De koperplaten van de kaart van Marcus Gerards

Een visser leunt achteloos tegen een brug net buiten de Katelijnepoort. Een boot ligt aangemeerd met omgelegde mast bij de Spinolarei. Enkele koeien staan te grazen op de wal tussen de twee vestinggrachten en vlakbij zwemt een gezinnetje zwanen. De molens tonen weinig beweging, de stadskraan is tot stilstand gekomen en het begijnhof ligt er vredig bij. Buiten de Dampoort is een man op wandel met een hond.

Het zou de omschrijving van een reeks romantische schilderijtjes van Brugge kunnen zijn, maar al deze taferelen staan wel degelijk op één enkel werk: de kaart van Brugge van Marcus Gerards.

In vogelvlucht

Marcus Gerards vogelvluchtperspectiefplan uit 1562 een meesterwerk noemen, is een understatement. De hele Brugse binnenstad in koper graveren: begin er maar aan! De kaart is al eeuwen geliefd bij een groot publiek en siert heel wat Brugse woonkamers, studeerkamers en wachtzalen. Je kan uren naar het werk staren en telkens weer nieuwe details ontdekken.

Afstanden kan je er niet mee meten – de verhoudingen kloppen niet altijd. Maar het stratenpatroon zit wel helemaal goed. Werkt de gps niet, dan zou je vandaag nog steeds de weg kunnen vinden in Brugge met deze kaart in de hand. Ook de architecturale details van de gebouwen zijn heel accuraat getekend. Het belfort ziet er tot op vandaag nagenoeg identiek uit. Dat de houten spits nog een tweede keer zou afbranden en nooit meer teruggebouwd zou worden, kan Marcus Gerards natuurlijk niet weten.

Een huzarenstukje

In 1561 geeft het Brugse stadsbestuur de opdracht aan de schilder Marcus Gerards om de kaart te maken. Het doel: bekendheid geven aan een nieuw kanaal, de Verse Vaart, en zo de buitenlandse handelaars overtuigen terug te keren naar Brugge. In de woelige 16de eeuw trekken die namelijk steeds meer naar Antwerpen. Gerards moet duidelijk maken dat Brugge een vredige stad is waar het aangenaam toeven is en vooral gunstig om handel te drijven. Meer nog, er wordt hem expliciet gevraagd om Brugge dichter bij de zee te tekenen en de waterwegen breder te doen lijken, ‘ten fine dat men mercken mach de goede navigatie’.

20120817_001 021
De tien koperplaten waarmee de kaart van Brugge gedrukt wordt, 1562, coll. Gruuthusemuseum Brugge (inv. BMG.0565)
druk volledig (Small)
Afdruk van de koperplaten

Het is een opdracht die Marcus Gerards met veel overgave aanneemt. Niet alleen volgt hij de aanwijzingen nauwgezet op, hij graveert ook de binnenstad van Brugge met ontzettend veel detail. Een beetje vreemd misschien, aangezien hij eigenlijk vooral een nieuwe vaart moet promoten. Wat misschien nog het meest tot de verbeelding spreekt, is dat hij dit alles realiseert in amper een jaar tijd. Heeft hij al een voorstudie gemaakt op het moment dat de opdracht in de bus valt? Krijgt hij hulp? We zullen het waarschijnlijk nooit weten.

Vermoedelijk beklimt Marcus Gerards heel wat Brugse torens om zo een goed overzicht over de stad te hebben. In een volgende fase moet hij dan alles in spiegelbeeld tekenen. De kaart is namelijk een koperets en die techniek vereist dat je de tekening in spiegelbeeld in de koperplaat graveert om hem dan ‘juist’ afgedrukt te krijgen. De kaart is uiteindelijk een puzzel van tien koperplaten geworden van 1m op 1,77m.

ingekleurde kaart (Small)
Het ingekleurde exemplaar van de kaart van Marcus Gerards, 1563, coll. Groeningemuseum Brugge (inv. 0000.GRO1283.I)

Met die platen zijn verschillende drukken op papier gerealiseerd. Enkele daarvan zijn ingekleurd, zoals het exemplaar in de collectie van het Groeningemuseum, dat nu te zien is op de tentoonstelling ‘Pieter Pourbus en de vergeten meesters’. De koperplaten behoren tot de collectie van het Gruuthusemuseum.

Vandaag, precies 455 jaar later, heeft de kaart nog steeds zijn nut. Niet meer als propagandamiddel maar wel als belangrijke bron voor historisch onderzoek. In het project MAGIS Brugge wordt de kaart volledig digitaal ontleed en wordt er een databank bovenop gebouwd. De geschiedenis van het middeleeuwse Brugge wordt hiermee als het ware ruimtelijk uitgezet. Het ontleden van de kaart levert heel wat boeiende gegevens op over de Brugse geschiedenis, zoals de ligging van de oude botermarkt of het bestaan van enkele kaatsbanen in Sint-Gillis.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Diplomatisch en professioneel

Ook over de persoon Marcus Gerards komen de onderzoekers onrechtstreeks een en ander te weten. Zoals gezegd volgt hij de aanwijzingen van het stadsbestuur nauwgezet en tekent hij Brugge veel te dicht bij de zee. Maar: hij gaat hier op een correcte manier mee om. Een stippellijn geeft namelijk aan waar de schaal wijzigt en in een cartouche legt Marcus Gerards uit dat alles links van de lijn met een kleinere schaal ‘vaag en ongedefinieerd’ is getekend. Probeert hij hier zowel diplomatisch (t.o.v. het stadsbestuur) als professioneel (t.o.v. collega-kaartenmakers) te werk te gaan?

stippellijn met pijl (Small)
Met een stippellijn geeft Marcus Gerards de schaalwijziging in de kaart weer

Helaas komen we op de kaart niet te weten waar Marcus Gerards woont. Hij duidt zijn woonplaats niet aan en er zijn voorlopig ook geen andere bronnen die dit onthullen. Wel zijn er op het hele stadsplan zeven, schijnbaar willekeurige, gebouwen waar een rookpluim uit de schoorsteen komt. Zit hier meer achter of is het gewoon versiering?

Wel mag gezegd dat Marcus Gerards gevoel voor humor heeft. Hoe valt anders te verklaren dat hij een plassend vrouwtje tekent op de kaart van Brugge? Net buiten de Speipoort (in de buurt van de huidige Dampoort) houdt een gehurkte dame haar rokken op – de nood is hoog. Karel van Mander schrijft in 1604 dat Marcus Gerards de gewoonte had een ‘pissende vrouken’ te tekenen op zijn gravures. Wat bewezen is!

plassend vrouwtje (Small)
De alternatieve handtekening van Marcus Gerards: een plassend vrouwtje

Zes jaar nadat hij de kaart van Brugge heeft afgewerkt, doen de godsdiensttroebelen in onze contreien de protestant Marcus Gerards naar Engeland vluchten. Of is hij Brugge spuugzat na het graveren van de volledige binnenstad? We durven het betwijfelen en duiken met veel plezier nog eens in de kaart.

Meer weten?

De kaart van Marcus Gerards en het MAGIS Brugge-project kan je bekijken op Kaart en Huis Brugge

Elien Vernackt en Bram Vannieuwenhuyze, Historische kaarten digitaal ontsloten: MAGIS Brugge als voorbeeld van digitale kaartanalyse met QuantumGIS, in: Bladwijzer, 2015, 13, p. 1-6

E. Hodnett, Marcus Gheeraerts the elder of Bruges. Utrecht, 1971

rookpluim (Small)
Huis met schoorsteen en rookpluim
Advertenties

Briquetage

Zout is nog steeds het meest gebruikte ingrediënt in de keuken: het is een goede smaakverbeteraar en het werkt ook als bewaarmiddel. Het nut van dit ‘witte goud’ ontgaat ook de vroege bewoners van Brugge niet.

Vanaf de ijzertijd zijn sporen van zoutproductie terug te vinden langs de Noordzeekust. Vooral in de Romeinse periode wordt de zoutproductie op grote schaal georganiseerd. Maar hoe die productie precies in zijn werk gaat, is nog niet helemaal duidelijk.

figuur 1 (Small)
Tijdens de ijzertijd en de Romeinse periode zijn de oostelijke kustpolders te vergelijken met het Verdronken Land van Saeftinghe (Rijkswaterstaat)

Langs de getijdengeul

Tijdens opgravingen aan Fort Lapin vinden archeologen heel wat sporen terug van de zoutproductie in de ijzertijd. Het gaat om ‘briquetage’, staven in aardewerk waarop men vaatwerk zet waarin de pekel verhit wordt. Vaak komt deze briquetage voor in combinatie met halve holle buisjes of ‘gootjes’. Dat deze sporen aan Fort Lapin worden teruggevonden, is niet verwonderlijk: voor de zoutzieders is de ligging langs de getijdengeul ideaal. Een geul levert immers de grondstof voor de zoutproductie (zeewater) én fungeert als een transportroute.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Deze site blijkt voor archeologen in de 19de eeuw en in de jaren ’60 van de 20ste eeuw overigens een zout- (excuus:) goudmijn te zijn. Ze graven er een haven uit de ijzertijd en de Romeinse periode op. De meest opmerkelijke vondst is een Romeinse boot die zowel op rivieren als op zee kan varen. Via de getijdengeul kan deze boot van de zee richting Romeinse nederzetting aan Fort Lapin gaan. Om zout op te laden?

In de kustvlakte

In de Romeinse tijd pakt men de zoutwinning in de kustvlakte grootschalig aan. De zouthandel wordt een staatmonopolie. In de buurt van Colijnsplaat in Zeeuws-Vlaanderen zijn verschillende altaren gewijd aan de godin Nehalennia opgevist. De altaren zijn vaak opgedragen door Menapische negotiatores salarii of zouthandelaars en handelaars in vissaus (de Menapiërs zijn de inheemse bewoners van onze regio). De handel en productie van zout in onze streken moet dus belangrijk geweest zijn.

nehalennia_altaar (Small)
In de buurt van Colijnsplaat (Zeeland) werden zo’n 200 brokstukken en Nehalennia-altaren opgevist. Op de foto: Nehalennia-altaar, 150-250 na Christus, coll. Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

Wat de productie in de Romeinse tijd betreft, vinden archeologen vooral kleinere elementen terug: klosjes, driepootjes en kleispijkers. De zoutcontainers – het vaatwerk waarin het zout geproduceerd en verhandeld wordt – worden in die periode veel groter.

De Menapische kustvlakte is in het algemeen een belangrijke economische regio waar seizoensgebonden activiteiten plaatsvinden. Zo vind je er zoutziederijen en schelpkalkbranderijen (gebruikt als grondstof in mortel), wordt er aan mossel- en oesterpluk gedaan, produceert men de bekende vissaus (garum) en teelt men schapen op de schorren. En niet te vergeten: de Menapische gezouten ham is een lekkernij die zelfs in Rome gesmaakt wordt.

figuur 2 (Small)
Reconstructie van een Romeinse zoutoven

Langs de A11

De aanleg van de A11 brengt niet alleen tijdwinst. Hij levert ook een belangrijke archeologische vondst op met betrekking tot de zoutproductie in onze contreien.

Wanneer de aanleg van de A11-snelwegverbinding in 2011 start, krijgt de archeologische dienst Raakvlak de kans om een groot deel van de oostelijke kustvlakte te onderzoeken. Langs de Zonnebloemweg, net ten zuiden van de Brugse achterhaven, stoten de archeologen op een kleine Romeinse nederzetting. Op een begraven zandrug ligt naast een steentijdkamp een Romeins gebouw met een waterput. Op de rand van de zandrug, bovenop het veen wordt een grote hoeveelheid briquetage verzameld. De opgraving levert niet minder dan 355 fragmenten op!

figuur 4 (Small)
Overzicht van de opgravingssleuven langs de Zonnebloemweg

De opgegraven site kent twee occupatiefasen: de tweede helft van de eerste eeuw tot begin tweede eeuw en het einde van de tweede eeuw tot het begin derde eeuw. Het blijkt om een kleine, tijdelijke woonplaats te gaan van waaruit de kustvlakte geëxploiteerd wordt: de bewoners kunnen er zout winnen, maar ook vissen of schapen hoeden. De activiteit en bewoning worden afhankelijk van de seizoenen georganiseerd: tijdens de winter is de kustvlakte te nat en onvoorspelbaar om er lange tijd te verblijven.

Met deze vondst komen de archeologen weer wat meer te weten over de zoutproductie in de kustpolders. Blijven graven is de boodschap!

figuur 3 (Small)
Vindplaatsen briquetage-materiaal: Fort Lapin (rood) en Zonnebloemweg (blauw)

Meer weten?

Peter W. Van Den Broeke, Zoutwinning langs de Noordzee: de pre-middeleeuwse sporen, in: Adriaan M.J. De Kraker en Guus J. Borger, Veen-vis-zout. Landschappelijke dynamiek in de zuidwestelijke delta van de Lage Landen, 2007, p. 65-80

Hugo Thoen, De Romeinen langs de Vlaamse kust, 1987

Wim De Clercq, Over vlees en bloed. Menapische boeren en soldaten aan de rand van het Romeinse Rijk (Publicaties van het Provinciaal Archeologisch Museum Velzeke, Gewone reeks 5), 2012

Michiel Dekoninck, Romeinse zoutproductie in de civitas Menapiorum. Een studie naar het technologische proces op de zoutproductiesites aan de hand van het briquetage-aardewerk uit de regio Zeebrugge-Dudzele, Thesis Ugent, 2017

 

 

Het praalgraf van Anselm Adornes

De spitse toren van de Sint-Annakerk naast de oosters aandoende toren van de Jeruzalemkapel. Het blijft een bijzonder, wat sprookjesachtig zicht als je op wandel bent door het Sint-Annakwartier. In de kapel staat het praalgraf van Anselm Adornes (1424-1483), één van de belangrijkste telgen uit de Adornes-familie én een voorname Bruggeling met een internationale gerichtheid.

IMG_3320 (Small)
De toren van de Jeruzalemkapel, foto: Inge Geysen

Genua – Brugge

De familie Adornes is afkomstig uit het Italiaanse Genua. Sinds de tweede helft van de 14de eeuw behoort zij tot de meest vooraanstaande families van Brugge. De Adornes draaien volop mee in het economische, bestuurlijke, religieuze en culturele leven van de stad. Hun internationale gerichtheid valt daarbij op. Anselm vormt geen uitzondering op dit plaatje. Over zijn leven weten we heel wat, dankzij het rijke familiearchief dat al enkele decennia in het Brugse Stadsarchief bewaard wordt.

IMG_3330 (Small)
Anselm Adornes en zijn echtgenote op hun praalgraf in de Jeruzalemkapel, foto: Inge Geysen

Net als een aantal van zijn voorvaderen, is Anselm Adornes actief in de internationale handel. Hij bemiddelt in transacties tussen Genuese en Spaanse kooplieden. Maar hij is ook zelf actief als handelaar in laken en aluin, een belangrijke grondstof voor (onder andere) de lakenproductie. Zijn woning ligt aan de Verwersdijk, midden in het kwartier waar de Schotse handelaars vertoeven. Niet verwonderlijk dus dat hij ook met hen goede contacten onderhoudt. Zeer goede contacten zelfs en de overheden weten die te waarderen. Want in 1468 stellen de steden Gent, Brugge en Ieper, het Brugse Vrije en hertog Karel de Stoute hem aan het hoofd van een diplomatieke missie om de handelsrelaties tussen Vlaanderen en Schotland te herstellen. Anselm slaagt in zijn opdracht en houdt er uitstekende relaties met de Schotse koning aan over.

Internationale vriendenkring

Het mag duidelijk zijn: Anselm Adornes beweegt zich in de hoogste kringen van het 15de-eeuwse Brugge.  Hij neemt meermaals een functie op in het stadsbestuur en hij is een trouwe medewerker van de Bourgondische hertog Karel de Stoute. Tussen 1444 en 1449 neemt hij deel aan tornooien van het aristocratische gezelschap van de Witte Beer – én komt vaak als winnaar uit de bus. Anselm Adornes organiseert trouwens zelf ook een tornooi naar aanleiding van het huwelijk van Karel de Stoute en Margaretha van York.

De kringen waarin hij zich beweegt zijn mooi af te lezen van een document uit het familiearchief: de lijst van peters en meters van Anselms zestien kinderen. De consul van de Venetianen, Genuezen uit machtige families, abt Jan Crabbe van de Duinenabdij, Lodewijk van Gruuthuse, Tommaso Portinari…: de high society van Brugge flaneert op deze lijst!

glasraam (Small)
Detail van het glasraam met een biddende Anselm Adornes, foto: http://www.adornes.org

Brugge – Jeruzalem

Anselms vader, Pieter II Adornes, trok zich na het overlijden van zijn vrouw terug uit het openbare leven en ging als geestelijke leven in het kartuizerklooster in Sint-Kruis. Zo ver drijft Anselm het niet maar ook over zijn vroomheid en religiositeit mag geen twijfel bestaan.

Net als zijn voorvaderen, heeft Anselm een bijzondere verering voor de Heilige Plaatsen en daarbij hoort ook het Heilig Graf. De Jeruzalemkapel, wat architectuur betreft geïnspireerd op de H. Grafkerk in Jeruzalem, is daar als het ware een stenen getuige van.

bron2013_MS_026v_fragment H Graf (Medium)
Rombout De Doppere, Nederlandse vertaling van het verslag van Anselm Adornes’ bedevaart naar Jeruzalem, coll. OCMW-archief Brugge, folio 26v

Item ten .xiijen. daghe van septembre int jaer .lxxtich., visenteirden wij de grote kerke daer thelich Graf  jn es, ende vele andre helighe plaetsen, te wetene, de cappelle van onser liever Vrauwe, daer de broeders van den berghe van Syon haren dienst jn doen; ende es daer de plaetse daer Christus hem openbaerde zijnder moedre eerst naer zijn resurrexie. Rombout De Doppere, folio 26v

Pieter II Adornes legt de basis voor de Jeruzalemkapel maar het is zijn zoon Anselm die de kapel zoals we ze vandaag kennen bouwt. De bouwperiode start, waarschijnlijk niet toevallig, in 1471. In dat jaar keert Anselm terug van zijn bedevaart naar Jeruzalem. Het verloop van deze tocht, die meer dan een jaar duurt, staat beschreven in een reisverslag, opgesteld door Anselms zoon Jan, die zijn vader vergezelt. Het verslag voert ons mee langs  de vele H. Plaatsen in Egypte en Palestina die het gezelschap aandoet. Op 13 september bezoekt Anselm de H. Grafkerk – ongetwijfeld één van de hoogtepunten van de reis.

bron2013_MS_027v_fragment (Medium)
Rombout De Doppere, Nederlandse vertaling van het verslag van Anselm Adornes’ bedevaart naar Jeruzalem, coll. OCMW-archief Brugge, folio 27v

[Voort niet verre van daer recht over tjncommen] vander kerke, es de plaetse daer Christus naer zijn dood gheleyt was ende ghezuvert.

Int westhende vander kerke es de weerdighe plaetse daer hij begraven was.

Ende jn de middel vanden choor es een witte marbersteen, daer men zecht dat de rechte middel vander weerelt es, ende men zieter gheen scaduwe. Rombout De Doppere, folio 27v

Ook binnen in de Brugse Jeruzalemkapel verwijzen talloze elementen naar het H. Graf. Het meest in het oog springend is de grote stenen kalvarieberg achter het altaar, met zijn drie grote kruisen en gebeeldhouwde voorwerpen die verwijzen naar het lijden en de dood van Christus. In dit geheel zijn vijf vakken uitgehouwen met koperen traliewerk ervoor, waarschijnlijk om relieken in verband met het H. Graf in te bewaren.

IMG_3326 (Small)
De kalvarieberg in de Jeruzalemkapel, foto: Inge Geysen

Brugge – hemels Jeruzalem

Vóór deze kalvarieberg staat het grafmonument van Anselm Adornes en zijn vrouw Margaretha van der Banck, door Cornelis Tielman gehouwen uit Doornikse steen. Beiden zijn liggend afgebeeld, ten voeten uit. Margaretha is mooi uitgedost, met een spits hoofddeksel en een jurk die in ruime plooien valt. Anselm draagt zijn harnasuitrusting.

Eigenlijk ligt Anselm begraven in Schotland. Daar wordt hij op 23 januari 1483 vermoord. Op 2 maart 1483 zet men zijn hart bij in het Brugse grafmonument. In het loden kistje waarin het hart zat, hebben archeologen drie loden penningen gevonden. Waarschijnlijk zijn die in het kistje gestopt vóór de bijzetting. Op de ene zijde prijken de letters JLRM, de afkorting van Jeruzalem. Op de andere zijde staan stralende wolken, het embleem van de Adornes-familie en van de ridders van het H. Graf.

Of hoe internationale gerichtheid en vroomheid samenkomen in Anselms laatste rustplaats…

Praalgraf Adornes_Alfons Watteyne_1930_BRU001005368 (Small)
Het praalgraf van Anselm Adornes en Margaretha van der Banck in de Jeruzalemkapel, 1930, foto: Alfons Watteyne, coll. Stadsarchief Brugge

Meer weten?

Het Adornesdomein, met de Jeruzalemkapel en het Adornesmuseum kan je dagelijks bezoeken, behalve op zondag.

Noël Geirnaert, Anselm Adornes (1424-1483). Koopman, aristocraat, bedevaarder en avonturier. Een Bruggeling met Italiaanse wortels en Schotse connecties, in: Vlaanderen, jg. 51 (2002), p. 8-11

Noël Geirnaert en André Vandewalle (red.), Adornes en Jeruzalem. Internationaal leven in het 15de– en 16de-eeuwse Brugge, Brugge, 1983 (catalogus bij de tentoonstelling in de Jeruzalemkapel, 9-25 september 1983)

Erfgoedcel Brugge ontwikkelde ‘Adornes achterna‘ een educatieve site rond de figuur van Anselm Adornes.

De Brugse moef

Een Belg wordt geboren met een baksteen in de maag, luidt het. Als deze baksteen een Brugse moef is, zal die zwaar op de maag liggen. Dit type baksteen is namelijk bijzonder volumineus.

Potten en stenen

Nog voor bakstenen in gebruik komen, is er al gebakken bouwmateriaal terug te vinden. Het oudst zijn de kogelpotten uit het koepelgewelf van de Sint-Donaaskerk, uit de tweede helft van de 10de eeuw. De kerk is nu verdwenen maar bij opgravingen zijn (vermoedelijke) resten van de kogelpotten teruggevonden. Deze potten zijn een soort omgekeerd geplaatste, aaneengesloten vazen die het gewicht van het gewelf verspreiden en verminderen. Galbert van Brugge vermeldt ze in 1127 in zijn dagboek.

Begijnhof 5 N romaans p (Small)
Romaanse deuromlijsting, Begijnhof, Brugge

Waarschijnlijk wordt in de 12de eeuw al een bescheiden hoeveelheid baksteen geproduceerd. Opmerkelijk is dat deze stenen kleiner zijn dan de oudste moefen en dat ze andere verhoudingen hebben. De vroege bakstenen verdwijnen vermoedelijk aan het begin van de 13de eeuw om plaats te maken voor de Brugse moef.

Natuur of gebakken?

In Brugge begint men al vrij vroeg te bouwen met baksteen. In de onmiddellijke omgeving van de stad is immers weinig natuursteen beschikbaar. Natuursteen aanvoeren betekent: moeilijke en dure transporten incalculeren. Dan is het makkelijker en goedkoper om in de onmiddellijke omgeving van de stad baksteen te produceren. Zowel de klei, de grondstof waaruit de steen gebakken wordt, als de turf waarmee de ovens gestookt worden, zijn in de kuststreek aanwezig.

Markt 7 Hallen baksteen (7) (Small)
Belfort, Brugge

Zowel de kloosterorden als de steden in het kustgebied promoten het bouwen met baksteen.  Al vóór 1300 worden in Dudzele en Ramskapelle steenbakkerijen uitgebaat. De bakstenen worden via het water (onder andere) naar Brugge vervoerd. In 1331 beslist de stadsmagistraat om eigen steenovens te bouwen in Ramskapelle. De miljoenen bakstenen die daar uit de ovens komen, gebruikt men voor de bouw van openbare gebouwen, stadsversterkingen, waterputten, bruggen, rioleringen…

Rood en groot

Vanaf de eerste helft van de 13de eeuw komt een groot formaat baksteen, bekend als Brugse moef, in gebruik als bouwmateriaal. Brugse moefen hebben een roodgele kleur, waarbij het rood meestal primeert, al evolueert de kleur doorheen de tijd. Opvallend is dat er een kleine hoeveelheid groen geglazuurde stenen voorkomt, met inwendig een roodgele gevlamde structuur. In de eerste helft van de 13de eeuw komen meer  egaal rode stenen voor. Huis De Rode Steen aan het begin van de Spiegelrei en de middelste ziekenzaal van het Sint-Janshospitaal zijn in deze soort baksteen opgetrokken.

Mariastr 36 (4) (Small)
Sint-Janshospitaal, Brugge

De Brugse moef is een groot formaat baksteen. De moefen uit het begin van de 13de eeuw zijn over het algemeen het grootst: hun lengte gaat van 33 tot 27 cm. In de toren van de Sint-Salvatorskathedraal hebben de oudste moefen een formaat van 33 tot 30,5 cm lang, 15 tot 14 cm breed en 9,2 tot 8 cm hoog. In Lissewege is de abdijschuur van Ter Doest een monumentaal voorbeeld van een bouwwerk opgetrokken uit moefen.

Klein en fijn

In de loop der eeuwen verkleint het formaat van de bakstenen, een algemene tendens in Brugge en daarbuiten. In de tweede helft van de 14de eeuw komen al bakstenen van 21 cm lang voor, in de 15de en de 16de eeuw is 22 tot 20 cm courant. Het kleiner formaat biedt heel wat voordelen: de productie van de stenen gaat sneller, er zijn minder misbaksels, het formaat is handiger en ze zijn beter geschikt voor kleinere gebouwen. En ook voor de producent kan er een voordeel aan vast hangen, wanneer de stenen niet per volume maar per stuk worden verhandeld.

Toch zijn in een aantal gebouwen uit de late middeleeuwen nog grote bakstenen aan te treffen. Het gaat dan meestal om oude stenen die gerecupereerd en herbruikt worden. Voorbeelden van dergelijke recuperatie heb je bij de jongere westgevel van de Begijnhofkerk waar na een brand in de 17de eeuw de kerk ingekort wordt en men de nieuwe gevel optrekt met het materiaal van het afgebroken voorgedeelte.

Poertoren (OMD 2011)
Poertoren, Brugge, foto: Stadsfotografen Brugge, Jan Termont 

Enkele eeuwen vroeger levert de stad Brugge voor de bouw van de Poertoren in 1397-1398 naast nieuwe bakstenen ook gerecupereerde grote moefen. Ze zijn vandaag nog te zien in het bovengedeelte van de toren. In een tekst doet de bouwmeester hierover zijn beklag omdat de recuperatiestenen het werken bemoeilijken. Die hebben immers een ongebruikelijk formaat en bovendien zitten bij recuperatiestenen altijd gebroken stenen die zelden uitgesorteerd worden en die het toepassen van een gebruikelijk metselverband onmogelijk maken.

Gedenksteen Brugge Unesco Werelderfgoed

Voor veel Bruggelingen is het een evidentie maar toch blijft het iets om trots op te zijn: Brugge is erkend als Unesco Werelderfgoed. Meer nog: Brugge staat viermaal op de lijst van het Werelderfgoed ingeschreven. Het Begijnhof krijgt de erkenning in 1998, het Belfort in 1999 en het historische stadscentrum in 2000. De Heilig Bloedprocessie is in 2009 erkend als immaterieel werelderfgoed.

IMG_5615 (Small)
‘Brugge Unesco Werelderfgoed’ uitgespeeld aan de rand van de binnenstad, foto: Aleid Hemeryck

De werelderfgoedtitel  

Het Werelderfgoedverdrag bestaat sinds 1972. Het wil cultureel en natuurlijk erfgoed met een unieke en universele waarde bewaren voor toekomstige generaties. Unesco motiveert duidelijk waarom de Brugse binnenstad de erkenning als Werelderfgoed verdient. De organisatie noemt Brugge een gaaf bewaarde stad, gevat binnen haar 13de-eeuwse grenzen, die ruimtelijk én structureel van eeuwen geschiedenis getuigt. De gotische baksteenarchitectuur en ook de neogotische architectuur, die in de 19de eeuw voor een eerste restauratiegolf zorgt en de voortzetting is van een eeuwenoude bouwtraditie, bepalen het uitzicht van de stad. Het Belfort met de Hallen, het Begijnhof, de middeleeuwse hospitalen, kerken en kloosters zijn bijzondere uitingen van de commerciële en culturele geschiedenis van de stad en de mensheid. Unesco stipt ook de band aan tussen de stad en de paneelschilderkunst van Vlaamse Primitieven als Jan Van Eyck en Hans Memling die in de 15de eeuw in Brugge wonen en werken. Hun schilderijen en die van hun tijdgenoten beïnvloeden de schilderkunst in de rest van Europa.

De titel ‘Werelderfgoedstad’ oefent ongetwijfeld toeristische en culturele aantrekkingskracht uit. De website VisitBruges pakt maar wat graag uit met deze erkenning om toeristen te verleiden tot een bezoek. Het authentieke middeleeuwse stadsweefsel en het historisch patrimonium moeten hen over de streep trekken.

Een duurzaam erfgoedbeleid

Maar: deze prestigieuze erkenning vraagt de nodige inspanningen en bepaalt ook mee de toekomst van de stad. Het erfgoed moet immers in stand gehouden worden! Al op het einde van de 19de eeuw voorziet de Stad Brugge in een premie voor de ‘kunstige herstelling’ van huizen in particulier bezit. In 1971 is de stad voorloper wanneer zij een Dienst Monumentenzorg opricht die instaat voor de zorg van het bouwkundig erfgoed in Brugge. De dienst hanteert daarvoor de principes uit het Charter van Venetië (1964) dat bepaalt hoe er moet worden omgegaan met restauratie en conservatie van waardevolle gebouwen en monumenten. Tot op vandaag is het deze dienst die de krijtlijnen uittekent voor het toekomstige beleid. Daarbij zoeken de verantwoordelijken naar een evenwicht tussen de erfgoedwaarden van Brugge en het duurzaam ontwikkelen van een leefbare stad waar mensen wonen, werken en ondernemen.

BRU001000001_032-02
Bron: Album Ronse, coll. Stadsarchief Brugge

De Stad Brugge overlegt regelmatig met Unesco en kan daarbij rekenen op advies van een aantal commissies. Naast de Raadgevende Commissie voor Stedenschoon, die sinds 1904 advies geeft bij restauraties en (ver)bouwprojecten in de binnenstad, is sinds enkele jaren ook een Expertencommissie Unesco aangesteld die mee het evenwicht tussen het bestaande patrimonium en nieuwe architecturale ingrepen bewaakt. Zij stimuleerden mee het uitwerken van een Managementplan waarbij de Stad het gevoerde beleid evalueert en politiek en juridisch ondersteunt. Het Plan omschrijft de uitzonderlijke universele waarde van Brugge. Het geeft aanzetten voor een consequent erfgoedbeleid door niet alleen aandacht te vragen voor het kunsthistorisch waardevol patrimonium maar ook voor de panden met een minder grote erfgoedwaarde en voor de stadslandschappen. Bovenal wil het Managementplan een motor zijn voor een verantwoorde ontwikkeling van Brugge als levendige stad, in de eerste plaats voor haar bewoners, en daarnaast voor ieder die haar bezoekt en hier verblijft. Een belangrijk werkinstrument dus!

Van hamer en beitel tot drone

Sinds 2001 hangt in de Blinde Ezelstraat een gedenksteen ‘Brugge Unesco Werelderfgoed’. In dat jaar is de restauratie van de gevel van de Griffie op de Burg voltooid. Die gevel uit 1534-1537 is één van de vroegste voorbeelden van renaissancestijl in Vlaanderen en het is één van de monumenten die een grondige restauratiebeurt krijgt in de aanloop naar Brugge Culturele Hoofdstad 2002. Dat culturele jaar geeft Brugge een belangrijke impuls, zowel wat de historische als wat de hedendaagse architectuur betreft. Het is ook met het oog op dat jaar dat men begint te ijveren voor de erkenning als Werelderfgoed – met het gekende resultaat. Op de gedenksteen in de Blinde Ezelstraat staan dan ook drie data: 2000 – Brugge wordt Unesco Werelderfgoed, 2001 – het herstel van de Griffie en 2002 – Brugge Culturele Hoofdstad.

DSC03306 (Small)
Beeld van het Belfort gemaakt door een drone, Dienst Patrimonium Stad Brugge

Het restaureren van de historische parels van de stad is een blijvende investering in kennis, tijd en middelen. Of een investering in ‘vakmanschap’ zoals in de gedenksteen staat gebeiteld. Naast de traditionele restauratiewerktuigen zoals hamer en beitel, prijken daar ook de boormachine én de digitale camera op. En de restauratietechnieken blijven evolueren… Wie kon in 2001 voorspellen dat in aanloop naar de restauratie van hét monument van de Brugse binnenstad, het Belfort, een drone een essentiële rol zou spelen in het vooronderzoek!

Restaureren, bouwen en verbouwen vormen een rode draad doorheen het leven van de stad. En Brugge blijft zich engageren – zie hiervoor de huidige restauratie van het Gruuthusepaleis en de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de toekomstige restauraties van het Begijnhof en het Belfort. Werelderfgoedstad Brugge staat stevig in de steigers!

DSC03207 (Small)
Oud en nieuw verenigd in een dronebeeld: links naast de O.L.V.-kerk het Gruuthusepaleis in restauratie, rechts het Concertgebouw achter de Sint-Salvatorkathedraal en in het midden het topje van het Belfort, Dienst Patrimonium Stad Brugge

De zeven wonderen van Brugge

Sommige schilderijen zijn een echt raadsel, waarbij je als toeschouwer heel wat inspanning moet doen om te begrijpen wat je zien. Dit schilderij, ‘SEPTEM ADMIRATIONES CIVITATIS BRUGENSIS’, oftewel ‘De Zeven Wonderen van de Stad Brugge’, dat aan Pieter Claeissens de Oude wordt toegeschreven, is er zo eentje. Je herkent allerlei gebouwen, maar toch is het geen realistische weergave van Brugge. Waarom kiest een schilder voor deze combinatie en deze compositie? We zetten enkele feiten en vooral veel onopgeloste elementen even op een rijtje.

7 wonderen bijgesneden
Pieter Claeissens de Oude, De zeven wonderen van Brugge, Brugge privécollectie, foto: Hugo Maertens Photography Bruges

Herkenbare gebouwen

Enkele gebouwen haalt iedereen er uit. De Stadshallen en het Belfort rechts, links de bakstenen toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk met het Paradijsportaal in witte zandsteen en de langgerekte Waterhalle centraal in beeld. Op het tweede plan staan van links naar rechts de Poortersloge, het Huis de Zeven Torren met Huis ’t Fransch Schild en het Oosterlingenhuis. Daarmee staat de teller op zes van de zeven ‘wonderen van Brugge’. Het zevende gebouw springt minder in het oog. Toch is het zeker niet het minst ‘bewonderenswaardige’ gebouw van de stad. Het Waterhuis links voor de Onze-Lieve-Vrouwetoren staat wat in de hoek gedrongen. Het lijkt op de andere onbestemde ruïnes in het schilderij, want een gedeelte van de gevel is afgebroken om inkijk te bieden.

Tredmolen Waterhuis
Detail met een blik in het Waterhuis met de tredmolen

Daar loopt een ezel of muildier in de tredmolen, die water overhevelt van de ene ringgracht naar de andere. Broodnodig voor de optimale werking van de omwalling en de watervoorziening in de stad.

Handel als centraal gegeven

Er is heel wat volk doende met handel drijven en waren vervoeren te voet, per kar of per schuit. Aan de Halletoren pakt een mensengroepje samen om naar de afkondigingen vanaf het balkon te luisteren. Uiterst links worden tonnen verplaatst met de houten kraan die we ook van andere schilderijen kennen. Andere erg belangrijk gebouwen voor de handel, het Tolhuis en het Pijndershuisje staat op een derde plan tussen de Poortersloge en Huis de Casselbergh in. Maar verder zijn voornamelijk vervallen gebouwen en ruïnes te zien. Om het geheel toch wat perspectief te geven, voorziet de schilder zijn fictieve panorama van Brugge van een hoge heuvel met daarop twee molens.

bedrijvigheid voor de waterhalle
Bedrijvigheid op de Markt voor de Waterhalle

Datering

De keizerlijke dubbeladelaar op het Belfort, een weinig zichtbaar detail, verwijst naar de regeerperiode van Keizer Karel, die in 1555 afstand deed van zijn Spaanse koningschap ten voordele van zijn zoon Filips II. Die krijgt er gelijk ook de Spaanse Nederlanden bij. Het Keizerschap van het Heilig Roomse Rijk gaat over op Karels broer, Ferdinand. Filips II gebruikt uiteraard de keizerlijke dubbelkoppige adelaar niet. Dus kan het schilderij met het keizerlijke embleem waarschijnlijk voor 1556 gedateerd worden.

Enkele architecturale details ondersteunen een datering in het begin van de tweede helft van de 16de eeuw. De hoektorens van het Belfort worden vervangen door andersvormige exemplaren in 1560. Op het schilderij staan nog de oudere torens. Bovendien is de bekroning van de toren van het Oosterlingenhuis in 1582 door een brand verwoest. Vaag is op het schilderij nog de beeltenis van de Duitse keizer op de torenspits te ontwaren. Maar alle visuele elementen samen wijzen toch eerder in de richting van een datering omstreeks 1555-1556.

Opdrachtgever

Het meest prominente gebouw op het schilderij is het Huis De Zeven Torren. Dat stadspaleis in de Hoogstraat net achter de Burg staat centraal afgebeeld. Het lijkt alsof een man in de deuropening staat die zijn gasten verwelkomt. Is dit schilderij besteld door de trotse eigenaar van het gebouw? Een goeie gok naar de opdrachtgever zou dan Juan Lopez Gallo kunnen zijn, hoewel hij het Huis de Zeven Torren en ’t Fransch Schild pas in 1558 koopt. Wie eigenaar is voor die datum konden we niet traceren, ook niet op Kaartenhuis van de collega’s van het Stadsarchief. Lopez Gallo blijft er met zijn gezin wonen tot aan zijn dood in 1571. 

Man in deuropening
Detail van het gezelschap aan de voordeur van Huis De Zeven Torren

Gallo werkt sinds 1557 als factor in Brugge voor de Spaanse kroon. Dit houdt in dat hij leningen afsluit op de Antwerpse geldmarkt met (toekomstige) Castiliaanse domein- en belastinginkomsten als onderpand. Een jaar later krijgt Lopez Gallo de heerlijkheden van Sijsele en Male in handen, als terugbetaling van een tien jaar lopende lening aan Filips II van Spanje en koopt hij dus het stadspaleis in de Hoogstraat. Nog eens twee jaar later, in 1560, ontvangt hij van de Spaanse koning de titel van Baron van Male. In 1561 laat Lopez Gallo weten zijn functie van factor te willen neerleggen. In overeenstemming met de Castiliaanse bureaucratische gewoonten wordt zijn administratie gecontroleerd door ambtenaren van de contaduría en alles wordt in orde bevonden.

Maar wat dan met de keizerlijke dubbeladelaar, die uit onze contreien verdwijnt omstreeks 1556? Gallo was toen nog niet de eigenaar van het Huis De Zeven Torren. En wat bovendien met het al even in het oog springende Oosterlingenhuis, kantoor van de Duitse Hanze, terwijl het Domus Castellanorum, het natiehuis van de Spanjaarden, nergens te bekennen valt? Feit is dat de Hanzeaten op dat ogenblik hun activiteiten al naar Antwerpen hebben verhuisd. Ze onderhandelen vanaf 1545 en tegen 1553 is de verhuis geregeld. Het gebouw dat ze van de stad Antwerpen ter beschikking krijgen, wordt ontworpen door dezelfde architect als het Antwerpse Stadhuis, Cornelis Floris De Vriendt. De Oosterlingen behouden wel het huis in Brugge, al zeker tot in 1582, wanneer het gedeeltelijk afbrandt en de toren met het keizerlijke beeld wordt vernield. 

Oosterlingenhuis pentekening
Pentekening van het Oosterlingenhuis ca. 1550, Brugge coll. Prentenkabinet Musea Brugge, foto: Dominique Provost Photography

Al even opvallend is de recentste herkomstgeschiedenis van het schilderij. Alfred De Man schenkt het aan de Zusters Benedictinessen van het Begijnhof in 1958. Zijn familie is eigenaar van Huis De Zeven Torens tussen 1835 en 1908. Kennelijk is het centrale gebouw op het schilderij reden genoeg geweest om dat werk te verwerven. Of maakte het deel uit van de eeuwenoude inboedel?

Wie van de drie?

Traditioneel wordt dit schilderij toegeschreven aan Pieter Claeissens de Oude (Brugge ca. 1500-1576). Maar van Claeissens sr. kennen we eigenlijk voornamelijk toegeschreven werken. Hij is de stamvader van een schildersfamilie die koppig blijft verder werken in de ooit zo succesvolle Brugse traditie van religieuze taferelen en portretten. Omwille van het detailrealisme in de gebouwen kunnen we er van uitgaan dat de kunstenaar een Bruggeling is of toch lange tijd in Brugge heeft verbleven. Er is bovendien weinig vergelijkingsmateriaal met dergelijke samengestelde stadsgezichten.

Als Claeissens het schilderij niet heeft vervaardigd, komt er dan een andere kunstenaar in aanmerking? De enige kunstenaars die een beetje in het vizier komen, zijn de veelzijdige Lanceloot Blondeel (1496-1561), schoonvader van Pieter Pourbus en Marcus Gheeraerts de Oude (ca. 1521-1590). Beide heren hebben naast en zelfs in hun artistieke praktijk blijk gegeven van hun kennis van architectuur en ruimtelijke vormgeving.

Blondeel sterft in 1561, nog mooi binnen de tijdsperiode waarin we dit schilderij plaatsen. In zijn late werk toont hij een voorkeur voor heuvelige landschappen en ruïnes met kleine figuren in de voorgrond.

Crassus uitsnit
Lanceloot Blondeel, De Marteldood van Generaal Crassus, Brugge coll. Groeningemuseum, foto: Dominique Provost Photography

Blondeel verwerkt bovendien de meest fantasierijke gouden architectuur in zijn schilderijen. Daarnaast ontwerpt hij ook tijdelijke podia voor blijde intreden en de immense architecturale schouw van het Brugse Vrije en hij houdt zich bezig met mogelijke oplossingen voor het verzanden van het Zwin.

Marcus Gheeraerts krijgt in 1561 de opdracht om met een geëtst ‘Plan van Brugge’ niet alleen de voornaamste gebouwen maar ook de nabijheid van Brugge tot de zee te benadrukken. Het Huis de Zeven Torens staat prominent afgebeeld, net zoals de andere gebouwen op ‘De zeven wonderen’. Maar zijn plattegrond van Brugge grenst wel aan de realiteit. Gheeraerts’ ‘Plan van Brugge’ is een voor die tijd bijzonder vooruitstrevende, gedetailleerde en wetenschappelijk benaderde weergave van de stad. Tegelijk is van Gheeraerts onvoldoende geschilderd referentiemateriaal bekend voor een stilistische vergelijking.

Meer vragen dan antwoorden…

Kortom, een concrete datering, een duidelijke opdrachtgever noch een sluitende toeschrijving van dit schilderij kunnen we bieden. Maar misschien blijft het net door al die onopgeloste vragen fascineren. Toch hierbij ook een oproep aan u, beste lezer: stuur gerust jullie eigen theorieën en bedenkingen door. Wie weet lukt het om samen nog enkele stukjes van de puzzel op hun plaats te laten vallen.

Het schilderij is al vaak tentoongesteld in Brugge. Op dit ogenblik kan je het gaan bekijken op de tentoonstelling ‘Pieter Pourbus en de vergeten meesters‘, nog tot 21 januari 2018 in het Groeningemuseum.

Grafschilderkunst

Allerheiligen en Allerzielen naderen. Onze manier om overledenen te begraven verschilt erg van die in de middeleeuwen. In die tijd, meer bepaald in de 13de en de 14de eeuw, ontwikkelt zich in Brugge een heel specifieke wijze om graven te versieren. Een aantal prachtige voorbeelden is vandaag nog te zien in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

Trend

Rond 1270 ontstaat in Brugge de gewoonte om bakstenen grafkelders aan de binnenkant te beschilderen. Deze versieringswijze verspreidt zich verder, vooral in het bisdom Doornik maar soms ook daarbuiten. Er lijkt een verband te bestaan tussen het ontstaan, de verspreiding en de thematiek van de schilderingen en de opkomst van de bedelorden, vooral dan van de Minderbroeders.

graven onder graven_c Sarah Bauwens (Small)
De praalgraven in de O.L.V.-kerk met eronder de beschilderde bakstenen graven, foto: Musea Brugge / Sarah Bauwens

Tijdens archeologische opgravingen in de O.L.V.-kerk in 1979 (aanleiding is de terugplaatsing van de graven van Karel de Stoute en Maria van Bourgondië in het hoogkoor), komen enkele van dergelijke beschilderde graven letterlijk aan het licht. Archeologen vinden ze in het hoogkoor. Drie ervan blijven op hun oorspronkelijke plaats; je kan ze vandaag bekijken doorheen een glasplaat tussen de praalgraven en het altaar. Drie andere graven staan nu bovengronds opgesteld in de Lanchalskapel.

Dat de graven in het hoogkoor zijn teruggevonden, mag niet verwonderen. De Kerk en de kloosterorden stimuleren in de middeleeuwen het begraven in kerk, crypte of kloosterpand. De motivatie is niet enkel religieus. De financiële opbrengst is ook mooi meegenomen…

Tussen moeder en zoon

Van twee graven in het hoogkoor is geweten wie erin begraven lag. Deze doden werden gevonden met een loden plaatje onder hun hoofd met daarop hun naam, functie en sterfdatum.

Grafbeschildering Onze-Lieve-Vrouwekerk (OLV)
Engel met wierookvat en voor hem de geknielde Petrus Calf, Brugge O.L.V.-kerk

Het oudste graf is van Petrus Calf, proost van de O.L.V.-kerk, overleden in 1295. De wanden van het graf zijn prachtig versierd. Op de lange zijden staan engelen die wierookvaten en wierookscheepjes in de hand houden. Ze worden vergezeld door de heilige Andreas en de heilige Petrus. Op de korte zijde zien we een gekruisigde Christus, met Maria en Johannes aan de voet van het kruis. Op de andere korte zijde, die afgebroken is, moet een tronende Maria te zien geweest zijn. Opzij van haar knielt een priester, waarschijnlijk Petrus Calf. En zo geeft dit graf ons het oudste portret van een Bruggeling.

In een ander graf rustte Nikolaas van der Steene, ook een proost van de O.L.V.-kerk, overleden in 1339. Zijn graf is intact gebleven. Op de korte zijden staan gelijkaardige afbeeldingen als in het graf van Petrus Calf. Op de ene lange wand treedt de heilige Andreas met bisschopsstaf aan, op de andere de heilige Jacobus de Meerdere, met boek, pelgrimsstaf en sint-jakobsschelp.

Grafbeschildering Onze-Lieve-Vrouwekerk (OLV)
De heilige Jacobus de Meerdere, op de wand van het graf van Nikolaas van der Steene, Brugge O.L.V.-kerk

Tussen engelen en heiligen

Met de beschrijving van deze twee graven is meteen ook het hele iconografische plaatje van de grafschilderkunst duidelijk. Op de korte zijden zijn steeds Christus enerzijds en Maria anderzijds terug te vinden. Christus wordt niet triomferend afgebeeld, maar stervend of dood aan het kruis. Hier speelt duidelijk de invloed van de Franciscanen. Maria is moeder, met het kindje Jezus in haar armen, én koningin, met kroon en scepter en soms gezeten op een troon. Zij bemiddelt voor de overledene bij haar zoon.

Grafbeschildering Onze-Lieve-Vrouwekerk (OLV)
Tronende Maria met Kind op de wand van het graf van Nikolaas van der Steene, Brugge O.L.V.-kerk

Op de lange zijden staan meestal engelen, die met een wierookvat zwaaien in de richting van de gekruisigde Christus en van Maria. Soms dragen ze ook andere dingen mee zoals muziekinstrumenten, kaarsen of de passiewerktuigen. Ook heiligen duiken op, meestal de patroonheilige van de overledene of van de kerk waar het graf zich bevindt. Dat ook de overledene zelf wordt afgebeeld, is zeldzaam. Maar bij Petrus Calf gebeurt dit dus.

Doorheen dit alles strooien de grafschilders kleinere versieringen zoals bloempjes, sterren, stippen, vogels en druiventrossen. Soms zijn er ook architectuurelementen en wapenschilden terug te vinden.

Techniek

Het aanbrengen van deze schilderingen moet snel gebeuren. In de middeleeuwen begraaft men de dode op de dag van overlijden of daags nadien. Bovendien vereist ook de techniek een snelle hand. De schildering komt immers op een verse kalklaag die slechts één dag vochtig blijft en waarop de verf zich moet vasthechten.

In het begin van de 15de eeuw is de grafschilderkunst over zijn hoogtepunt heen. Het aantal figuren vermindert; ze worden vaak vervangen door kruisversieringen. Of men schildert, veel minder kleurrijk dan vroeger, de naam van de overledene, zijn wapenschild of lijfspreuk op de grafwand. Wat ook een rol gespeeld kan hebben: de graven worden in die periode minder diep. Er is dus minder oppervlakte om te beschilderen.

Grafbeschildering Onze-Lieve-Vrouwekerk (OLV)
Opgekleefde tekening van een tronende Maria in een graf uit 1400-1425, opgesteld in de Lanchalskapel, Brugge O.L.V.-kerk

Of willen de grafschilders vooral sneller en makkelijker werken en hun rug sparen? Feit is dat ze rond 1400 een nieuw procedé aanwenden: in plaats van te schilderen, plakken ze tekeningen en heel soms houtgravures tegen de grafwand. In de O.L.V.-kerk staat een graf waarin beide technieken gecombineerd worden: de kruisen zijn in de pleister geschilderd maar de figuren zijn tekeningen die op de pleister gekleefd zijn. Grafschilderkunst in evolutie.

Meer weten?

Hubert De Witte, De opgraving in het hoogkoor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk te Brugge 1979-1980, in: Hubert De Witte e.a., Maria van Bourgondië. Brugge. Een archeologisch-historisch onderzoek in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, Brugge, 1982, p. 31-138.

Hubert De Witte, Schilderen voor het hiernamaals. Grafschilderkunst in het Brugse in de late middeleeuwen, in: Sophie Balace en Alexandra De Poorter, Tussen Hemel en Hel. Sterven in de middeleeuwen, 600-1600, Antwerpen, 2010, p. 162-171.

W.P. Dezutter, Grafschilderingen. Iconografie en religieuze spiritualiteit, in: Ibidem, p. 179-204.

W.P. Dezutter, De beschilderde grafkelder van Proost Petrus Calf. Brugge 1295, in: Biekorf, jg. 79 (1979), p. 43-47.