de waterlopen geeft de kaart nog sporadisch enkele andere natuurelementen weer. Zo staan de golvende lijntjes rond Oudenaarde vermoedelijk voor de heuvels van de Vlaamse Ardennen. Op verschillende plaatsen staan weiden of moerasland aangeduid. De kaart vermeldt vijf grote gebieden, waaronder ‘El francho da levante’ of het oostelijke deel van het Brugse Vrije en ‘El paese di Wass’ (Waasland). Hoewel de auteur in het algemeen flink zijn best heeft gedaan om zo veel mogelijk dorpjes weer te geven, maakt hij zich er bij ‘La fiandra da ponente’ (letterlijk West-Vlaanderen, maar op deze kaart slaat het op Bachten de Kupe) snel van af door te schrijven dat er daar veel volk woont (‘molta piena di popoli’).

B_OB_MS685_208v-209r_Bachten (Small)
‘West-Vlaanderen, waar veel volk woont’

Misschien heeft onze Italiaan deze kaart niet in de vrolijkste omstandigheden gemaakt. Maar het heeft ons alleszins een topstuk opgeleverd.

Meer weten?

De kroniek met de oudste kaart van Vlaanderen wordt bewaard in de Openbare Bibliotheek Brugge (Ms. 685). In de catalogus van de Openbare bibliotheek vind je een gedetailleerde beschrijving van het handschrift en de kaart. Daar kan je het handschrift ook doorbladeren.

De lp’s van Willy Lustenhouwer

Brugge en Willy Lustenhouwer zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Ziejje van Brugge, zet je vanachtere’…: dat kent iedereen en het aanstekelijke accordeondeuntje bij die woorden zet zich onvermijdelijk vast in je geheugen. Of de Brugse volksfiguren Malviene, Zirromtje, Warten…: heerlijk herkenbaar én bovendien op en top Brugs!

Schoenmaker, blijf NIET bij uw leest!

Nochtans zag de toekomst van de jonge Willy Lapouter uit Sint-Andries er heel anders uit. Als derde zoon van het koppel Lapouter-Dujardin, geboren op 20 oktober 1920, gaat hij in de leer om schoenmaker te worden. Hij slaagt met vlag en wimpel maar al gauw lonkt het toneel en het orkest van Xavier Geerolf. Willy speelt er banjo, mandoline en vooral xylofoon.

Na enige tijd praat hij de nummers aan elkaar en niet lang daarna wordt hij de vaste conferencier die tussen de muzikale nummers optreedt. Hij schrijft ondertussen zelf liedjesteksten, sketches en monologen. Het duurt niet lang voor hij wordt opgemerkt door Lucien Delbarre, de toenmalig producer van Radio Kortijk, voorloper van Radio 1 West-Vlaanderen.

Lachen is gezond!

Lustenjhouwer Benny proot
Foto Benny Proot

Willy Lustenhouwer, zoals hij zichzelf ondertussen laat aankondigen, gaat in opdracht van de radio met Delbarre alle parochiezalen van West-Vlaanderen langs voor het wekelijkse programma ‘Lachen is gezond’. Disten Pulle en Kwibus Klets (voel j’em?) zorgen voor overvolle zalen en opvallend lege straten.

Ondertussen brengt Willy zijn eerste grammofoonplaten uit. Hij kiest er snel voor om zijn liedjes in het Brugs te zingen, want zijn eerste, Nederlandstalige album ‘Jozefien’ is niet zo’n succes. Het nu overbekende ‘Ziejje van Brugge‘ (1955), gezongen in het Brugse dialect, en de ‘Kus-Kus Polka’ zijn  de start van zijn zangcarrière. Hij schrijft zelf meer dan 600 liedjes, die steevast op muziek worden gezet door zijn goede vriend, de accordeonist Roger Danneels.

Begin jaren 1960 maakt hij de overstap naar de televisie. Lustenhouwer presenteert op het NIR (de voorloper van de VRT) het populaire spelprogramma ‘Waag je kans’ en later ook ‘Een tegen allen’. Verder treedt hij aan in de programma’s ‘Hartenwens’, ‘Boemerang’, ‘Binnen & Buiten’, dat hij ook zelf samenstelt, en zelfs ‘Spel zonder Grenzen’. Willy werkt met ongeveer iedereen in het vak in Vlaanderen en België: Adamo, Tony Corsari, Leo Martin (van Gaston en Leo) en natuurlijk de producer Al Van Dam.

willy met roger danneels en al van dam
Een zoveelste succesalbum wordt gevierd, vlnr: Roger Danneels, Willy Lustenhouwer en Al Van Dam

Als acteur speelt Willy de rol van dienstbode Lapouter (jawel, zijn officiële naam) in de serie ‘De vorstinnen van Brugge’ (1972). Tegelijk heeft Willy ook een reisbureau in de Philipstockstraat dat veel van zijn tijd en beschikbaarheid vraagt. Daarom besluit hij zijn tv-werk en de vele optredens in Vlaanderen terug te schroeven. Als afscheid geeft hij een onemanshow, die zo’n succes wordt dat er nog negen andere volgen…

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Voor de Brugse stadsradio VBRO presenteert Lustenhouwer het verzoekprogramma ‘Groetjes uit Brugge’. Als omroeper / thuisverslaggever van Club Brugge is hij natuurlijk ook een graag geziene figuur. De liefde voor De Club zorgt ook voor twee lp’s met Club als onderwerp en verschillende Brugse zangers en muzikanten in ”t Koor van achter d’Holletorre’. Benny Scott is een van de koorleden. Hij kiest in Lustenhouwers voetsporen voor het Brugs als zangtaal nadat hij in 1981 een hit scoort met ‘K en Brugge in men herte’. Ook Guido Depraeteres typetje Baziel is schatplichtig aan Lustenhouwers kleurrijke volksfiguren.

Verzamelen

In  1987 geeft Lustenhouwer ‘De geschiedenis van het café-chantant: met 249 café-chantant liedjes uit oma’s tijd’ uit, waarin hij zijn interesse voor het Brugse dialect en het volkse lied combineert. 402_001Daarvoor bezoekt hij rusthuizen en registreert meer dan tweehonderd oude volksliedjes bij de bejaarde bewoners.

Net zoals Guido Gezelle een woordentas bijeen schrijft, legt Lusthouwer een kaartenbestand aan van duizenden Brugse dialectwoorden en -uitdrukkingen, met de bedoeling dit alles in een Brugs woordenboek uit te geven. Dat iedere parochie, zelfs in de binnenstad, een variante spreekt van het Brugs, ontgaat hem niet. Sint-Gillis, Sint-Anna en Sint-Jozef klinken letterlijk anders. Door gezondheidsproblemen kan hij dit project niet meer voltooien. Onder redactie van Koen De Brabander komt de uitgave er toch in 2014, met als titel ‘Brugs is oltied schoane : Brugse uitdrukkingen en gezegden’Willy Lapouter overlijdt op 13 juni 1994 en lag een tijd begraven op het kerkhof van Ver-Assebroek. Zijn weduwe besluit later om hem alsnog te laten cremeren.  

Met het Museum voor Volkskunde en de molens op de vesten heeft Lustenhouwer een speciale band: ‘De vorstinnen van Brugge’ is er gedeeltelijk opgenomen en hij kan er de kleurrijke figuren uit de Sint-Annabuurt observeren. Zijn album ‘Moppen an d’n dis’ is er geënsceneerd en volledig opgenomen. (Overigens: Wie wil, kan vandaag nog steeds een drankje nuttigen in het gezellige café van het Volkskundemuseum.)

Meer weten?

De volledige discografie, de dvd-reeks ‘Het beste van Willy Lustenhouwer’ (2004-2009) en heel wat publicaties van en over Willy Lustenhouwer zijn terug te vinden in de Openbare Bibliotheek Brugge. Ook het Stadsarchief Brugge en het Volkskundemuseum hebben materiaal over deze unieke Brugse zanger.